ECLI:NL:TGZCTG:2022:49 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1114

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:49
Datum uitspraak: 21-03-2022
Datum publicatie: 21-03-2022
Zaaknummer(s): C2021/1114
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een arts die eigenaar is van een instituut waar haartransplantaties worden verricht. Klager heeft bij dit instituut tweemaal een behandeling ondergaan. Klager verwijt de arts dat: 1. hij hem in telefoongesprekken onjuiste informatie heeft verstrekt over de te gebruiken methode en deze methode heeft aanbevolen met als gevolg dat het donorgebied bij klager beschadigd is en haartransplantatie niet meer mogelijk is; 2. Hij heeft geweigerd de haardichtsheidsmetingen bij klager en de onderzoeksresultaten van nadere studies aan klager beschikbaar te stellen; 3. Hij als bedenker van de gebruikte methode en arts-eigenaar van het instituut arts medewerkers heeft opgedragen om deze methode, en niet de algemeen aanvaarde methode, op klager toe te passen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager en wijst het verzoek om een veroordeling in de proceskosten af.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1114 van:
A., wonend te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. J.R.M. Rikmenspoel, advocaat te Utrecht,
tegen
C., arts, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, advocaat te Utrecht.
1.    Verloop van de procedure
De heer A. - hierna klager - heeft op 19 juni 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 
5 augustus 2021, onder nummer E2021/2130-2066a heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 7 februari 2022, waar zowel klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. J.R.M. Rikmenspoel, als de arts bijgestaan door zijn gemachtigde, 
mr. E.J.C. de Jong, zijn verschenen. 
Beide partijen hebben de zaak mondeling toegelicht. De gemachtigde van klager heeft dat mede gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overhandigd. 
2.    Beslissing in eerste aanleg
2.1.    In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld.
“2. De feiten
2.1    Verweerder is arts en eigenaar van het E. (hierna: het instituut). Het instituut heeft eind jaren negentig een wijze van haartransplantatie ontwikkeld, de HST-methode. Die methode bestaat eruit dat een klein deel van het haarwortelzakje dat enkele haarstamcellen bevat, wordt weggenomen uit het donorgebied en in het transplantatiegebied wordt geplaatst. De bedoeling is dat daardoor zowel in het donorgebied als in het transplantatiegebied haar zal (blijven) groeien.
2.2    Klager heeft tweemaal een behandeling ondergaan bij het instituut, te weten op 13 augustus 2013 en op 10 mei 2016. De door klager en de betrokken artsen ondertekende behandelingsovereenkomsten maken onderdeel uit van het medisch dossier van klager. In artikel 3 van de algemene voorwaarden bij de behandelingsovereenkomst van 13 augustus 2013 (die volgens de overeenkomst waren bijgevoegd) staat (citaat inclusief spel- en taalfouten):
“Iedere cliënt heeft een ander verwachtingspatroon. Alhoewel [naam instituut] alles in het werk stelt om zich in te leven in mijn verwachtingspatroon en trachten dit voor mij de te verwezenlijken, kan het uiteindelijk resultaat verschillen met mijn verwachtingspatroon. Alhoewel er dus geen garantie gegeven kan worden met betrekking tot het eindresultaat zal [naam instituut] altijd bereid zijn hier samen met mij een passende oplossing voor te vinden.” 
Artikel 3.1 en 3.2 van de behandelingsovereenkomst van 10 mei 2016 luiden als volgt:
“3.1 Iedere patiënt heeft een ander verwachtingspatroon. Alhoewel [naam instituut] zich zal inspannen een geslaagde Behandeling uit te voeren kan het uiteindelijk resultaat verschillen van de verwachtingen van Patiënt. In een dergelijke situatie zal [naam instituut] graag bereid zijn met de Patiënt in overleg te treden en een eventuele oplossing te bespreken. Daarbij geldt dat indien grafts niet groeien [naam instituut], zonder bijbetaling, deze opnieuw zal plaatsen bij een volgende Behandeling. Indien er geen groei is na twee Behandelingen zal 50 procent van de door de Patiënt betaalde vergoeding worden geretourneerd. 
3.2 Patiënt bevestigt en accepteert dat het resultaat van de Behandeling kan afwijken van zijn verwachtingspatroon aangezien het resultaat afhangt van verschillende omstandigheden, waaronder de gesteldheid van de grafts, de huid, de gezondheidssituatie van Patiënt en in algemene zin de reactie van het lichaam van Patiënt op de Behandeling. Het resultaat van de Behandeling kan per locatie en graft verschillen. Voorts geldt dat het eindresultaat 12 maanden na de Behandeling zichtbaar zal zijn.”
2.3    Klager heeft bij dit college ook een klacht ingediend tegen de arts die de behandeling op 10 mei 2016 bij klager heeft uitgevoerd (geregistreerd onder nummer E2021/2133-2066b).” 
