ECLI:NL:TGZCTG:2022:197 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1225

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:197
Datum uitspraak: 07-12-2022
Datum publicatie: 07-12-2022
Zaaknummer(s): C2022/1225
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Klaagster is een patiënte met complexe somatische en psychische problematiek. Zij verwijt verweerder dat hij haar verkeerde medicijnen heeft voorgeschreven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2022/1225 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, 
gemachtigde: mr. R. Schoemaker, advocaat in Den Haag,
tegen
C., huisarts, werkzaam in B., verweerder in beide instanties,
hierna: de huisarts, gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer, verbonden aan DAS Rechtsbijstand in Amsterdam.
1.    Procesverloop 
Klaagster heeft op 14 april 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag een klacht ingediend tegen de huisarts. Dat College heeft de klacht in zijn beslissing van 26 januari 2022 onder nummer D2021/14 ongegrond verklaard.
Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
De zaak is in beroep behandeld op de zitting van 9 november 2022. De huisarts is met zijn gemachtigde op zitting verschenen. Klaagster werd op zitting vertegenwoordigd door haar echtgenoot, de heer D., bijgestaan door de gemachtigde van klaagster. De standpunten van partijen zijn tijdens de zitting verder toegelicht. 
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. 
“2.    De feiten
2.1    Klaagster is een patiënt met complexe somatische en psychische problematiek. Zij en haar gemachtigde hadden sinds 2015 tot mei 2021 een behandelingsovereenkomst met beklaagde. Beklaagde heeft de medicatie die klaagster bij aanvang van de behandelingsovereenkomst gebruikte, op advies van zijn voorganger, voortgezet. Dit geldt onder meer voor de dosering oxycodon (80mg mga 3dd 1) met indicatie pijnstilling. 

2.2    Op 12 november 2018 meldde klaagster dat zij last had van verstopping. Beklaagde heeft toen een opiaatrotatie gemaakt van oxycodon naar fentanylpleisters van 100mcg, om de 3 dagen 2 pleisters. 
2.3    Klaagster verzocht beklaagde op 4 december 2018 om meer Tranxene of citalopram (antidepressium). Beklaagde heeft toen uitgelegd dat dit niet kon op advies van de psychiater.
2.4     Klaagster verzocht beklaagde op 19 maart 2019 met spoed om een afspraak. Volgens klaagster werkten de fentanylpleisters minder goed en had zij veel lichamelijke en psychische klachten. Er is toen een afspraak gemaakt voor 21 maart 2019.
2.5    Op 21 maart 2019 waren de klachten van klaagster zo goed als weg. Wel verzocht klaagster om meer Tranxene of citalopram.
2.6    Beklaagde heeft klaagster, op basis van de laboratoriumuitslagen en met haar instemming, op 25 maart 2019 doorverwezen naar de psychiater.
2.7    Op 2 april 2019 meldde klaagster aan beklaagde dat de fentanylpleister steeds op de 3e dag was uitgewerkt. Beklaagde heeft daarop geadviseerd de pleister naar 1x per 48 uur te wijzigen en om de dag een pleister te vervangen. De dagdosering bleef 200mcg.
2.8    Naar aanleiding van een telefoontje van de gemachtigde van klaagster op 8 april 2019, over vergeetachtig gedrag en onrust, adviseerde beklaagde de fentanylpleisters (weer) elke 3 dagen te wisselen.
2.9    Op 9 april 2019 legde beklaagde een visite af bij klaagster, verwijderde 1 pleister bij klaagster en adviseerde om 1 pleister per 3 dagen te wisselen.
2.10    Op 11 april 2019 bevestigde beklaagde, naar aanleiding van telefonisch contact door de gemachtigde van klaagster, het advies om 1 fentanylpleister per 3 dagen te gebruiken.
2.11    Naar aanleiding van visites van beklaagde aan klaagster op 16 en 17 april 2019, stuurde beklaagde klaagster naar het ziekenhuis vanwege haar verwarde gedrag. De werkdiagnose luidde: verwardheid bij delier bij urineweginfectie, en fentanyl overdosering. Het advies van het ziekenhuis bij ontslag was: fentanylpleisters afbouwen.
2.12    Beklaagde heeft op 24 april 2019 de crisisdienst ingeschakeld. Daarop volgde een opname van klaagster in een psychiatrisch ziekenhuis van 28 april tot 23 juli 2019.
2.13    Beklaagde heeft klaagster op 19 augustus 2019 een kopie van haar medisch dossier gegeven.
2.14    In mei 2021 zijn klaagster en haar gemachtigde op eigen verzoek overgeschreven naar een andere huisarts.
3.    De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat hij haar verkeerde medicijnen heeft voorgeschreven.
4.    Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen gemotiveerd bestreden. 
5.    De beoordeling
5.1    Het College is zich er allereerst van bewust dat klaagster en haar gemachtigde moeilijke jaren achter de rug hebben als gevolg van de gezondheidsklachten van klaagster. Daar kwam overigens recent nog een nare diagnose bij, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken. Het College betreurt dit zeer.
5.2    Met betrekking tot de door klaagster geformuleerde klacht betreffende de medicatieverstrekking is het College van oordeel dat beklaagde geen verwijt treft. Dit betekent dat het College de klacht ongegrond verklaart. Het College licht deze beslissing hieronder toe.
5.3    Het staat vast dat klaagster complexe somatische en psychische problematiek ervaart. Op basis hiervan heeft beklaagde klaagster zo goed mogelijk getracht te behandelen. In dat kader is hij niet alleen vaak bij klaagster en haar gemachtigde thuis langs geweest maar heeft hij ook getracht de pijnklachten van klaagster zo goed mogelijk te bestrijden. In dat kader heeft beklaagde besloten van oxycodon over te stappen naar fentanylpleisters. Het College acht dit een goed te volgen en verdedigbare overstap.

