ECLI:NL:TGZCTG:2022:60 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.284

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:60
Datum uitspraak: 30-03-2022
Datum publicatie: 30-03-2022
Zaaknummer(s): C2020.284
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen verpleegkundige. Klaagster is in het ziekenhuis bevallen van haar zoon. Bij de bevalling is een totaalruptuur ontstaan. Verweerster heeft bij de bevalling geassisteerd. Klaagster verwijt verweerster – kort gezegd – dat zij slechte nazorg heeft verleend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.284 van:
A.wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., verpleegkundige, werkzaam in B.,
verweerster in beide instanties, hierna: de verpleegkundige, gemachtigde: mr. O.L. Nunes, advocaat in Utrecht.
1.    Verloop van de procedure
Klaagster heeft op 10 december 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag een klacht ingediend tegen de verpleegkundige. Dat College heeft de klacht in zijn beslissing van 17 november 2020 onder nummer 2019-271d kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. De verpleegkundige heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de beroepen in de zaken van klaagster tegen D. (C2020.282) en E. (C2020.283) behandeld op de zitting van 23 februari 2022. De verpleegkundige is met haar gemachtigde op de zitting verschenen. Klaagster en haar echtgenoot hebben de zitting digitaal bijgewoond. 
Partijen hebben hun standpunten tijdens de zitting verder toegelicht. De gemachtigde van de verpleegkundige heeft daarbij gebruik gemaakt van notities. Het Centraal Tuchtcollege heeft een kopie van die notities ontvangen. 
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. Hierbij is de verpleegkundige aangeduid als beklaagde.
    “2.    De feiten
2.1    Klaagster is op 25 september 2017 om 04:02 uur in het (destijds) F. bevallen van haar zoon. Beklaagde heeft de dienstdoende arts-assistent gynaecologie, mevrouw D. (tegen wie ook een tuchtklacht is ingediend, onder referentie 2019-271b) tijdens de bevalling van klaagster als O&G verpleegkundige geassisteerd. 

2.2    Na de bevalling bleek het perineum intact, met daarachter echter een diepe ruptuur. Deze ruptuur is vervolgens op de verloskamer gehecht door de superviserend gynaecoloog mevrouw E. (tegen wie ook een tuchtklacht is ingediend, onder referentie 2019-271c). Deze ingreep heeft ongeveer 1,5 uur geduurd en was om 6.30 uur klaar.
2.3    Op de kraamafdeling heeft klaagster wat te eten aangeboden gekregen en zijn er controles verricht. Klaagster had op dat moment een Hb van 6.6., een bloeddruk van 93/55 en een pols van 93/pm. 
2.4    Vervolgens is klaagster door beklaagde uit bed geholpen en naar de douche begeleid. Bij de douche collabeerde klaagster, waarna beklaagde haar weer naar bed heeft geholpen. Beklaagde heeft het collaberen aan mevrouw D. gemeld, die daarover in het medisch dossier om 07.14 uur de volgende notitie heeft gemaakt:
“NB patiente ging douchen met verpleegkundige. Patiente collabeerde. Hb is labwaarts.”
2.5    Beklaagde heeft nadien geen betrokkenheid meer met klaagster gehad. Een collega van beklaagde heeft om 09:05 klaagster met behulp van een po-stoel opnieuw laten douchen.
3.    De klacht
Klaagster verwijt beklaagde slechte nazorg te hebben geleverd.
4.    Het standpunt van beklaagde
De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan. 
5.    De beoordeling
5.1    Het College is van oordeel dat beklaagde adequaat en zorgvuldig heeft gehandeld en haar dus geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Uit het verweerschrift en het medisch dossier volgt dat beklaagde klaagster heeft begeleid bij het naar de douche gaan en het douchen. Er was naar aanleiding van de uitgevoerde controles geen indicatie om klaagster op dat moment niet te laten douchen. Dat klaagster onder de douche collabeerde is vervelend, maar valt beklaagde niet aan te rekenen. Beklaagde heeft hier adequaat op gereageerd door klaagster terug te helpen in bed en van het collaberen melding te maken bij de bij klaagster betrokken arts-assistent gynaecologie. 

5.2    Om bovenstaande redenen zal het College zonder nader onderzoek beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.
4.    Beoordeling van het beroep
4.1    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en wil met haar beroep haar klacht ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voorleggen. Verder maakt klaagster met haar beroep bezwaar tegen – kort gezegd – de manier waarop de zaak in eerste aanleg is behandeld.
    4.2    De verpleegkundige heeft in beroep verweer gevoerd. Zij vraagt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klaagster te verwerpen.
    Behandeling van de zaak door het Regionaal Tuchtcollege
    4.3    De zaak is door het Regionaal Tuchtcollege in raadkamer behandeld. Het Centraal Tuchtcollege leest de stelling van klaagster dat haar rechten geschonden zijn doordat zij verhinderd was de openbare zitting bij te wonen als bezwaar tegen het feit dat de zaak in eerste aanleg in raadkamer is afgedaan. Met betrekking tot dit bezwaar en tot de stelling van klaagster dat zij benadeeld is op het punt van het aanleveren van (nader) bewijs overweegt het Centraal Tuchtcollege dat, als er op dit punt sprake zou zijn geweest van een tekortkoming in de behandeling van de zaak in eerste aanleg, dit is hersteld door de behandeling van de zaak in beroep waar partijen in de gelegenheid zijn gesteld zowel schriftelijk als mondeling (in het geval van klaagster via een digitale verbinding) hun standpunten naar voren te brengen en (verder) te onderbouwen. 
    Inhoudelijke beoordeling
4.4    In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de verpleegkundige nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat.

4.5    In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 23 februari 2022 is dat debat voortgezet.
4.6    De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen. 
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter;
A.R.O. Mooy en R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en M.J.E. van Haren MANP 
en H.A. de Visser MANP, leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 30 maart 2022.
Voorzitter  w.g.    Secretaris  w.g.