ECLI:NL:TGZCTG:2022:185 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1224
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:185 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-11-2022 |
| Datum publicatie: | 16-11-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2022/1224 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Klager is de curator van zijn meerderjarige zoon. De zoon is bekend met autisme en heeft een ernstige verstandelijke beperking. De huisarts is de huisarts van de zoon. De zoon gebruikt in verband met gedragsproblemen al jaren het medicijn risperidon. Klager verwijt de huisarts dat hij weigert de zoon te verwijzen naar een specialist als gevolg waarvan klager al vijf jaar de dosering risperidon zelf moet regelen, geen handtekening wil zetten voor een andere invalidenbus en weigert door te verwijzen naar een keuringsarts voor een andere invalidenbus. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2022/1224 van:
A., in zijn hoedanigheid van curator van zijn zoon
B., wonend in C.,
appellant, klager in eerste aanleg, hierna: klager,
tegen
D., huisarts, werkzaam in C., verweerder in beide instanties,
hierna: de huisarts, gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, verbonden aan Stichting VvAA
rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
Klager heeft op 15 juni 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege in Eindhoven tegen de
huisarts een klacht ingediend. Bij beslissing van 27 januari 2022, onder nummer E2021/3180,
heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klager heeft tegen die beslissing tijdig beroep ingesteld. De huisarts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend.
Het Centraal Tuchtcollege heeft van klager nog nadere correspondentie ontvangen.
De zaak is in beroep behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege
van 26 september 2022. Klager en de huisarts zijn daar beide verschenen. De huisarts
werd bijgestaan door mr. A.W. Hielkema, voornoemd. Partijen hebben hun standpunten
hier verder toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Klager is de curator van zijn zoon, geboren in 1998, verder te noemen de patiënt.
Verweerder is sinds eind 2012 de huisarts van de patiënt.
In het journaal van de huisarts staat het volgende vermeld [citaten inclusief eventuele
taalfouten]:
12-3-2020 P ingekomen, medisch, Karakter, Op korte termijn adviseer ik
een ophoging van risperidon (2mg a.n. en 1 mg overdag).
16-10-2017 S vader belt nav telefoon apotheek; boos dat hij geen Risperidon
meekrijgt want specialist heeft dit verhoogd naar 2mg per dag (zit nu op 1,5mg = 3d0,5mg)
˃ uitgelegd dat wij hier geen brief van gehad hebben, of specialist moet brief sturen
of hij moet zelf r/ maken wil hierna ook weten waarom huisarts dit niet op 4d gezet
heeft, want nu weet hij niet meer wie hij moet geloven, wil zeker weten dat 4d mag
anders gaat hij dit niet meer geven; geprobeerd uit te leggen dat dit beleid van specialist
is en wij hier niets over kunnen zeggen
2-6-2017 S tel AVG (…), ouders en [de patiënt] zijn bij arts (…) geweest hebben
daar aangegeven dat ze niet tevreden zijn, voorstel gedaan dat ze binnen (…) ook een
andere arts mogen krijgen maar willen dat niet, [de patiënt] gebruikt wel gedragsmedicatie
waarvoor hij gecontroleerd dient te worden, Ouders weten dat en gaan verder kijken.
Willen dit doorgeven zodat de huisarts op de hoogte is
8-5-2017 S vader belt terug; krijgt AVG-arts niet te pakken, er zijn 2 artsen
die werken voor (…) die gelijktijdig op vakantie zijn, lange tijd geleden dat B. daadwerkelijk
bij AVG-arts geweest is, vindt daarom dat ook zij geen duidelijke inschatting kan
maken van de situatie, gaat steeds slechter, vader wil dat hij geholpen wordt en weet
via zorgverzekering dat er psychiaters zijn die bekend zijn op het gebied van verstandelijk
beperkten en medicatie-gebruik, wil toch graag verwijzing via huisarts om zo zsm geholpen
te worden
1-5-2017 S tel vader; willen met [de patiënt] naar psychiater, krijgt nu via
AVG-arts, medicijnen ivm onrust maar deze helpen niet voldoende, ouders merken dat
hij steeds meer terug getrokken is in zijn eigen wereld, pijnigt zichzelf, willen
dit tot een minimum beperken en hopen dat psychiater hierbij kan helpen omdat deze
beter zicht heeft op aandoening en welke medicijnen hierbij helpen ˃ ik ga overleggen
over verwijzing, aangegeven dat wachttijd bij psychiater wel op kan lopen tot aantal
wkn tot mndn
Bij brief van 28 juli 2016 van de AVG/Down poli 18+ van het ziekenhuis aan de huisarts
is vanwege de in de brief beschreven situatie door de AVG-arts Risperidon 1 d.d. 0,5
mg voorgeschreven.
