ECLI:NL:TGZCTG:2022:35 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.1092
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:35 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-02-2022 |
| Datum publicatie: | 14-02-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2021.1092 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | C2021/1092Klacht tegen verpleegkundige. Klager is op grond van artikel 37 Wetboek van strafrecht in behandeling gekomen bij een forensisch psychiatrisch centrum waar de verpleegkundige werkzaam was. Toen deze behandeling afliep heeft klager zijn beschermde en begeleide woonvorm verlaten en heeft hij de inname van zijn medicatie gestaakt. In juni 2020 heeft de rechtbank voor klager een zorgmachtiging verleend voor zes maanden. In het kader van deze zorgmachtiging mochten behandelaren, zo nodig, overgaan dot onder meer het toedienen van medicatie en het uitvoeren van medische controles. Nadat het ernstig gevaar uitgaande van klager in de ambulante setting onvoldoende kon worden voorkomen, is er voor klager een klinische opname gevraagd conform één van de in de zorgmachtiging opgenomen vormen van verplichte zorg. De verpleegkundige was één van de behandelaren. De verpleegkundige vervulde de rol van verpleegkundige en casemanager. Klager verwijt de psychiater 1. poging tot doodslag, 2. frauduleuze rapportage en 3. onrechtmatige plaatsing in een behandelkliniek.Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. Daarbij overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de verpleegkundige niet betrokken is geweest bij de daadwerkelijke toediening van de medicatie. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1092 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., verpleegkundige, werkzaam te B., verweerder in beide instanties, gemachtigde:
mr. J.C.C. Leemans te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 13 augustus 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te
Den Haag tegen C. - hierna de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing
van 6 juli 2021, onder nummer D2021/2282-2020-112a heeft dat College de klacht kennelijk
ongegrond verklaard. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De verpleegkundige
heeft een verweerschrift in beroep ingediend. De zaak is in beroep tegelijkertijd
maar niet gevoegd met de zaak C2021/1093 behandeld
ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 2 februari 2022, waar
zijn verschenen klager en de verpleegkundige, bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager is op 4 februari 2019 op grond van artikel 37 Wetboek van Strafrecht
(WvS) in behandeling gekomen bij het forensisch psychiatrisch centrum D. (hierna:
zorgaanbieder). Beklaagde was bij deze zorgaanbieder werkzaam als verpleegkundige
(spv-er).
2.2 In juni 2019 heeft de zorgaanbieder voor klager, een man met de diagnose schizofrenie,
gezorgd voor een forensische vorm van beschermd en begeleid wonen. Nadat de behandeling
aan klager op grond van artikel 37 WvS afliep, heeft klager zijn beschermde en begeleide
woonvorm verlaten en heeft hij de inname van zijn medicatie gestaakt. Aan klager is
vervolgens bij diverse gelegenheden medicatie aangeboden, maar klager bleef dat weigeren.
Nadat de huisarts van klager was overgegaan tot verwijzing van klager naar de specialistische
tweede lijn, heeft de zorgaanbieder de behandeling met klager weer opgestart. Het
is niet gelukt om in overleg tussen de zorgaanbieder en klager tot afspraken te komen
aangaande behandeling op vrijwillige basis. Nadat het evenmin lukte het vanuit klager
uitgaande ernstig nadeel op vrijwillige basis af te wenden, heeft de rechtbank op
9 juni 2020 voor klager een zorgmachtiging verleend voor een termijn van zes maanden.
In het kader van de zorgmachtiging mochten de behandelaren zo nodig overgaan tot –
onder andere – het toedienen van medicatie en het uitvoeren van medische controles.
Nadat het ernstig gevaar uitgaande van klager in de ambulante setting onvoldoende
kon worden voorkomen, is er voor klager op 22 juli 2020, conform een van de in de
zorgmachtiging opgenomen vormen van verplichte zorg, een klinische opname aangevraagd.
