ECLI:NL:TGZCTG:2022:170 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1164

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:170
Datum uitspraak: 31-10-2022
Datum publicatie: 31-10-2022
Zaaknummer(s): C2021/1164
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychiater. De psychiater heeft een geneeskundige verklaring afgegeven voor een verzoek tot het onder curatele stellen van klaagster. Klaagster verwijt de psychiater 1. dat zij klaagster voor het afgeven van de geneeskundige verklaring niet heeft gezien of gesproken en 2. dat zij in de geneeskundige verklaring de - in diverse rapportages gesignaleerde - psychiatrische stabiliteit van klaagster niet heeft vermeld, waardoor de psychiater een onvolledige beeld van klaagster heeft gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1164 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., psychiater, werkzaam te D., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans te Amsterdam.
1.    Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 18 maart 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 oktober 2021, onder nummer D2021/2136-2021-040 heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 12 oktober 2022, waar is verschenen de psychiater, bijgestaan door haar gemachtigde. Klaagster is met bericht niet verschenen.
Mr. Leemans heeft de standpunten van de psychiater toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd. 
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2.    De feiten
2.1    Klaagster is een aantal jaren in behandeling geweest voor psychische problematiek. Volgens klaagster was dit bij E. van oktober 2009 tot mei 2015 en volgens beklaagde was dit bij het F. (F.) in D., onderdeel van Fivoor van 15 februari 2011 tot en met 2 september 2015.
2.2    Op 27 februari 2014 heeft beklaagde, sinds 2013 als psychiater aan het F. verbonden, een geneeskundige verklaring afgegeven voor een verzoek tot het onder curatele plaatsen van klaagster. Hierover staat in de behandelrapportage (productie 7 van beklaagde) het volgende genoteerd door mevrouw G. (verpleegkundige):

“Mw opgehaald voor de afspraak op het F. met mw. C. psych. Dit vanwege beoordeling van onder curatele stelling. (…)”
En door beklaagde:
“Pat. gesproken met I.d.V. ivm beoordelen ten behoeve van een verzoek tot instellen curatele. Ze is in vergelijk met het huisbezoek een paar weken geleden rustiger, open en vriendelijk in het gesprek, heeft nu ook lichte ziekte-inzicht. Ze zelf geeft aan dat ze een samenhang met haar toestand en de regelmatige inname van semap onder toezicht ziet, heeft nu ook geen last meer van bijwerkingen.
Ze is drie weken geleden gestopt met roken en blowen, had ervoor tot 20 joints per dag geblowd. Geen ander drugs, geen alcohol, geen onttrekkingsverschijnselen.
Pat. heeft ca 10.000â,â schulden van een scooter, boetes en abonnementen van KPN. Ze zelf is niet in staat om haar financiÃün te kunnen regelen en gaat akkoord met een curator om haar schulden te laten saneren. Haar ook uitgelegd dat een curator ook naar haar toestand gaat kijken en niet alleen voor financiÃün wordt ingezet. Haar tevens uitgelegd dat ze bij een aanhoudend stabiele toestand curatele kan laten stoppen bij de rechtbank.
Pat. verliest haar appartement 10 maart, gaat dan wonen bij haar tante in leiden of samen met haar vriend. 
Ze wil in mei met vakantie naar H., haar oma is jarig, moeder wil mee vliegen en de kosten betalen. Zou dit met haar behandelaar bespreken.
Conclusie: Pat. is bekend met een schizoaffectie stoornis en een cannabisafhaneklijkheid. Ze zelf is niet in staat om haar financiÃün te kunnen regelen zodat og de aanvraag voor onder curatele stellen als belangrijk acht.
B/ geneeskundige verklaring ten behoeve van een verzoek tot instellen curatele ingevuld, getekend en aan spver gegeven.”
In de geneeskundige verklaring heeft beklaagde het volgende vermeld:
“(…) betrokkene lijdt aan een geestelijke stoornis, waardoor zij, al dan niet met tussenpozen niet in staat is, òf bemoeilijkt wordt zijn/haar financiele belangen behoorlijk waar te nemen.
De aard van de geestelijke stoornis is
Een schizoaffectieve stoornis (DSM IV 304.80) en een afhankelijkheid van verschillende middelen (DSM IV 295.70)

