ECLI:NL:TGZCTG:2022:183 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1208
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:183 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-11-2022 |
| Datum publicatie: | 16-11-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2022/1208 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk niet‑ontvankelijk, omdat onvoldoende duidelijk is wat klager de huisarts verwijt. Het Centraal Tuchtcollege acht de klacht voldoende duidelijk. Bij klager is in 2019 de prostaat verwijderd in verband met een prostaatcarcinoom. Klager verwijt de huisarts dat hij nooit de PSA‑waarde heeft laten bepalen en hem niet heeft verwezen naar een uroloog. Dit terwijl klager al vanaf 2001 bij hem kwam met plasklachten. Volgens klager was de prostaatoperatie met blijvende ingrijpende gevolgen niet nodig geweest als de huisarts anders had gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk wegens verjaring en voor het overige ongegrond. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2022/1208 van:
A., wonend in B., appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager
tegen
C., destijds werkzaam als huisarts in B, verweerder in beide instanties, hierna: de
huisarts.
1. Verloop van de procedure
Klager heeft op 31 augustus 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle tegen de
huisarts een klacht ingediend. Bij beslissing van 14 december 2021, onder nummer Z2021/3426,
heeft dat college de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Bij beslissing
van 22 december 2021 heeft dat college een kennelijke fout in de beslissing van 14
december 2021 hersteld.
Klager heeft tegen die beslissing tijdig beroep ingesteld. De huisarts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend.
Het Centraal Tuchtcollege heeft van beide partijen nog nadere correspondentie
ontvangen.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2022/1209 behandeld
op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege van 26 september 2022. Klager
is daar verschenen en heeft zijn standpunt verder toegelicht. De huisarts is met kennisgeving
niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE OVERWEGINGEN
Een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde eisen. Omdat
het klaagschrift niet aan die eisen voldoet, heeft de secretaris van het college de
indiener van de klacht bij brief van 26 oktober 2021 gevraagd om binnen twee weken
een aantal vragen te beantwoorden. Meer specifiek heeft de secretaris klager gevraagd
wanneer het handelen van beklaagde waar hij over klaagt precies heeft plaatsgevonden
en wat hij beklaagde precies verwijt. Klager heeft op die brief niet gereageerd. Op
12 november 2021 heeft de secretaris van het college klager een herinnering gestuurd.
Daarop heeft klager gereageerd met twee aanvullende klaagschriften met bijlagen. Klager
heeft in zijn reacties echter niet of onvoldoende geantwoord op de vragen van de secretaris.
Klager beschrijft een medisch traject sinds 2000 waarin meerdere namen voorkomen maar
over welk handelen van beklaagde klager klaagt, wanneer dat dan zou hebben plaatsgevonden
en wat hij beklaagde dan precies verwijt, is onvoldoende duidelijk.
Daarom is de voorzitter van oordeel dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is.
De voorzitter maakt klager erop attent dat klager alsnog een klacht bij het college
kan indienen, als de klacht wel voldoende kan worden onderbouwd en omschreven. Daarbij
merkt de voorzitter op dat het tuchtrecht een verjaringstermijn van 10 jaar kent.”
3. Beoordeling van het beroep
3.1 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege dat
de klacht onvoldoende duidelijk is en dus niet inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Hij verzoekt impliciet het Centraal Tuchtcollege deze beslissing te vernietigen en
de klacht alsnog gegrond te verklaren.
3.2 De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege
het beroep te verwerpen en de bestreden beslissing te handhaven.
De klacht is voldoende duidelijk
3.3 Uit het klaagschrift van 31 augustus 2021 en de twee aanvullingen daarop blijkt
dat in 2019 de prostaat van klager operatief is verwijderd in verband met een prostaatcarcinoom.
Hieruit komt verder naar voren dat klager de huisarts verwijt dat hij nooit de PSA
waarde heeft laten bepalen en klager niet heeft verwezen naar een uroloog. Dit terwijl
klager al vanaf 2001 bij hem kwam met plasklachten. Volgens klager was de prostaatoperatie
met voor hem blijvende ingrijpende gevolgen niet noodzakelijk geweest als de huisarts
anders had gehandeld.
3.4 Het Centraal Tuchtcollege is - anders dan het Regionaal Tuchtcollege - van
oordeel dat de klacht hiermee voldoende duidelijk is en er geen twijfel kan bestaan
over wat klager de huisarts precies verwijt. Dit betekent dat dat college de klacht
ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De klacht over de periode van 2001 tot 31 augustus 2011 is verjaard
3.5 In artikel 65 lid 5 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
is bepaald dat de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift tien jaar na het
desbetreffende handelen of nalaten vervalt. Dit wordt verjaring genoemd.
3.6 De op 31 augustus 2021 ingediende klacht gaat over het handelen van de huisarts
in de periode vanaf 2001 tot 1 januari 2014. Vanaf die laatste datum was de huisarts
niet meer als zodanig in de praktijk werkzaam. Gelet op de hiervoor bedoelde verjaringstermijn
van tien jaar, was klager op 31 augustus 2021 niet meer bevoegd om te klagen over
het handelen van de huisarts in de periode van 2001 tot en met 31 augustus 2011. In
zoverre is de klacht verjaard en kan deze dus niet alsnog inhoudelijk worden beoordeeld.
De klacht is voor het overige ongegrond
3.7 Voor zover de klacht gaat over het handelen van de huisarts in de periode van
1 september 2011 tot 1 januari 2014 zal deze alsnog inhoudelijk worden beoordeeld.
3.8 Uit het medisch dossier blijkt dat klager in die periode de huisarts niet één
keer in verband met plasklachten heeft bezocht. Wel is, anders dan klager stelt, in
2011 en in 2012 de PSA waarde bepaald. Deze waarden waren, gelet ook op de leeftijd
van klager, niet afwijkend. In oktober 2014 is de afkapwaarde voor PSA in de NHG standaard
mictieklachten bij mannen gewijzigd van 4.0 naar 3.0 ng/ml. Onder deze omstandigheden
kan de huisarts niet worden verweten dat hij klager in de periode van 1 september
2011 tot 1 januari 2014 niet naar de uroloog heeft verwezen. Voor zover de klacht
gaat over het handelen van de huisarts in de periode van 1 september 2011 tot 1 januari
2014 is deze dus ongegrond.
Conclusie
3.9 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ten onrechte in zijn geheel niet
ontvankelijk geacht omdat deze niet voldoende duidelijk zou zijn. De beslissing zal
daarom worden vernietigd. Het Centraal Tuchtcollege zal - opnieuw rechtdoend - de
klacht alsnog wegens verjaring gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren en voor het
overige ongegrond verklaren.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep;
en, opnieuw rechtdoend:
verklaart de klacht, voor zover deze betrekking heeft op de periode van 2001 tot en
met 31 augustus 2011
niet-ontvankelijk;
verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser
en
J. Legemaate, leden-juristen en O.T.M. Schouten en D. van Sleeuwen, leden-beroepsgenoten
en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 7 november 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.