ECLI:NL:TGZCTG:2022:195 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1253
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:195 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-12-2022 |
| Datum publicatie: | 07-12-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2022/1253 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen bedrijfsarts. Klager heeft eerder een tuchtklacht ingediend tegen de bedrijfsarts. Toen is een mondeling vooronderzoek gehouden, waarin beide partijen verklaringen hebben afgelegd. Die tuchtklacht is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. Klager verwijt de bedrijfsarts in deze nieuwe tuchtprocedure dat zij destijds tijdens het mondeling vooronderzoek een leugenachtige, voor hem beledigende en kwetsende verklaring heeft afgeleid. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart deze klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. Naar het oordeel van dit college is geen sprake van misbruik van tuchtrecht. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
zaaknummer Centraal Tuchtcollege: C2022/1253
beslissing in de zaak van:
A., wonende in B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., bedrijfsarts, destijds werkzaam in D., verweerster in beide instanties, hierna:
de bedrijfsarts, gemachtigde: mr. drs. S. Slabbers, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand
te Utrecht.
1. Procesverloop
1.1 Klager heeft op 6 juli 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege in Eindhoven een
klacht ingediend tegen de bedrijfsarts. Dat college heeft de klacht in zijn beslissing
van 10 februari 2022, onder nummer E2021/3106, kennelijk ongegrond verklaard.
1.2 Klager heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. De bedrijfsarts heeft een
verweerschrift in beroep ingediend.
1.3 De zaak is in beroep behandeld op de zitting van 7 november 2022. Klager en
de bedrijfsarts zijn beiden verschenen. De bedrijfsarts werd bijgestaan door haar
gemachtigde mr. drs. S. Slabbers, voornoemd. Partijen hebben hun standpunten op de
zitting verder toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag
gelegd.
“2. De feiten
2.1 Op 21 mei 2019 heeft klager heeft tegen verweerster een klacht ingediend bij
het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam (verder: het RTG). De
klacht ging over de rol van verweerster bij de re-integratie van klager als werknemer.
Verweerster werkte destijds als bedrijfsarts voor de arbodienst van de werkgever van
klager. In die klachtzaak heeft op 10 september 2019 het mondeling vooronderzoek (verder:
het mvo) plaatsgevonden, waarbij beide partijen verklaringen hebben afgelegd. Hiervan
is door de vooronderzoeker proces-verbaal opgemaakt (verder: het proces-verbaal).
In het proces-verbaal staat als verklaring van verweerster:
“Ik vind het ontzettend jammer dat klager de zaken verdraait. Op 1 juni 2016 heb ik
zo uitgebreid mogelijk met klager gesproken. Ik heb alles gedetailleerd en duidelijk
proberen uit te leggen. Klager wil het niet snappen en ik weet niet waar dat aan ligt.
Anders dan klager stelt, was mijn ontslag niet plotseling, maar dat had ik mijn werkgever
al veel eerder laten weten. Ik heb van klager nooit signalen ontvangen dat hij niet
tevreden was over mijn begeleiding, integendeel, bij mijn vertrek bracht hij een bloemetje
mee.”
2.2 Het RTG heeft bij beslissing van 28 oktober 2019 klager in één klachtonderdeel
niet-ontvankelijk verklaard en heeft de andere klachtonderdelen kennelijk ongegrond
verklaard. Klager is tegen deze beslissing in beroep gegaan bij het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg (verder: het CTG). Het CTG heeft bij beslissing van 23 april
2021 het beroep van klager verworpen.
2.3 De gemachtigde van verweerster heeft bij brief van 11 mei 2021 aan klager geschreven:
“[Verweerster] vindt het erg vervelend dat abusievelijk in het proces-verbaal is opgenomen
dat u een bloemetje voor haar heeft meegenomen bij haar vertrek. Niet u, maar de arbo-coördinator
die over de arbozorg gaat, heeft [verweerster] namelijk een bosje bloemen gegeven.
De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat het mij en ook [verweerster] niet was opgevallen
dat het er verkeerd in staat. Als het ons in september 2019 wel was opgevallen, hadden
we het RTG Amsterdam op deze omissie kunnen wijzen.
(…) Desalniettemin ben ik, indien u dat wenst, graag bereid alsnog het RTG Amsterdam
te berichten dat abusievelijk in het proces-verbaal is opgenomen dat u degene was
die een bloemetje voor [verweerster] heeft meegenomen bij haar vertrek.”
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager stelt dat verweerster met de hierboven onder 2.1 geciteerde woorden een leugenachtige,
voor klager beledigende en kwetsende verklaring heeft afgelegd. Zij heeft klager neergezet
als een geestelijk labiel persoon. Dat zal van invloed geweest zijn op de beslissingen.