5.4    Het is voorts niet aannemelijk dat de klachten van klaagster in april 2019 het gevolg waren van het toedienen van fentanylpleisters, omdat klaagster deze al sinds november 2018 gebruikte. In geval er klachten ontstaan van fentanylpleisters is dat gedurende de eerste dagen na toediening, maar niet na vijf maanden. De gezondheidsklachten die klaagster in april 2019 ondervond konden evenmin direct aan andere door beklaagde voorgeschreven medicatie worden toegeschreven. Verzoeken van klaagster om de dosering van Tranxene of citalopram te verhogen wees beklaagde terecht van de hand. Ook wat dit punt betreft moet de klacht van klaagster ongegrond worden verklaard.
5.5    Voor zover de klacht van klaagster betrekking heeft op de dosering van de fentanylpleisters overweegt het College het volgende. Beklaagde heeft de dosering van fentanylpleisters gebaseerd op uit 2011 stammende informatie van het Integraal Kanker Centrum Nederland. Beklaagde erkent dat die informatie op dat moment niet meer actueel was. Daar staat tegenover dat beklaagde met betrekking tot de dosering nadrukkelijk heeft gekeken naar het lichaamsgewicht van klaagster en haar overige klachten en medicatie. Vanuit dit perspectief gezien is de dosering van fentanylpleisters verdedigbaar en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.6    Het College waardeert de openheid van beklaagde en zijn vermogen tot reflectie. Het College heeft niet in de laatste plaats waardering voor de zorgvuldigheid waarmee hij zorg heeft verleend aan klaagster en gemachtigde, onder meer blijkend uit de veelvuldige visites en telefoongesprekken.
5.7    De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. 
5.8    De klacht zal ongegrond worden verklaard.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.
4.    Beoordeling van het beroep
4.1    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij wil met het beroep bereiken dat deze beslissing wordt vernietigd en dat het Centraal Tuchtcollege de klacht opnieuw beoordeelt.
4.2    De huisarts voert verweer en verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep te verwerpen. 
    Het beroep van klaagster slaagt niet
4.3    In beroep is de schriftelijke klacht zoals door klaagster geformuleerd nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat.
4.4    In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 9 november 2022 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.
4.5    De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen. 
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter;
Y. Buruma en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden juristen en D. Coppoolse en T.C. Nieboer, leden beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 7 december 2022. 
Voorzitter  w.g.    Secretaris  w.g.