De patiënt heeft een eenmalig consult gehad bij een kinderpsychiater. In de brief
van deze psychiater aan de huisarts van 21 maart 2020 staat onder meer het volgende:
“Op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (…) werd ik ter
consultatie gevraagd voor patiënt (…). Ouders hebben wegens vastlopen in zorgsystemen
contact gelegd met VWS om mee te denken in mogelijke oplossingen voor de ontstane
impasse. Wegens de complexiteit van de problematiek ben ik bij de mensen thuis geweest.
(…)
Er is nu geen enkele betrokkenheid van hulpverleners. Alleen via u als huisarts is
er nog contact i.v.m. medicatie voorschrift van risperidon (3x dd 0.5mg); levocetirizine
5mg; omzeprazol 40mg. Er is een partiële respons op de risperidon.
(…)
Op korte termijn adviseer ik een ophoging van risperidon (2mg a.n. en 1 mg overdag).”
Bij e-mail van 21 mei 2021 heeft klager verweerder verzocht om ondertekening van een
formulier van de belastingdienst als medische verklaring bij een verzoek van klager
aan de belastingdienst om teruggave van belasting van personenauto’s en motorrijwielen
(BPM), gehandicaptenregeling en verzoek teruggaaf BMP en gesloten beurzenregeling
gehandicapten.
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt de huisarts dat hij:
1. weigert de patiënt te verwijzen naar een specialist als gevolg waarvan klager
al vijf jaar de dosering risperidon zelf moet regelen;
2. geen handtekening wil zetten voor een andere invalide bus;
3. weigert door te verwijzen naar een keuringsarts voor een andere invalide bus,
terwijl de patiënt voor een herkeuring wordt verwezen naar de huisarts.
4. Het standpunt van verweerder
De huisarts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college
Klachtonderdeel 1
5.1 Dit klachtonderdeel betreft het verstrekken van risperidon en het niet verwijzen
naar een specialist. De patiënt is op consult geweest bij de kinderpyschiater. Door
deze psychiater is het gebruik van risperidon beoordeeld en hij heeft de medicatie
in 2020 vastgesteld. De psychiater heeft het beleid inzake de verstrekking van risperidon
vastgesteld. De huisarts schrijft slechts de herhaalrecepten uit. Dat de huisarts
weigert de patiënt te verwijzen naar een specialist als gevolg waarvan klager al vijf
jaar de dosering risperidon zelf moet regelen, blijkt uit het huisartsenjournaal en
de geschetste feiten en omstandigheden niet. Klachtonderdeel 1 is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel 2
5.2 In klachtonderdeel 2 verwijt klager de huisarts dat hij geen handtekening wil
zetten voor een andere invalide bus.
De huisarts heeft het formulier niet ondertekend omdat het hem als behandelend arts
niet is toegestaan om een medische verklaring te ondertekenen. Hij heeft daarover
met klager telefonisch contact gehad en klager verwezen naar een onafhankelijk arts,
die op de hoogte is welke aanpassingen er nodig zijn voor de patiënt.
In de KNMG Richtlijn Omgaan met medische gegevens (paragraaf 7.8) staat dat behandelend
artsen geen geneeskundige verklaringen afgeven voor eigen patiënten en dat dergelijke
verklaringen alleen mogen worden afgegeven door een onafhankelijke arts. Een behandelend
arts mag wel, met toestemming van de patiënt, feitelijke medische informatie verstrekken
voor een geneeskundige verklaring.
