ECLI:NL:TGZCTG:2022:34 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1093

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:34
Datum uitspraak: 14-02-2022
Datum publicatie: 14-02-2022
Zaaknummer(s): C2021/1093
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: C2021/1093Klacht tegen psychiater. Klager is op grond van artikel 37 Wetboek van strafrecht in behandeling gekomen bij een forensisch psychiatrisch centrum waar de psychiater werkzaam was. Toen deze behandeling afliep heeft klager zijn beschermde en begeleide woonvorm verlaten en heeft hij de inname van zijn medicatie gestaakt. In juni 2020 heeft de rechtbank voor klager een zorgmachtiging verleend voor zes maanden. In het kader van deze zorgmachtiging mochten behandelaren, zo nodig, overgaan dot onder meer het toedienen van medicatie en het uitvoeren van medische controles. Nadat het ernstig gevaar uitgaande van klager in de ambulante setting onvoldoende kon worden voorkomen, is er voor klager een klinische opname gevraagd conform één van de in de zorgmachtiging opgenomen vormen van verplichte zorg. De psychiater was één van de behandelaren. Klager verwijt de psychiater 1. poging tot doodslag, 2. frauduleuze rapportage en 3. onrechtmatige plaatsing in een behandelkliniek.Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1093 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

E., psychiater, werkzaam te B., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans te Amsterdam.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 13 augustus 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te

Den Haag tegen E. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van

6 juli 2021, onder nummer D2021/2287-2020-112c heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2021.1092 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 2 februari 2022, waar zijn verschenen klager en de psychiater, bijgestaan door haar gemachtigde.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

2.      De feiten

2.1       Klager is op 4 februari 2019 op grond van artikel 37 Wetboek van Strafrecht (WvS) in behandeling gekomen bij het forensisch psychiatrisch centrum D. (hierna: zorgaanbieder). Beklaagde was bij deze zorgaanbieder werkzaam als psychiater.

2.2       In juni 2019 heeft de zorgaanbieder voor klager, een man met de diagnose schizofrenie, gezorgd voor een forensische vorm van beschermd en begeleid wonen. Nadat de behandeling aan klager op grond van artikel 37 WvS afliep, heeft klager zijn beschermde en begeleide woonvorm verlaten en heeft hij de inname van zijn medicatie gestaakt. Aan klager is vervolgens bij diverse gelegenheden medicatie aangeboden, maar klager bleef dat weigeren. Nadat de huisarts van klager was overgegaan tot verwijzing van klager naar de specialistische tweede lijn, heeft de zorgaanbieder de behandeling met klager weer opgestart. Het is niet gelukt om in overleg tussen de zorgaanbieder en klager tot afspraken te komen aangaande behandeling op vrijwillige basis. Nadat het evenmin lukte het vanuit klager uitgaande ernstig nadeel op vrijwillige basis af te wenden, heeft de rechtbank op 9 juni 2020 voor klager een zorgmachtiging verleend voor een termijn van zes maanden. In het kader van de zorgmachtiging mochten de behandelaren zo nodig overgaan tot – onder andere – het toedienen van medicatie en het uitvoeren van medische controles. Nadat het ernstig gevaar uitgaande van klager in de ambulante setting onvoldoende kon worden voorkomen, is er voor klager op 22 juli 2020, conform een van de in de zorgmachtiging opgenomen vormen van verplichte zorg, een klinische opname aangevraagd. Dit verzoek is op 24 juli 2020 ingewilligd.

2.3       Beklaagde was, samen met beklaagden in de zaken 2020-112a en 2020-112b, één van de behandelaren van klager. Beklaagde vervulde de rol van psychiater.

3.         De klacht

Klager verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven:

  1. Poging tot doodslag;
  2. Frauduleuze rapportage; en
  3. Onrechtmatige plaatsing in een behandelkliniek.

4.         Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft bovengenoemde klachtonderdelen nadrukkelijk betwist.

5.         De beoordeling

5.1       Het College is van oordeel dat de door klager ingediende klacht kennelijk ongegrond is. Hieronder zal het College toelichten hoe en waarom het tot dit oordeel is gekomen.
5.2       Beklaagde heeft zich ter bestrijding van de gestelde poging tot doodslag onweersproken op het standpunt gesteld dat zij medicatie heeft voorgeschreven en toegediend aan klager ter bestrijding van zijn psychotische klachten. Hiertoe is pas overgegaan, zo is het College op basis van de stukken gebleken, na diverse gesprekken met klager. Deze gesprekken hadden niet geleid tot overeenstemming inzake de medicatie-inname. De medicatietoediening zonder toestemming van klager was toegestaan op grond van de zorgmachtiging. De voorgeschreven medicatie was in overeenstemming met de vigerende richtlijnen. Het College ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de medicatietoediening kan worden gelijkgesteld met een poging tot doodslag. Dit klachtonderdeel moet daarom ongegrond worden verklaard.

5.3       Klager heeft op generlei wijze onderbouwd dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan enige vorm van frauduleuze rapportage. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.4       De plaatsing van klager in een behandelkliniek – het College neemt aan dat klager doelt op een geregistreerde accommodatie – was voorzien in de zorgmachtiging. Uit de overgelegde stukken is het het College niet duidelijk geworden in welk opzicht beklaagde hierbij onjuist, in het bijzonder tuchtrechtelijk verwijtbaar, zou hebben gehandeld. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

5.5       De klacht zal daarom kennelijk ongegrond worden verklaard.

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

          Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

Het Centraal Tuchtcollege ziet wel aanleiding de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten als volgt aan te vullen:

Op 8 juli 2020 heeft klager een gesprek gevoerd met het behandelteam, waar ook de psychiater deel van uitmaakte. Tijdens dit gesprek is bij klager aangedrongen om ambulant te starten met de inname van Acemap, 20 mg. Klager was daartoe niet bereid en heeft vervolgens 24 uur bedenktijd gekregen.

Op 9 juli 2020 heeft klager onder drang ingestemd met inname van 20 mg Acemap en deze medicatie ook daadwerkelijk ingenomen.

Op 11 juli 2020 heeft klager zich gemeld op de huisartsenpost met acute bijwerkingen (dystonie) en is hij daarvoor behandeld.  

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klager beoogt met zijn beroep zijn klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrond verklaring van het beroep.

4.2       De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot verwerping van het beroep.

4.3       In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de psychiater en is het door de psychiater gevoerde verweer tegen naar aanleiding van haar professioneel handelen geformuleerde klachten nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.

In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 2 februari 2022 is dat debat voortgezet.

4.4       Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier over, behalve de zinssnede in overweging 5.2 dat ‘Deze gesprekken hadden niet geleid tot overeenstemming inzake de medicatie-inname.’ Ten aanzien van deze zin verwijst het Centraal Tuchtcollege naar de aangevulde feiten, waaruit blijkt dat klager onder drang heeft ingestemd met inname van de voorgeschreven medicatie. Het Centraal Tuchtcollege sluit verder aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit betekent dat de klacht van klager ongegrond is en het beroep van klager moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

                                    verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser

en A.R.O. Mooy, leden-juristen en A.C.L. Allertz en J.A.M. Rutgers, leden-beroepsgenoten en

M. van Esveld, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2022.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris  w.g.