ECLI:NL:TGZCTG:2022:168 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1246
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:168 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-10-2022 |
| Datum publicatie: | 26-10-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2022/1246 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen tandarts. Klager is in de periode van 2017 tot en met 2020 onder behandeling van de tandarts geweest. Daarna wordt klager uitgeschreven. De echtgenote van klager wordt in maart 2021 wegens wangedrag van haarzelf en klager ook uitgeschreven. In april 2021 is zijn dossier aan klager overhandigd zodat hij dit aan zijn nieuwe tandarts kon overdragen. Klager verwijt de tandarts dat hij: 1. is tekortgeschoten in diagnostiek; 2. zijn bevindingen niet in het dossier heeft genoteerd; 3. is tekortgeschoten in preventieve behandelingen; 4. klager zonder geldige reden heeft uitgeschreven; 5. onwaarheden over agressie en geweld door klager in het dossier heeft opgenomen. Klager verwijt de tandarts ook dat (6.) de preventie-assistente die hem heeft behandeld op de website als mondhygiëniste stond vermeld. Tot slot heeft klager het Regionaal Tuchtcollege verzocht (7.) om melding te doen bij het OM vanwege het vervalsen van het dossier. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 6 en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Klager is in beroep gekomen van de klachtonderdelen 1 tot en met 4. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2022/1246 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. L.H.E. Drenthe te Amsterdam,
tegen
C., tandarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. H.J.E. van der Spoel te Zwolle.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 25 mei 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle
tegen C. - hierna de tandarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 7 januari
2022, onder nummer Z2021/3148 heeft dat College klager niet-ontvankelijk verklaard
in klachtonderdeel 6. en de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De tandarts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege
van 14 september 2022, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde,
en de tandarts, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Mr. Drenthe heeft de standpunten van klager en mr. Van der Spoel heeft de standpunten
van de tandarts toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege
zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting
dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te
worden uitgegaan. Voor zover hierna uit stukken wordt geciteerd, gebeurt dat zonder
correctie van eventuele typefouten.
2.1 Klager is op 30 maart 2017 als patiënt bij de praktijk van beklaagde ingeschreven.
Zijn eerste consult betrof een periodieke controle op 7 april 2017. In de uitnodigingsbrief
d.d. 30 maart 2017 staat vermeld dat tijdens dit consult wordt uitgevoerd/gedeclareerd:
“kennismaking – doornemen medische vragenlijst – periodieke controle - eventueel röntgenonderzoek
- score van het tandvlees.” De aantekening over dit consult luidt: “DPSI score 3+
Mondhygiene besproken, meneer geeft aan dit niet nodig te vinden”.
Deze aantekening is op 4 mei 2021 door beklaagde aan het dossier toegevoegd. DPSI
is de afkorting van Dutch Periodontal Screening Index, waarmee de conditie van het
tandvlees wordt gemeten.
2.2 In de periode van 30 mei 2017 tot en met 23 juni 2020 is klager meermalen voor
periodieke controles en (eenvoudige) gebitsreiniging bij beklaagde op consult geweest.
De preventie-assistente heeft de gebitsreinigingen uitgevoerd. Op 1 maart 2019 is
de conditie van het tandvlees gemeten waarbij de DPSI-score 3+ was, wat betekent dat
er sprake is van een pocket van 4 tot 5 mm en opgetrokken tandvlees, hetgeen duidt
op parodontitis. Bij het consult van 27 mei 2020 is door beklaagde op later datum
aan het dossier toegevoegd dat de DPSI-score 3+ was.
2.3 Op 3 juli 2020 belt klager met de praktijk in verband met de ontvangst van
een betalingsherinnering voor de factuur voor het consult van 23 juni 2020. Volgens
het dossier heeft de praktijkmanager (tevens de echtgenote van beklaagde) klager toen
uitgelegd dat er voor facturen een betalingstermijn van acht dagen geldt. Over dit
gesprek staat voorts aangetekend:
“… Meneer is erg bepalend en dominant, accepteert niet de regels van de praktijk en
wil met zijn dominerende houding standpunt innemen welke in strijd zijn met de regels.
Meneer wil graag dat wij hem uitschrijven en verzoekt ons het dossier op te sturen.
Meneer verteld dat dit op schrift moet.”
2.4 Beklaagde heeft het dossier van klager op 17 september 2020 naar het archief
verplaatst. Klager is daarna niet meer bij beklaagde op consult geweest.