De huisarts heeft terecht geweigerd zijn handtekening te zetten onder een medische
verklaring voor de belastingdienst. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
Klachtonderdeel 3
5.3 Het derde klachtonderdeel gaat over de doorverwijzing naar een keuringsarts.
De huisarts heeft aangevoerd dat hij niet heeft geweigerd door te verwijzen naar een
keuringarts en dat hij niet kan bepalen welke arts de belastingdienst geschikt acht
als keuringsarts. Het betreft geen onwil en hij wil helpen als hij van de belastingdienst
of van klager (nader) zou vernemen hoe hij wel van dienst zou kunnen zijn. Klager
heeft hem daarover niet meer bericht, aldus nog steeds de huisarts.
Van de huisarts kan niet worden gevergd dat hij de patiënt op eigen initiatief naar
een keuringsarts van eigen keuze verwijst, zonder (door klager en/of de belastingdienst
te geven) duidelijkheid over de kwalificaties waarover de keuringsarts dient te beschikken.
Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
5.4 Op grond van het voorgaande zal het college de klacht kennelijk ongegrond verklaren.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals deze zijn weergegeven in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Die weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij
verzoekt het Centraal Tuchtcollege deze beslissing te vernietigen en de klacht alsnog
gegrond te verklaren.
4.2 De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege
primair om klager in zijn beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair
verzoekt de huisarts het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen en de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege te handhaven.
Klachtonderdeel 1
4.3 Klager is de curator van zijn meerderjarige zoon. De zoon is bekend met autisme
en heeft een ernstige verstandelijke beperking. Hij is volledig afhankelijk van de
zorg van zijn ouders. De huisarts is sinds eind 2012 de huisarts van de zoon. De zoon
gebruikt in verband met gedragsproblemen al jaren risperidon. Klager verwijt de huisarts
dat hij weigert zijn zoon te verwijzen naar een specialist, waarbij klager een psychiater
met deskundigheid op het gebied van verstandelijk beperkten en medicatie op het oog
heeft. Hierdoor moet klager naar eigen zeggen al vijf jaar de dosering risperidon
zelf regelen.
4.4 In beroep voert klager aan dat zijn zoon wordt uitgesloten van behandeling
door een psychiater. Het betoog van de huisarts dat klager daarmee zijn klacht heeft
gewijzigd, faalt. In de kern maakt klager de huisarts geen ander verwijt. Op de zitting
is ook door klager bevestigd dat hij zijn klacht, zoals door het Regionaal Tuchtcollege
geformuleerd, in beroep handhaaft. Er is dan ook geen reden om - zoals de huisarts
vraagt - klager voor wat betreft klachtonderdeel 1 in zijn beroep niet ontvankelijk
te verklaren.
4.5 Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft het Regionaal Tuchtcollege
klachtonderdeel 1 terecht ongegrond verklaard. In juli 2016 is een arts voor verstandelijk
gehandicapten (AVG-arts) bij de zorg voor de zoon van klager betrokken geraakt en
is voor het eerst risperidon voorgeschreven. Deze arts zou de zoon van klager poliklinisch
begeleiden en de medicatie evalueren met belafspraken. In
mei 2017 heeft klager in verband met (onder meer) onrust bij zijn zoon de huisarts
verzocht om verwijzing naar een psychiater. Klager heeft toen aangegeven dat hij niet
tevreden was over de begeleiding door de AVG-arts. Klager wenste ook geen begeleiding
door een andere AVG-arts. Volgens de huisarts is daarop in juni 2017 andere medicatie
geprobeerd, echter zonder goed resultaat. De huisarts heeft de medicatie daarom vrij
snel daarna weer teruggezet op risperidon. Klager zou hierover destijds aan de huisarts
hebben aangegeven dat dit goed ging. Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding
om hieraan te twijfelen.