Dit verzoek is op 24 juli 2020 ingewilligd.
2.3 Beklaagde was één van de behandelaren van klager. Beklaagde vervulde de rol
van verpleegkundige en casemanager.
3. De klacht
Klager verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven:
a. Poging tot doodslag;
b. Frauduleuze rapportage; en
c. Onrechtmatige plaatsing in een behandelkliniek.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft bovengenoemde klachtonderdelen nadrukkelijk betwist.
5. De beoordeling
5.1 Het College is van oordeel dat de door klager ingediende klacht kennelijk ongegrond
is. Hieronder zal het College toelichten hoe en waarom het tot dit oordeel is gekomen.
5.2 Beklaagde heeft zich ter bestrijding van de gestelde poging tot doodslag onweersproken
op het standpunt gesteld dat het niet aan hem was om medicatie voor te schrijven,
maar aan de beklaagde psychiater in de zaak 2020-112c. Wel heeft beklaagde getracht
met klager tot overeenstemming te komen over de medicatie-inname van klager, maar
dit is niet gelukt. De medicatietoediening zonder toestemming van klager was toegestaan
op grond van de zorgmachtiging. Van poging tot doodslag is voorts op generlei wijze
gebleken. Dit klachtonderdeel moet daarom ongegrond worden verklaard.
5.3 Klager heeft op generlei wijze onderbouwd dat beklaagde zich schuldig heeft
gemaakt aan enige vorm van frauduleuze rapportage. Dit klachtonderdeel is derhalve
ongegrond.
5.4 De plaatsing van klager in een behandelkliniek – het College neemt aan dat
klager doelt op een geregistreerde accommodatie – was voorzien in de zorgmachtiging.
Uit de overgelegde stukken is het het College niet duidelijk geworden in welk opzicht
beklaagde hierbij onjuist, in het bijzonder tuchtrechtelijk verwijtbaar, zou hebben
gehandeld. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
De klacht zal daarom kennelijk ongegrond worden verklaard.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave
in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
Het Centraal Tuchtcollege ziet wel aanleiding de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde
feiten als volgt aan te vullen:
Op 8 juli 2020 heeft klager een gesprek gevoerd met het behandelteam, waar ook de
verpleegkundige deel van uitmaakte. Tijdens dit gesprek is bij klager aangedrongen
om ambulant te starten met de inname van Acemap, 20 mg. Klager was daartoe niet bereid
en heeft vervolgens 24 uur bedenktijd gekregen.
Op 9 juli 2020 heeft klager onder drang ingestemd met inname van 20 mg Acemap en deze
medicatie ook daadwerkelijk ingenomen.
Op 11 juli 2020 heeft klager zich gemeld op de huisartsenpost met acute bijwerkingen
(dystonie) en is hij daarvoor behandeld.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep zijn klacht in volle omvang aan het Centraal
Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrond verklaring van het beroep.
4.2 De verpleegkundige heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot verwerping
van het beroep.
4.3 In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van
de verpleegkundige en is het door de verpleegkundige gevoerde verweer tegen naar aanleiding
van zijn professioneel handelen geformuleerde klachten nog een keer aan de tuchtrechter
ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de
inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg
door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde
zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door
ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal
Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 2 februari 2022 is dat debat voortgezet.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
dat van poging tot doodslag op generlei wijze is gebleken. Daarbij heeft wel te gelden
dat klager, zoals blijkt uit de hiervoor aangevulde feiten, onder drang heeft ingestemd
met de inname van de medicatie. Er was dus geen sprake van toediening van medicatie
zonder instemming van klager. Bij de daadwerkelijke inname van de medicatie is de
verpleegkundige echter niet betrokken geweest, zodat de verpleegkundige hierin geen
tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Dit betekent dat de klacht van klager faalt
en het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser
en A.R.O. Mooy, leden-juristen en D.A. Polhuis en H.A. de Visser, leden-beroepsgenoten
en
M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.