en kan toegelicht worden met de volgende omschrijving
Betrokkene is bekend met een schizo-affectieve stoornis. Door deze stoornis is betrokkene gevoelig voor decompensatie in manische en psychotische symptomen. 
Deze symptomen bestaan uit wanen met een religieus karakter en uit 
opdrachtgevende stemmen.
Betrokkene dacht dat ze de duivel was en communiceerde rechtstreeks met God. 
Vanwege bovenstaande symptomen werd betrokkene meerdere keren gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht en is niet van mening een psychiatrische ziekte te hebben. Daarnaast is er sprake van drugsmisbruik, met name cannabisafhankelijkheid, hetgeen de manisch psychotische symptomen kan verergeren. Betrokkene heeft schulden van 10.000€.” 
3.    De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven en samengevat, dat zij:
1)    klaagster voorafgaand aan het afgeven van de geneeskundige verklaring niet heeft gezien of gesproken;
2)    in de geneeskundige verklaring de - in diverse rapportages gesignaleerde - psychiatrische stabiliteit van klaagster niet heeft vermeld en daardoor een onvolledig beeld van klaagster heeft gegeven.
4.    Het standpunt van beklaagde
De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan. 
5.    De beoordeling
eerste klachtonderdeel
5.1    Uit de hiervoor onder 2.2. geciteerde passages uit de behandelrapportage blijkt dat beklaagde klaagster heeft gezien en gesproken over de ondercuratelestelling voordat zij de geneeskundige verklaring afgaf. Klachtonderdeel 1 is dan ook ongegrond.
tweede klachtonderdeel
5.2    Het College is van oordeel dat beklaagde met de door haar afgegeven geneeskundige verklaring niet verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Wet BIG. Het klopt dat de geconstateerde psychiatrische stabiliteit van klaagster in de periode vóór 27 februari 2014 door beklaagde niet in de geneeskundige verklaring is opgenomen. Zo is in het behandelplan in de periode vóór het afgeven van de verklaring te lezen:
“Sep 2013: psychiatrisch lijkt patiente stabiel.”
“Sinds het ontslag in het voorjaar van 2013 is patiente moeizaam in beeld. Ze kwam steeds later haar medicatie ophalen en bouwde zelfstandig haar lithium af. Ondanks dat bleef patiente stabiel.”
“4-12-2013 (…) Pte weigerde een depot en vanwege de relatief stabiele toestand werd dit (tegen advies) geaccepteerd.”
Maar het niet vermelden van deze relatief stabiele psychiatrische toestand betekent niet dat beklaagde een onvolledig of onjuist beeld van klaagster heeft gegeven. De kern van de verklaring is dat klaagster lijdt aan “een geestelijke stoornis, waardoor zij, al dan niet met tussenpozen niet in staat is, òf bemoeilijkt wordt zijn/haar financiele belangen behoorlijk waar te nemen”. Deze conclusie wordt gedragen door de informatie in het behandelplan die volgt uit de door beide partijen overgelegde producties. Dit wordt ook niet door klaagster weersproken behalve dat zij erop wijst dat in het behandelplan wordt aangegeven dat zij psychiatrisch stabiel was. Ook de overige door beklaagde in de verklaring genoemde zaken (een schizoaffectie stoornis, wanen met een religieus karakter, gedwongen opnames in een psychiatrisch ziekenhuis, geen ziekte-inzicht, cannabismisbruik en schulden van € 10.000,-) zijn door klaagster niet weersproken en volgen ook uit de door beide partijen overgelegde producties. Dat er ook sprake was van een relatief stabiele psychiatrische toestand in de maanden voorafgaand aan de geneeskundige verklaring is naar het oordeel van het College niet van een dusdanig gewicht dat het niét vermelden hiervan tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Ook klachtonderdeel 2 is dus ongegrond.
Om bovenstaande redenen zal het College beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4.    Beoordeling van het beroep
4.1    Klaagster beoogt met haar beroep haar klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrond verklaring van het beroep.
4.2    De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De psychiater verzoekt klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep dan wel dit beroep ongegrond te verklaren. 
4.3    Voor zover klaagster in beroep nieuwe klachtonderdelen formuleert, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat nieuwe stellingen, althans stellingen die niet in het klaagschrift zijn aangevoerd, buiten het bestek van dit beroep vallen, zodat klaagster in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4.4    In beroep zijn verder de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de psychiater en is het door de psychiater gevoerde verweer tegen naar aanleiding van haar professioneel handelen geformuleerde klachten nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 oktober 2022 heeft de gemachtigde van de psychiater het verweer van de psychiater aan de hand van pleitaantekeningen nader uiteen gezet en is de psychiater door de leden van het Centraal Tuchtcollege bevraagd.
4.5    Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege vervolgens niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep zoals hiervoor in overweging 4.3 weergegeven;
verwerpt het beroep voor het overige.

 
Deze beslissing is gegeven door: E.J. Daalder, voorzitter; 
A.S. Gratama en T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen en M.C. ten Doesschate en 
J.A.M. Rutgers, leden-beroepsgenoten en M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 31 oktober 2022. 
Voorzitter  w.g.    Secretaris  w.g.