ECLI:NL:TGZCTG:2022:76 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.251
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:76 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-03-2022 |
| Datum publicatie: | 13-04-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2020.251 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen dermatoloog. Bij klaagster is in het ziekenhuis door middel van micrografische chirurgie volgens Breuninger een basaalcelcarcinoom verwijderd. De dermatoloog is op verschillende momenten bij de behandeling betrokken geweest. Klaagster verwijt de dermatoloog dat zij nalatig is geweest in de aansturing van de behandelende artsen van klaagster; er voorafgaand aan de behandeling geen CT-scan met contrastvloeistof is gemaakt; de verdoving tijdens de tweede ingreep onvoldoende werkte; de wond die na de ingreep ontstond geïnfecteerd raakte en onvoldoende genas; zij geen gevoel voor medemenselijkheid heeft getoond, omdat zij weigerde klaagster een ‘roesje’ voor de behandeling te geven.Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.251 van:
A., wonend in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., dermatoloog, werkzaam in D., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr.
A.M. den Hertog-de Visser, advocaat verbonden aan Erasmus MC te Rotterdam.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 21 februari 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te
Den Haag tegen C. – hierna de dermatoloog – een klacht ingediend. Bij beslissing van
3 november 2020, onder nummer 2020-029a, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond
verklaard en het verzoek om schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De dermatoloog heeft een
verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2020.252 behandeld
ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 februari 2022, waar
zijn verschenen klaagster, in persoon, en de dermatoloog, in persoon en bijgestaan
door mr. A.M. den Hertog-de Visser, voornoemd. Partijen hebben hun standpunten nader
toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 In 2018 was beklaagde werkzaam als dermatoloog in het E. (hierna: E.) te D.
2.2 Klaagster is in 2017 in het F. te G. met fotodynamische therapie behandeld
in verband met een basaalcelcarcinoom (hierna bcc) op het linkerscheenbeen. In 2018
was er sprake van een recidief bcc, dat op dezelfde wijze in dat ziekenhuis is behandeld.
Daarop is klaagster doorgestuurd naar het E., waar zij op 9 juli 2018 door een dermatoloog
is gezien. Tijdens dit consult is een foto van het been van klaagster gemaakt en is
aanvullend onderzoek aangevraagd door middel van een CT-scan. Voorts is bij de afdeling
pathologie een revisie aangevraagd van het eerder in het F. afgenomen biopt.
2.3 De grootte en uitgebreidheid van het bcc was moeilijk te beoordelen omdat de
huid ter plaatse verlittekend was door een eerder trauma (motorongeval) en twee eerdere
behandelingen met fotodynamische therapie. Daarom was het voorstel vanuit het E. was
om de tumor – indien er geen botaantasting zou blijken te zijn – te verwijderen door
middel van micrografische chirurgie volgens Breuninger, waarna de plastisch chirurg
de sluiting van de wond zou verzorgen. Bij deze methode zijn veelal drie rondes nodig,
steeds met een week tussentijd.
2.4 Deze behandelmethode is op 17 juli 2018 op het gezamenlijke spreekuur van beklaagde
en de plastisch chirurg (de beklaagde in de zaak 2020-029b, hierna: beklaagde b) met
klaagster besproken. Daarbij is aan de orde geweest dat, indien uit de CT-scan geen
botaantasting zou blijken, de Breuninger-methode zou worden toegepast. Als het bot
wel aangetast zou blijken, zou klaagster worden aangemeld voor het multidisciplinaire
overleg huidkanker. Op 18 juli 2018 is dit beleid tijdens een oncologiebespreking
van de afdeling dermatologie geaccordeerd. Op 25 juli 2018 is de CT-scan gemaakt.