4.6 De huisarts schreef in de periode daarna de herhaalrecepten uit. In maart 2020
heeft de zoon van klager een eenmalig consult bij een kinder- en jeugdpsychiater gehad,
waarbij het beleid inzake de verstrekking en dosering van risperidon is herbeoordeeld.
De psychiater adviseerde in zijn brief aan de huisarts een ophoging van de risperidon.
De huisarts heeft hierop de dosering van de herhaalrecepten aangepast, zo begrijpt
het Centraal Tuchtcollege.
4.7 Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat de huisarts in de jaren voorafgaand
aan de indiening van de tuchtklacht in 2021 steeds de herhaalrecepten voor risperidon
heeft uitgeschreven en daarbij is afgegaan op de adviezen van de AVG-arts en de geraadpleegde
kinder- en jeugdpsychiater alsook op zijn eigen bevindingen. Het Centraal Tuchtcollege
ziet onvoldoende reden om aan te nemen dat de huisarts niet mocht uitgaan van de juistheid
van deze adviezen. Dat klager jarenlang de dosering van de risperidon zelf heeft moeten
regelen is daarmee niet aannemelijk geworden. De huisarts kan onder deze omstandigheden
ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van het feit dat de zoon van klager
niet onder behandeling van een psychiater is gekomen. Daarbij wordt nog opgemerkt
dat de huisarts naar eigen zeggen in 2019 op verzoek van klager heeft geprobeerd diens
zoon naar de GGZ te verwijzen. Dit is echter niet gelukt, omdat de GGZ de zoon niet
als patiënt kon of wilde aannemen.
Klachtonderdelen 2 en 3
4.8 Klager wilde voor het vervoer van zijn zoon (weer) de beschikking krijgen over
een invalidenbus. Hij heeft in verband hiermee de huisarts per e-mail van
21 mei 2021 verzocht om ondertekening van een medische verklaring als bijlage bij
het formulier van de belastingdienst ‘Verzoek teruggaaf BPM, Gehandicaptenregeling’
en het formulier ‘Verzoek teruggaaf BMP, Gesloten beurzenregeling gehandicapten’.
De huisarts heeft dit niet willen doen. Klager verwijt de huisarts met de klachtonderdelen
2 en 3 dat hij ten onrechte geen handtekening wil zetten voor een andere invalidenbus
en ook weigert te verwijzen naar een keuringsarts voor een andere invalidenbus.
4.9 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat ook deze klachtonderdelen terecht
ongegrond zijn verklaard. In de KNMG-richtlijn Omgaan met medische gegevens is opgenomen
dat behandelend artsen geen geneeskundige verklaringen afgeven voor eigen patiënten.
Dergelijke verklaringen mogen alleen worden afgegeven door een onafhankelijke arts.
Een behandelend arts mag wel, met toestemming van de patiënt, feitelijke medische
informatie verstrekken voor een geneeskundige verklaring. Gelet hierop, kan de huisarts
als behandelend arts van de zoon van klager niet worden verweten dat hij heeft geweigerd
zijn handtekening te zetten onder een (medische) verklaring ten behoeve van de belastingdienst.
De huisarts heeft zich tegenover klager wel bereid verklaard om aan een keuringsarts
feitelijke medische informatie over de zoon te verstrekken. Hij heeft zich daarmee
voldoende ingespannen. Dat de huisarts de zoon van klager niet op eigen initiatief
naar een keuringsarts verwijst, is -zo dit al tot de mogelijkheden zou behoren- niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar nu het voor de huisarts niet duidelijk was over welke
kwalificaties die keuringsarts zou moeten beschikken.
Conclusie
4.10 Alles overziend, komt het Centraal Tuchtcollege tot de conclusie dat de huisarts
is gebleven binnen de grenzen van wat van hem als redelijk bekwaam en redelijk handelend
arts mag worden verwacht en dat niet is komen vast te staan dat hem een tuchtrechtelijk
verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht
terecht ongegrond heeft verklaard en dat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser
en
J. Legemaate, leden-juristen en O.T.M. Schouten en D. van Sleeuwen, leden-beroepsgenoten
en
E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 7 november 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.