2.2.    De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in.
“3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerder dat:
1.    hij hem in telefoongesprekken onjuiste informatie heeft verstrekt over de HST-methode en deze methode heeft aanbevolen met als gevolg dat het donorgebied bij klager beschadigd is en haartransplantatie niet meer mogelijk is;
2.    hij heeft geweigerd de haardichtheidsmetingen bij klager en de onderzoeksresultaten van nadere studies aan klager beschikbaar te stellen;
3.    hij als bedenker van de HST-methode en arts-eigenaar van het instituut arts-medewerkers heeft opgedragen om de HST-methode, en niet de algemeen aanvaarde methode, op klager toe te passen.

Ter toelichting heeft klager gesteld dat hij door verweerder in de waan is gebracht dat de HST-methode tot een beter resultaat zou leiden dan de op dat moment door de beroepsgroep toegepaste en algemeen aanvaarde FUE-techniek. De HST-methode verkeerde qua ontwikkeling in een zeer pril stadium en is geen door de beroepsgroep algemeen aanvaarde methode. Verweerder wist, dan wel behoorde te weten dat de HST-methode niet tot het toegezegde resultaat leidt. Verweerder heeft garanties afgegeven aan klager, wat betreft zowel het donorgebied als het resultaat van de behandeling. De algemene voorwaarden zijn niet van toepassing omdat klager deze niet voorafgaand aan of uiterlijk tijdens het sluiten van de behandelovereenkomst heeft ontvangen.  
4. Het standpunt van verweerder
4.1    Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij geen individuele gezondheidszorg heeft verleend aan klager. Verweerder is niet betrokken geweest bij de twee behandelingen die klager bij het instituut heeft ondergaan, ook niet bij de voorbereiding van die behandelingen, het informeren van klager of het ondertekenen van de behandelingsovereenkomsten. Verweerder heeft klager ook niet gesproken voorafgaand aan de behandeling of gedurende de behandelingen. 
4.2    Voor het geval de klacht wel ontvankelijk wordt geacht, voert verweerder het volgende aan. Door het instituut noch door verweerder persoonlijk zijn garanties voor het resultaat afgegeven. Het gevolg van de behandelingen is naar de mening van verweerder overigens voldoende geweest. Dat dit anders is, heeft klager niet duidelijk gemaakt. Zelfs als het resultaat onvoldoende zou zijn, betekent dit nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder betwist dat het donorgebied beschadigd is, klager heeft dit niet aangetoond. Klager heeft negatieve verklaringen over de HST-methode in het geding gebracht, maar aan die verklaringen moet geen waarde worden gehecht omdat deze mede afkomstig zijn van concurrenten van het instituut, die met het instituut in een felle strijd zijn verwikkeld. De HST-methode bevond zich niet in een pril stadium, maar werd in 2013 al veelvuldig toegepast en dat is nog steeds zo. De methode is wetenschappelijk onderbouwd en kenbaar gemaakt in wetenschappelijke publicaties.
2.3.    Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. 
“5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid 
5.1    Verweerder is BIG-geregistreerd arts en als zodanig onderworpen aan het tuchtrecht. Klager stelt zich op het standpunt dat verweerder met hem heeft gesproken en hem heeft geïnformeerd en geadviseerd over een behandeling. In dat geval is er tussen klager en verweerder een behandelingsovereenkomst ontstaan. Het verweten handelen van verweerder valt dan onder de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 aanhef en onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, Wet BIG) die betrekking heeft op de behandelrelatie tussen een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar en een patiënt. Gelet op klagers stellingen is er geen aanleiding om klager niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht. De klacht zal inhoudelijk worden beoordeeld.  
Inhoudelijke beoordeling
Klachtonderdeel 1 
5.2    Bij het antwoord op de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 47, eerste lid Wet BIG staat het persoonlijk handelen van verweerder voorop.
5.3    Klager heeft zijn stelling dat hij met verweerder heeft gesproken niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld door aan te geven wanneer dat gesprek dan heeft plaatsgevonden. Dit lag wel op klagers weg. Verweerder heeft ontkend dat hij klager ooit gesproken heeft. Volgens verweerder heeft hij klager nooit behandeld en is hij ook op geen enkele wijze betrokken geweest bij klagers behandelingen. Verweerder stelt dat klager niet met hem een behandelingsovereenkomst heeft gesloten, maar met het instituut. Door het instituut noch door verweerder persoonlijk zijn garanties voor het resultaat afgegeven.
5.4.    Nu partijen geen gebruik hebben gemaakt van het mondelinge vooronderzoek, is dit verweer onweersproken gebleven. Het college gaat er daarom van uit dat het klopt dat verweerder niet bij de behandeling van klager betrokken is geweest. Dat verweerder wel bij de behandeling van klager betrokken is geweest, blijkt ook niet uit het dossier. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 2
5.5     Klager verwijt verweerder dat hij heeft geweigerd de haardichtheidsmetingen bij klager en de onderzoeksresultaten van nadere studies aan klager beschikbaar te stellen. Klager heeft dit klachtonderdeel echter niet onderbouwd. Zo is onder meer niet duidelijk geworden aan wie klager zijn verzoek precies heeft gericht, wanneer hij dat verzoek heeft gedaan en wanneer en op grond waarvan verweerder dit verzoek zou hebben afgewezen. Klager heeft ook geen bewijs in de procedure gebracht, waaruit de juistheid van zijn stellingen blijkt. Dit lag wel op zijn weg. Dit klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond. 