2.5 Bij brief van 4 maart 2021 schrijft beklaagde aan de echtgenote van klager
dat zij bij de praktijk wordt uitgeschreven “…vanwege wangedrag en persoonlijke aanvallen
die van agressieve aard zijn, welke wij niet kunnen accepteren. Dit is helaas niet
de eerste keer.” Deze brief bevat tevens een voorgedrukt verzoek voor de echtgenote
van klager om een afschrift van haar dossier, zodat zij die kan overdragen aan haar
nieuwe tandarts. Als reden van uitschrijving wordt genoemd: “Wangedrag en persoonlijke
aanval, met name partner van mevrouw. Mevrouw lijkt ook dit niet te kunnen sturen.
Partner is enkele maande geleden ook bij ons uitgeschreven vanwege agressief en ontoelaatbaar
gedrag”. Tevens staat vermeld: “Het is voor u niet meer mogelijk om in de praktijk
te worden behandeld. Voor pijnklachten en ongemakken mag u zich wenden tot de dienstdoende
tandarts op 0900-112-3-112”.
2.6 Bij brief van 7 april 2021 verzoekt klager aan beklaagde de eventueel in het
patiëntenbestand aanwezige röntgenfoto’s (digitaal of via een CD) door te sturen aan
zijn nieuwe tandarts. Bij een tweede brief op die dag bevestigt klager de ontvangst
van een kopie van zijn medische dossier en verzoekt hij beklaagde alle voor zijn behandeling
eventueel relevante aantekeningen die er nog zouden zijn, alsnog aan hem toe te sturen.
2.7 Op 12 april 2021 staat in het dossier van klager aangetekend:
“Zie dossier van partner, meneer is erg agressief . Tandarts heeft besloten vanwege
ernstige dreigingen patiënt niet meer te behandelen. Nieuwe tandarts mailt met verzoek,
echter is AVG dat patient dit zelf moet doen. Wij sturen patient zelf een verzoek
uitschrijving toe en wachten af of meneer dit op eigen verzoek heeft gedaan. Is dit
het geval dan zal aan patient zelf het dossier worden toegezonden en niet naar de
heer D..”
Beklaagde heeft daarop aan klager de ontvangst van diens verzoek om uitschrijving
en overdracht van het medisch dossier bevestigd. Hierbij is ook een passage ter invulling
opgenomen met een standaardverzoek voor een afschrift van het dossier, zodat klager
deze aan zijn nieuwe tandarts kan overdragen.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven –:
1. dat hij is tekortgeschoten in diagnostiek door onvoldoende onderzoek te doen
aan het gebit en tandvlees. Er is geen DPSI gemeten. Als beklaagde röntgenonderzoek
had verricht, zou klager nu geen ontstekingen aan de wortelpunten hebben en botverlies
door tandvleesproblemen;
2. dat indien hij wel onderzoek heeft gedaan, beklaagde zijn bevindingen niet in
het dossier heeft genoteerd;
3. dat hij is tekortgeschoten in preventieve behandelingen, zo heeft hij geen advies
voor mondhygiëne gegeven;
4. dat hij klager zonder geldige reden uit de praktijk heeft uitgeschreven en zelfs
geen spoedbehandelingen meer bij hem wilde uitvoeren. Klager erkent dat hij scherpe
opmerkingen kan maken, maar dat is niet hetzelfde als agressie/geweld. Bovendien heeft
beklaagde klager niet (herhaaldelijk) gewaarschuwd en heeft hij klager geen redelijke
termijn voor overschrijving naar een andere tandarts gegeven. Klager ontkent dat hij
zelf heeft aangegeven zich uit de praktijk te willen uitschrijven; de praktijkmanager
gaf klager te kennen dat hij niet meer welkom was in de praktijk;
5. dat hij onwaarheden over agressie en geweld door klager in het dossier heeft
opgenomen. De opmerkingen zijn stigmatiserend en lijken opzettelijk kwetsend;
6. de preventie-assistente die klager op 23 juni 2020 heeft behandeld, stond op
de website abusievelijk als mondhygiëniste vermeld; zij was nog niet afgestudeerd;
7. tot slot verzoekt klager aan het college om melding te doen bij de officier
van justitie wegens het vervalsen van het dossier. Beklaagde heeft achteraf informatie
toegevoegd om zijn verweer in deze procedure beter te doen uitkomen.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert – zakelijk weergegeven – het volgende aan.
Klager is tussen 7 april 2017 tot en met 27 mei 2020 halfjaarlijks op controle geweest.
Beklaagde heeft bijzonderheden genoteerd, ook wanneer er geen bijzonderheden waren.