2.5 Op 27 juli 2018 heeft klaagster beklaagde per brief laten weten dat zij de
Breuninger chirurgie niet zonder een zogenaamd roesje durfde te ondergaan. Zij schreef
in haar brief dat zij een voorkeur had voor Mohs micrografische chirurgie (MMC), omdat
daarbij de snijranden tijdens de ingreep (peroperatief) door de dermatoloog op vriescoupes
worden gecontroleerd en zij dan minder operaties hoefde te ondergaan, omdat de excisieronden
dan op dezelfde dag kunnen plaatsvinden. Bij Breuninger chirurgie worden de snijranden
door de patholoog postoperatief op paraffinecoupes beoordeeld en zit er daardoor steeds
een week tussen de rondes. Klaagster gaf ook aan dat zij zich de grote pijn bij de
operaties aan haar scheenbeen uit het verleden herinnerde.
2.6 Naar aanleiding van de uitslag van de CT-scan, die op 3 augustus 2018 bekend
werd en waarbij geen duidelijke tekenen van actieve botaantasting werden gevonden,
heeft de radioloog voorgesteld een aanvullende MRI-scan met contrast te maken. Deze
MRI-scan werd verricht op 22 augustus 2018.
2.7 Op 7 augustus 2018 heeft beklaagde telefonisch gereageerd op de brief van klaagster
van 27 juli 2018. Blijkens het dossier heeft zij haar uitgelegd dat MMC in haar situatie
minder geschikt was omdat door de grootte van de plek en de maskering van de tumor
door het littekenweefsel op het scheenbeen peroperatieve beoordeling van de snijvlakken
op vriescoupes minder betrouwbaar zou zijn dan postoperatieve beoordeling op paraffinecoupes.
Voorts gaf beklaagde aan dat Breuninger chirurgie alleen met lokale anesthesie mogelijk
is en heeft zij klaagster uitgelegd dat zij tijdens de ingreep wel zou voelen dat
er iets gebeurt, maar dat de behandeling geen pijn zou mogen doen. Ook de uitslag
van het extra huidbiopt (geen maligniteit), de CT-scan en de datum voor de MRI kwamen
ter sprake. De MRI toonde geen aanwijzingen voor ingroei in het bot.
2.8 Klaagster heeft hierna met de behandeling ingestemd, waarna de Breuninger ronden
plaatsvonden op 20 en 27 september 2018 en 11 oktober 2018. Beklaagde heeft deze operaties
niet uitgevoerd. Zij heeft klaagster op 4 oktober 2018, de dag dat de derde ronde
gepland stond, wel gesproken. Een ervaren arts-assistent in opleiding tot specialist
(aios) heeft haar in overleg met beklaagde uitgelegd dat excisie van het bot niet
nodig bleek, omdat de MRI-scan geen botaantasting liet zien. Ook heeft beklaagde klaagster
zelf nog gesproken en uitgelegd dat het bot wel door de plastisch chirurg moest worden
gefreesd. Ook werd van de wond een kweek afgenomen in verband met een verdenking op
een pseudomonasinfectie en er is toen gestart met wondtherapie.
2.9 Op 8 oktober 2018 heeft beklaagde b) de wond op de polikliniek van de plastische
chirurgie beoordeeld en daarover in het medisch dossier aangetekend dat er sprake
was van een “Zeer vieze wond bij uitpakken!” en klaagster wondverzorgingsadviezen
gegeven. Op 11 oktober 2018 heeft beklaagde b) nettoyage van de wond verricht en het
bot gefreesd. Tot 3 december 2018 volgden regelmatige wondcontroles bij de wondverpleegkundige
van plastische chirurgie.
2.10 Klaagster is voor verdere oncologische controle terugverwezen naar de dermatoloog
in het F.. Zij heeft zich later voor de behandeling van opnieuw een recidief bcc tot
het I. gewend.
3. De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat:
1) zij nalatig is geweest in de aansturing van de behandelende artsen van klaagster;
2) er voorafgaand aan de behandeling geen CT-scan met contrastvloeistof is gemaakt;
3) de verdoving tijdens de tweede ingreep onvoldoende werkte;
4) de wond die na de ingreep ontstond geïnfecteerd raakte en onvoldoende genas;
5) zij geen gevoel voor medemenselijkheid heeft getoond, omdat zij weigerde klaagster
een ‘roesje’ voor de behandeling te geven.