Klachtonderdeel 3 
5.6    Volgens klager heeft verweerder ook tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld omdat hij de bedenker is van de HST-methode en deze methode in zijn kliniek onder zijn toezicht en verantwoordelijkheid laat toepassen op patiënten, waaronder klager.  
5.7    Dit klachtonderdeel heeft betrekking op handelen dat valt onder de tweede tuchtnorm. Een gedraging valt onder de tweede tuchtnorm als door de verweerder anders dan in de behandelrelatie gehandeld is 1) in de hoedanigheid van BIG-geregistreerde en de gedraging in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, dan wel 2) in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Ook het handelen van beroepsbeoefenaren in een leidinggevende en/of bestuurlijke functie kan op grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk worden beoordeeld, indien dit handelen zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg en de verweerder zich bij zijn handelen heeft begeven op het deskundigheidsgebied dat bij zijn titel hoort. Wel dient rekening te worden gehouden met de discretionaire ruimte van de leidinggevende/bestuurder. 
5.8    Het college kan niet vaststellen dat de HST-methode – die verweerder heeft bedacht – niet deugdelijk is, zoals klager beweert. De overgelegde stukken bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Het college heeft geen aanwijzingen kunnen vinden dat er in het algemeen sprake is van onverantwoorde zorg ten opzichte van patiënten binnen het instituut waarvoor verweerder in zijn hoedanigheid van arts-eigenaar tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt.  
5.9    Hiermee is overigens niet gezegd dat de behandeling van klager zorgvuldig is geweest. Om dit te kunnen beoordelen dient echter het handelen van de daarbij betrokken beroepsbeoefenaren te worden beoordeeld en niet het persoonlijk handelen van verweerder. Voorts is in zijn algemeenheid dan wel in het geval van klager niet gebleken van onvoldoende protocollering.
Het college merkt volledigheidshalve nog op dat uit het medisch dossier blijkt dat klager tweemaal een behandeling binnen het instituut heeft ondergaan met een tussenpoos van drie jaar en dat door hem beide keren een behandelingsovereenkomst is getekend waaruit blijkt dat geen garantie voor het resultaat werd gegeven. Dit klachtonderdeel is ook kennelijk ongegrond.
5.10    De conclusie is dat alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond worden verklaard.”

3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de rechtsoverweging “2. De feiten.” van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden. 
4.    Beoordeling van het beroep
Procedure
4.1     Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn klacht alsnog gegrond te verklaren en de arts te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
4.2     De arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het door klager ingestelde beroep te verwerpen.
Beoordeling van het beroep.
4.3     In beroep is de klacht in al zijn onderdelen nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaakdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 7 februari 2022 hebben klager en de arts nog een en ander toegelicht. 
4.4      Het  Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in wat het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen en beslist. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. 
4.5    Klager heeft in beroep toegelicht dat het eerste klachtonderdeel betrekking heeft op het telefoongesprek dat hij in 2006 met de arts heeft gevoerd waarbij hem een behandeling met de HST-methode is geadviseerd. Deze toelichting kan niet leiden tot gegrondverklaring van het klachtonderdeel, alleen al omdat de bevoegdheid tot het indienen van een klacht over dat advies na verloop van tien jaren is verjaard (zie artikel 65 lid 5 Wet BIG). Het telefoongesprek vond in 2006 plaats en klager heeft pas in 2020 een klacht ingediend.  Het standpunt van klager dat het telefonisch gegeven advies van de arts uit 2006 bij de behandeling van klager in 2013 is gaan herleven (en daardoor niet is verjaard), wordt niet gevolgd.  Artikel 65 lid 5 Wet BIG bepaalt dat de verjaring aanvangt op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied.  Verder is komen vast te staan dat de arts niet persoonlijk bij de behandelingen van klager in 2013 en 2016 betrokken is geweest. 
4.6   Wat betreft het derde klachtonderdeel merkt het Centraal Tuchtcollege nog op dat klager zijn bewering  dat de HST-methode als zodanig een ondeugdelijke methode van haartransplantatie is, niet met enige wetenschappelijke publicatie heeft kunnen onderbouwen waaruit de juistheid van die bewering volgt.  
4.5     Het voorgaande betekent dat  het beroep van klager zal worden verworpen. 
4.6     Omdat het beroep wordt verworpen bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep;
wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; 
E.F. Lagerwerf-Vergunst en B.J.M. Frederiks, leden-juristen en R.B. Karim en 
W.F.A. Kolkman, leden-beroepsgenoten en H.J. Lutgert, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2022. 
Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.