Verder heeft hij driemaal een DPSI-score (3+) gemeten, wat voldoende is om het parodontium
afdoende te controleren. Beklaagde heeft die bevinding bij het consult op 7 april
2017 op diezelfde dag in zijn persoonlijke werkaantekening genoteerd en op 4 mei 2021
aan het dossier toegevoegd. Hij heeft het dossier, nadat klager het had opgevraagd,
bestudeerd en constateerde toen dat hij deze aantekening per ongeluk niet in het dossier
had overgenomen.
Er was geen aanleiding om röntgenfoto’s te maken: er waren geen bijzonderheden, klager
had geen pijnklachten (en dus geen ontstoken wortelpunten) en beklaagde wilde rekening
houden met de financiële situatie van klager. Onzeker is dat klager ontstoken wortelpunten
heeft, dat er naast de al door beklaagde genoteerde parodontitis meer tandvleesproblemen
zijn, dat daar een causaal verband tussen bestaat en dat die ontsteking is ontstaan
doordat beklaagde geen röntgenfoto’s heeft gemaakt. Beklaagde heeft klager uitgelegd
dat er sprake was van parodontitis en botverlies en hem bij herhaling gewezen op de
noodzaak van gebitsreiniging door de mondhygiëniste. Mede gelet op zijn financiële
situatie wilde klager geen paradontale zorg. Beklaagde heeft hem via de preventie-assistente
voldoende preventieve zorg geboden.
Beklaagde verstrekt altijd een volledig afschrift van het medisch dossier en niet
pas nadat een klacht tegen hem is ingediend. Duidelijk is dat de nieuwe tandarts van
klager dat heeft verteld. Dit is onderwerp van zaak 2020/228 die aanhangig is bij
het college en ten gevolge van een fout in het softwaresysteem.
Klager heeft zelf – uit boosheid om de regels omtrent betalingstermijnen – op
3 juli 2020 telefonisch aangegeven dat hij zich wilde uitschrijven en verzocht om
een afschrift van zijn medisch dossier. Beklaagde heeft wel de behandelrelatie van
de partner van klager eenzijdig beëindigd, maar bij deze klacht heeft klager geen
persoonlijk belang. Met de brief aan de partner bedoelde beklaagde aan te geven dat
hij klager en de partner graag zou behandelen ingeval zij zich tot de spoedlijn zouden
wenden en hij de dienstdoende spoedtandarts zou zijn.
Met de korte aantekening van beklaagde in het dossier van klager over diens agressie
op 12 april 2021 (en de uitgebreide aantekening daarover in het dossier van de partner
van klager) is voldaan aan de dossierplicht, de aantekeningen zijn conform de waarheid
en relevant voor een opvolgend tandarts.
Beklaagde vraagt aandacht voor het volgende: tussen beklaagde en de nieuwe tandarts
van klager – alsmede tussen beklaagde en de echtgenote van de nieuwe tandarts (die
ook tandarts is) - bestaat al jaren een moeizame samenwerking, die zich uit in een
grote hoeveelheid (tucht)klachten bij diverse instanties tegen beklaagde. Opvallend
is dat alleen door die tandarts, diens echtgenote en (ex-) patiënten van hen klachten
tegen beklaagde worden ingediend. Hoewel het tuchtcollege de nieuwe tandarts en diens
echtgenote heeft opgeroepen terughoudend te zijn met het indienen van klachten tegen
beklaagde, doen zij dit niet. Het lijkt erop dat zij zelfs hun patiënten aanzetten
tot het indienen van klachten tegen beklaagde.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel
handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een
antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven
binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met
de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met
hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Klachtonderdelen 1., 2., 3. en 7.
5.2
Beklaagde heeft aangevoerd dat hij wel degelijk aandacht had voor de tandvleesproblematiek.
Volgens beklaagde is dit een standaardonderdeel van de periodieke controle. Alleen
heeft hij dit bij klager niet steeds volledig in het dossier aangetekend. Achteraf
heeft hij het dossier aangevuld op basis van de gemaakte aantekeningen. Het college
constateert dat uit het (niet-aangevulde) dossier zoals beklaagde dat aan klager heeft
verstrekt, blijkt dat er in ieder geval op 1 maart 2019 een DPSI-meting is gedaan
(score 3+). Tevens blijkt dat periodieke controles op 7 april 2017, 5 oktober 2017,
3 april 2018, 19 september 2018, 18 februari 2019, 3 september 2019 en 27 mei 2020
zijn uitgevoerd. Verder blijkt uit het dossier dat er gebitsreinigingen zijn verricht.