Klaagster verzoekt daarnaast om een toekenning van een schadevergoeding wegens de
nare ervaringen die zij in het E. heeft opgedaan en de risico’s die zij daar heeft
gelopen (zoals infectiegevaar, doordat beklaagde mascara had gebruikt terwijl zij
dienst had).
4. Het standpunt van beklaagde
De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 eerste klachtonderdeel: nalatigheid bij de aansturing van de behandelend artsen
In het tuchtrecht geldt dat alleen het persoonlijk handelen van de zorgverlener wordt
beoordeeld. Uit het dossier blijkt dat beklaagde driemaal bij de behandeling van klaagster
betrokken is geweest: op het spreekuur van 17 juli 2018 tezamen met de plastisch chirurg
(beklaagde b), op 3 augustus 2018 tijdens het telefonisch gesprek naar aanleiding
van de brief van klaagster van 27 juli 2018 en op 4 oktober 2018 toen de derde Breuninger-ronde
gepland stond. De andere consulten en de operaties waarbij de Breuninger-methode is
uitgevoerd zijn niet door beklaagde verricht. De betreffende artsen-operateurs zijn
verantwoordelijk voor hun eigen handelen, evenals de plastisch chirurg die samen met
beklaagde het consult met klaagster op 17 juli 2018 heeft verricht. Er zijn geen bijzondere
omstandigheden gebleken op grond waarvan beklaagde voor hun handelen verantwoordelijk
zou kunnen worden gehouden.
5.2 Van de genoemde drie contactmomenten was beklaagde op 4 oktober 2018 als supervisor
betrokken en in zoverre was zij op dat moment wel verantwoordelijk voor het handelen
van de gesuperviseerde aios. Beklaagde werd op 4 oktober 2018 geïnformeerd door de
aios en heeft klaagster zelf ook gesproken. Het College is van oordeel dat de aios
en beklaagde op basis van de op dat moment beschikbare informatie, te weten de uitslagen
van de onderzoeken (weefselonderzoek, de MRI en de CT-scan) hebben kunnen oordelen
dat een derde Breuninger-ronde overbodig was, nu eventueel achtergebleven tumorcellen
met het frezen van een deel van het bot zouden worden verwijderd. Het is dus niet
gebleken dat de aios in enig opzicht tekort is geschoten in de zorg voor klaagster,
en daarmee ook niet dat beklaagde nalatig is geweest in haar aansturing van de aios.
Het beleid ten aanzien van de wondbehandeling is – zoals uit het dossier blijkt –
gebaseerd op adviezen van de plastisch chirurg. Beklaagde kan in dit opzicht geen
nalatigheid worden verweten.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.4 tweede klachtonderdeel: CT-scan
Beklaagde heeft aangevoerd dat het de keuze van de radioloog was om op 25 juli 2018
een CT-scan zonder contrastvloeistof te maken. Beklaagde was niet de supervisor van
de radioloog en mocht wat beeldvorming betreft op diens expertise vertrouwen, zo heeft
zij aangevoerd.