Klager had reeds in zijn beroepsschrift gewezen op de leugenachtige verklaring van
verweerster, maar het CTG heeft daar geen aandacht aan besteed. Hieruit volgt dat
klager dit nu als nieuwe klacht aan dit college mag voorleggen.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster stelt dat haar gemachtigde aanvankelijk een incompleet exemplaar van het
proces-verbaal heeft ontvangen, waarbij de pagina met het hierboven onder 2.1 geciteerde
deel van haar verklaring ontbrak. Dat is toen niet opgemerkt. Pas veel later ontving
haar gemachtigde op zijn verzoek de complete versie en kort daarna heeft hij de onder
2.3 geciteerde brief aan klager gestuurd. De verklaring van verweerster staat niet
goed in het proces-verbaal. Verweerster heeft verklaard dat zij van haar opdrachtgever
(de werkgever van klager) nooit signalen van onvrede had ontvangen, en dat zij bij
haar vertrek van die kant een bloemetje had gekregen. Uit niets blijkt overigens dat
het onjuiste deel van de verklaring van invloed is geweest op de beslissingen van
het RTG of het CTG.
5. De overwegingen van het college
5.1 De vraag die het college moet beantwoorden is of verweerster bij het mvo een
leugenachtige verklaring heeft afgelegd over klagers reactie op haar vertrek en over
eerdere signalen van ontevredenheid van klager. Het college kan deze vraag niet met
“ja” beantwoorden. De enige aanwijzing dat verweerster bij het mvo heeft gelogen,
wordt gevormd door de weergave van haar verklaring in het proces-verbaal. Daar tegenover
staan de volgende aanwijzingen dat die weergave niet overeenstemt met wat zij werkelijk
heeft verklaard.
5.2 Klager stelt dat sprake is van evidente leugens en is hier zeer verontwaardigd
over. Als verweerster inderdaad bij het mvo zou hebben verklaard dat klager niet eerder
zijn ontevredenheid over haar had geuit en bij haar afscheid zelfs een bloemetje voor
haar had meegenomen, dan had klager die verontwaardiging bij het mvo geuit. In het
proces-verbaal ontbreekt echter elke aanwijzing dat klager toen al iets heeft opgemerkt
over enige leugen van verweerster. Dit maakt het aannemelijk dat verweerster niet
heeft verklaard zoals het in het proces-verbaal staat, maar zoals zij het achteraf
heeft uitgelegd. Dit verklaart dat klager tijdens het mvo niet heeft gereageerd op
dit deel van de verklaring van verweerster.
5.3 Ook na ontvangst van het proces-verbaal heeft klager niets gedaan met de volgens
hem leugenachtige verklaring van verweerster. Het is onwaarschijnlijk dat klager het
RTG niet op die (volgens hem) leugens zou hebben gewezen. Het RTG moest toen immers
nog beslissen op de klacht, die eveneens ging over valse verklaringen van verweerster.
Klager had daarmee zijn standpunt dat verweerster er een gewoonte van maakt om leugenachtige
verklaringen af te leggen, kunnen ondersteunen. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat
hij dit niet zou hebben gedaan.
5.4 Het is tot slot zeer aannemelijk dat de gemachtigde van verweerster de brief
van 11 mei 2021 aan klager heeft geschreven nadat en omdat verweerster pas op de zitting
bij het CTG van 26 maart 2021 had begrepen dat klager haar beschuldigde van leugens
tijdens het mvo en daarover een nieuwe klacht wilde indienen. De brief is naar het
oordeel van het college niet geschreven met het (door klager gesuggereerde) doel om
onwaarheden in de verklaring bij het mvo weg te poetsen.
5.5 Anders dan klager meent, heeft dit college geen kennis van de processtukken
die bij het CTG zijn gewisseld. Het college kan dus niet vaststellen in hoeverre klager
in het beroepsschrift op (volgens hem) leugens van verweerster heeft gewezen, wat
daarover in het verweerschrift en ter zitting is gezegd, en of uit de beslissing van
CTG volgt dat het verwijt op dit punt een nieuwe klacht is waarin klager kan worden
ontvangen.
5.6 De klacht wordt kennelijk ongegrond verklaard.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
3.1 Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de
feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder ‘2. De feiten’ van de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege. Die weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende
bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
Standpunten van partijen
4.1 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij
verzoekt het Centraal Tuchtcollege die beslissing te vernietigen en de klacht - die
gaat over het handelen van de bedrijfsarts tijdens een zogeheten mondeling vooronderzoek
- alsnog gegrond te verklaren.