Op basis van het dossier, zoals overgelegd door klager, kan het college niet vaststellen
dat beklaagde te weinig oog heeft gehad voor de staat van het gebit en tandvlees dan
wel ten onrechte heeft nagelaten röntgenfoto’s te maken op momenten waarop dat nodig
zou zijn.
Tevens acht het college aannemelijk dat in de praktijk van beklaagde het meten van
DPSI-scores gebruikelijk was en dat daarover met de patiënten werd gesproken. In de
parallel dienende klacht van de partner van klager tegen beklaagde is namelijk gebleken
dat ook de partner met tandvleesproblemen kampte. In dat dossier is daarvan regelmatig
aantekening gemaakt. Voorts is door de praktijk van beklaagde een offerte gemaakt
om de tandvlees-problemen te behandelen. Uit het dossier van de partner blijkt dat
klager de praktijk op 15 januari 2020 heeft gebeld om aan te geven dat klager en zijn
partner niet akkoord waren met de offerte ad euro 700,--. De conclusie van het college
luidt dat beklaagde er beter aan had gedaan om meteen bij of na de behandelingen complete
dossieraantekeningen te maken en niet pas naderhand bij het nogmaals doornemen van
het medisch dossier. Dit geldt ook voor aantekeningen over de gestelde financiële
beperkingen van klager voor zover die van invloed waren op zijn keuzes voor mondhygiëne.
Thans kunnen deze financiële beperkingen slechts indirect blijken door het afwijzen
van de offerte voor mondhygiëne van de partner, de aantekening in het dossier van
klager van
15 juli 2020 dat er een beschikking van de rechtbank in het dossier is opgenomen inzake
onderbewindstelling en het meningsverschil over de termijn van betaling van een nota,
dat de aanleiding was voor de beëindiging van de relatie. Het college kan echter niet
vaststellen dat de door beklaagde gegeven zorg over het geheel genomen onvoldoende
was. Het college kan derhalve evenmin vaststellen dat de klachten die klager thans
stelt te hebben, het gevolg zijn van tekortschietende zorg door beklaagde. Vast staat
overigens dat klager vóór de beëindiging van de behandelrelatie tevreden was met de
verleende zorg. Ook ter zitting heeft hij dat aangegeven. Omdat hij naar eigen zeggen
bij zijn vorige tandarts wel werd behandeld door een mondhygiënist vanwege tandvleesproblemen,
acht het college het niet aannemelijk dat klager zich niet van die problematiek bewust
was.
5.3
Als gezegd, had klager er beter aan gedaan om volledige dossieraantekeningen te maken.
Omdat de verleende zorg op basis van het oorspronkelijke (aan klager overgelegde)
dossier wel in voldoende mate te reconstrueren is, acht het college het handelen van
beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het later toevoegen van twee DPSI-metingen
aan het dossier op basis van werkaantekeningen zonder dat uitdrukkelijk aan te geven,
acht het college hoogst ongelukkig. Het college wil echter in dit geval aannemen dat
sprake is van onhandigheid en niet van boos opzet, nu beklaagde aan klager eerder
een niet-aangevulde versie had doen toekomen. Voorzienbaar was dat de verschillen
tussen beide versies meteen zouden opvallen, hetgeen ook is gebeurd. Het college wijst
beklaagde er echter wel met nadruk op dat deze handelwijze niet voor herhaling vatbaar
is.
5.4
Het college oordeelt dat de klachtonderdelen 1., 2., en 3. ongegrond zijn. Klachtonderdeel
7. behoeft in deze uitspraak geen bespreking of beslissing, nu de Wet BIG hetgeen
klager op dit punt aan het college verzoekt, niet als afdoeningsmodaliteit kent.
De klachtonderdelen 4. en 5.
5.5
Wat betreft de beëindiging van de zorgrelatie en de wijze waarop dit in het dossier
werd genoteerd, oordeelt het college als volgt. Uit de dossieraantekening van
3 juli 2020 blijkt dat klager naar aanleiding van een hoogopgelopen geschil over de
betalingstermijn van een rekening zelf heeft gezegd dat hij de relatie wilde beëindigen.