Het College onderschrijft dat het de keuze van de radioloog is om met het oog op optimale
beeldvorming een CT-scan al dan niet met contrastvloeistof uit te voeren. De specialist
die de CT-scan heeft aangevraagd draagt daarvoor geen verantwoordelijkheid.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.5 derde klachtonderdeel: verdoving tijdens de tweede ingreep
Klaagster heeft verklaard dat zij tijdens de tweede ingreep veel pijn heeft ervaren
doordat de verdoving niet werkte. Beklaagde heeft deze ingreep niet uitgevoerd en
zij was hierbij ook niet als supervisor betrokken, zodat haar hiervan geen verwijt
kan worden gemaakt.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.6 vierde klachtonderdeel: infectie van de wond en onvoldoende genezing van de
wond
De wondinfectie die is ontstaan is een complicatie bij de behandeling die klaagster
heeft ondergaan, die kan optreden doordat de wond langere tijd open blijft. Blijkens
haar aantekeningen in het dossier van 17 juli 2018 heeft beklaagde de mogelijkheid
van het optreden van deze complicatie in het consult op die datum ook met klaagster
besproken. Toen de arts-assistent op 4 oktober 2018 een pseudomonasinfectie vermoedde,
is hierop adequaat gereageerd door een kweek af te nemen en wondtherapie te starten.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.7 vijfde klachtonderdeel: geen medemenselijkheid, want niet toedienen van
een roesje
Beklaagde heeft aangevoerd dat het in het E. beleid is dat nagenoeg alle dermatologische
ingrepen onder lokale verdoving op de polikliniek worden uitgevoerd, waaronder ook
Breuninger-chirurgie. Hierdoor kan de ingreep niet onder narcose of met een roesje
worden uitgevoerd.
Het College overweegt dat aannemelijk is dat het hier een organisatorische keuze van
het E. betreft, gezien de beperkte OK-capaciteit en de aard van de ingreep. Beklaagde
heeft geen invloed op dit beleid en haar kan hiervan dan ook geen verwijt worden gemaakt.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.8 verzoek om schadevergoeding
Klaagster kan niet in haar verzoek om een schadevergoeding worden ontvangen omdat
het College niet bevoegd is tot toekenning daarvan.
Dit verzoek is niet-ontvankelijk.
5.9 Om bovenstaande redenen zal het College beslissen dat de klacht in al haar
onderdelen kennelijk ongegrond is en dat het verzoek om schadevergoeding kennelijk
niet-ontvankelijk is.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg. Die weergave
is in beroep niet of in elk geval onvoldoende bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege de bestreden beslissing te vernietigen en de
klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.2 De dermatoloog heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal
Tuchtcollege de bestreden beslissing te handhaven en het beroep te verwerpen.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat
tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep hebben partijen het debat schriftelijk
nog een keer gevoerd. Ter terechtzitting van 7 februari 2022 is dat debat mondeling
voortgezet.
4.4 De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen.
Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van
het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over.
Dat college is er in zijn beslissing terecht van uitgegaan dat de dermatoloog alleen
verantwoordelijk kan worden geacht voor haar eigen handelen en niet voor dat van artsen
met een ander specialisme, zoals de radioloog. Er zijn in dit geval geen bijzondere
omstandigheden op grond waarvan van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.
4.5 De dermatoloog heeft de keuze voor de behandeling door middel van micrografische
chirurgie volgens Breuninger en onder lokale verdoving op de zitting in beroep toegelicht
en onderbouwd. De keuze voor lokale verdoving hield niet alleen verband met de beperkte
OK-capaciteit, maar ook met het feit dat het voor een patiënt nadelig kan zijn om
in korte tijd meermalen een volledige narcose te ondergaan. Er zijn geen aanwijzingen
dat deze keuzes van de dermatoloog – waarmee klaagster destijds ook heeft ingestemd
– niet juist waren. Ook ten aanzien van de wondverzorging zijn er geen aanwijzingen
dat deze niet toereikend of onzorgvuldig is geweest. Toen er een verdenking bestond
op een pseudomonasinfectie van de wond is een kweek afgenomen en is gestart met spoelingen
van de wond met azijnzuur. Dat is in zo’n geval een adequate behandeling.
4.6 Dit betekent dat niet is gebleken dat de dermatoloog met betrekking tot de
door haar uitgevoerde behandeling een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Dat klaagster daarna in een ander medisch centrum op andere wijze is behandeld rechtvaardigt
niet de conclusie dat de behandeling in het E. onjuist of onzorgvuldig is geweest.
De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard
en dat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter,
E.F. Lagerwerf Vergunst en B.J.M. Frederiks, leden-juristen en A.Y. Goedkoop en
W.F.A. Kolkman, leden beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.