4.2 De bedrijfsarts betoogt primair dat klager door het indienen van deze tuchtklacht
misbruik maakt van het tuchtrecht. Volgens haar lijkt klager met een ongefundeerde
heksenjacht tegen haar bezig te zijn. De bedrijfsarts verzoekt het Centraal Tuchtcollege
klager om die reden alsnog niet-ontvankelijk in zijn klacht te verklaren. Subsidiair
verzoekt de bedrijfsarts het Centraal Tuchtcollege het beroep van klager te verwerpen
en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te handhaven.
Oordeel van het Centraal Tuchtcollege
4.3 Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klager hierna bespreken. De conclusie
zal zijn dat klager ontvankelijk is in zijn klacht en dat de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege in stand blijft.
Misbruik van tuchtrecht
4.4 Klager heeft zowel in oktober 2017 als in mei 2019 tegen de bedrijfsarts een
tuchtklacht ingediend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de eerste klacht ongegrond
verklaard en de tweede klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
Het Centraal Tuchtcollege heeft de door klager hiertegen ingestelde beroepen verworpen.
In juli 2021 heeft klager een derde tuchtklacht tegen de bedrijfsarts ingediend. Deze
laatste klacht was het begin van de onderhavige tuchtprocedure.
4.5 Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege vormt het feit dat klager in
een periode van vier jaren drie afzonderlijke tuchtklachten tegen de bedrijfsarts
heeft ingediend onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van misbruik van tuchtrecht,
ook al hangen die klachten samen. Het College betrekt hierbij dat waar de klacht op
ziet – het niet vertellen van de waarheid tijdens het mondeling vooronderzoek – niet
door het Centraal Tuchtcollege in de eerdere uitspraken in de beoordeling is betrokken.
Hoewel dit al de derde tuchtklacht in dezelfde zaak is, ziet het college dan ook geen
aanleiding om klager om die reden niet-ontvankelijk in zijn klacht te verklaren.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 In de tweede tuchtklachtprocedure, die ging over de rol van de bedrijfsarts
bij de re integratie van klager als werknemer, heeft in september 2019 bij het Regionaal
Tuchtcollege een mondeling vooronderzoek plaatsgevonden. Beide partijen hebben daarbij
verklaringen afgelegd. In het proces-verbaal van dat vooronderzoek staat als verklaring
van de bedrijfsarts onder meer: “Ik heb van klager nooit signalen ontvangen dat hij
niet tevreden was over mijn begeleiding, integendeel, bij mijn vertrek bracht hij
een bloemetje mee. “
4.7 Met zijn klacht in deze zaak verwijt klager de bedrijfsarts dat zij hiermee
bij het mondeling vooronderzoek een leugenachtige, voor hem beledigende en kwetsende
verklaring heeft afgelegd. De bedrijfsarts heeft hem samen met haar gemachtigde op
een uiterst geraffineerde manier neergezet als een idioot en een geestelijk labiel
persoon, aldus klager. Hij meent dat dit ongetwijfeld van invloed is geweest op de
beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en die van het Centraal Tuchtcollege over
de tweede tuchtklacht.
4.8 De bedrijfsarts betwist dat zij bij het mondeling vooronderzoek heeft verklaard
zoals in het proces-verbaal van dat onderzoek staat vermeld. Volgens de bedrijfsarts
is haar verklaring niet juist weergegeven en heeft zij toen verklaard dat zij van
haar opdrachtgever (de werkgever van klager) nooit signalen van onvrede had ontvangen,
en dat zij bij haar vertrek van die kant een bloemetje had gekregen. De bedrijfsarts
heeft toegelicht hoe het heeft kunnen gebeuren dat zijzelf en haar gemachtigde de
fout in het proces-verbaal zelf niet meteen hebben opgemerkt.
4.9 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat, wat er ook daadwerkelijk bij
het mondeling vooronderzoek door de bedrijfsarts is gezegd, op geen enkele wijze aannemelijk
is geworden dat zij toen opzettelijk in strijd met de waarheid en leugenachtig heeft
verklaard. Dit betekent dat voor het verwijt dat klager de bedrijfsarts maakt - namelijk
dat zij een leugenachtige verklaring heeft afgelegd - geen grondslag bestaat.
4.10 De conclusie is dat niet is gebleken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht dus terecht ongegrond verklaard. Het Centraal
Tuchtcollege zal het beroep van klager verwerpen.
5. De beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. Daalder, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser en
R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en N. Abdoelkariem en A.H.J.M. Sterk, leden beroepsgenoten
en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 7 december 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.