Het college kan bij gebreke aan andere bewijsbronnen niet vaststellen dat de dossieraantekening
d.d. 3 juli 2020 onjuist is. De aantekening dat klager “erg bepalend en dominant”
is, is als zodanig niet onnodig stigmatiserend of kwetsend, zeker nu klager zelf aangeeft
dat hij mensen altijd recht in hun gezicht vertelt wat hij van hen vindt en daarbij
soms “scherpe en wat bijdehante” opmerkingen kan maken, maar daar niets kwaads mee
bedoelt. Het college merkt op dat de impact van klagers woorden op anderen mogelijk
anders is dan klager bedoelt, maar dat maakt de aantekening dat hij “bepalend en dominant”
was nog niet onjuist of klachtwaardig. Hetzelfde geldt voor de aantekening d.d. 12
april 2021. Deze had feitelijk betrekking op een incident dat op 4 maart 2021 zou
hebben plaatsgevonden rond een voor de partner te maken afspraak. Klager zou zich
met het gesprek hebben bemoeid en de echtgenote van beklaagde een asociaal kutwijf
hebben genoemd. Dat klager deze woorden heeft gebezigd, heeft hij niet met zoveel
woorden ontkend. Het college kan dan ook niet aannemen dat het dossier op dit punt
onjuist is of onnodig grievend. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdeel 6.
5.6
Klager stelt zich op het standpunt dat de Ilse die bij hem op 23 juni 2020 mondhygiëne
heeft gedaan, op de site van de praktijk vermeld stond als mondhygiëniste, terwijl
zij dat op dat moment nog niet was. Beklaagde heeft aangevoerd dat de medewerkers
slechts met hun voornaam op de site stonden. Klager is volgens beklaagde op 23 juni
2020 inderdaad door een E. behandeld, die geen mondhygiëniste was. De E. die op de
website als zodanig was vermeld, zou dat wel zijn geweest. Het college overweegt dat
klager niet stelt dat hij ten tijde van de behandeling in de veronderstelling verkeerde
dat hij door een mondhygiëniste zou worden behandeld. Integendeel, klager heeft aangevoerd
dat dat juist niet het geval was. Wat er van de vermeldingen op de website ook zij,
klager is geen belanghebbende bij dit klachtonderdeel, nu de mogelijke verwarring
die uit de site zou kunnen voortvloeien voor hem als patiënt niet aan de orde was.
Hij is slechts voor gebitsreiniging op de praktijk geweest, niet voor een behandeling
door een mondhygiëniste. Een zodanige behandeling is hem ook niet in rekening gebracht.
In dit klachtonderdeel kan klager derhalve niet worden ontvangen.
Tot slot
5.7
Beklaagde heeft tijdens deze procedure veel aandacht besteed aan de aanhoudend moeizame
relatie met een collega-tandarts, die achter de frequente klachten van overgestapte
patiënten tegen beklaagde zou zitten. Beklaagde heeft zijn frustratie daarover geuit.
Hij heeft een beroep gedaan op het college daaraan een einde te maken. Het college
heeft kennisgenomen van hetgeen beklaagde over dit conflict naar voren heeft gebracht.
Het college kan hierover in de context van deze tuchtzaak geen uitspraken doen. Het
college verstaat dit onderdeel van het verweer aldus dat beklaagde hiermee zijn wanhoop
wil uitdrukken, maar beschouwt dit niet als verzoek waarop het college in deze zaak
dient te beslissen.
5.8
Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen ongegrond zijn. Beslist wordt derhalve
als volgt.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor zover de gemachtigde van klager zich niet kan vinden in de feitenvaststelling
door het Regionaal Tuchtcollege overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het aan de
tuchtrechter is voorbehouden om die feiten en omstandigheden in de beslissing op te
nemen die hij voor zijn beoordeling en beslissing relevant acht, zonder daarbij uitputtend
te zijn. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in de onderhavige zaak de feiten en omstandigheden
op zorgvuldige wijze vastgesteld die voor de beoordeling van de klacht van belang
waren. Het Centraal Tuchtcollege ziet daarom geen aanleiding deze feitenvaststelling
aan te vullen of wijzigen en zal bij de beoordeling van het beroep uitgaan van de
feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Desgevraagd heeft de gemachtigde van klager tijdens mondelinge behandeling
in beroep verklaard dat het beroep zich beperkt tot de ongegrondverklaring van de
klachtonderdelen 1, 2, 3 en 4. De gemachtigde van klager heeft daarbij benadrukt dat
het zwaartepunt van het beroep ligt in klachtonderdeel 2, namelijk dat indien de tandarts
wel onderzoek bij klager heeft verricht, de tandarts zijn bevindingen niet in het
dossier heeft genoteerd.
4.2 De tandarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt klager primair deels
niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep of subsidiair dit beroep af te wijzen.
Ontvankelijkheid
4.3 De tandarts heeft allereerst betoogd dat klager niet-ontvankelijk is in de
grieven 1, 2 en 4 beroep, omdat klager in die grieven de gronden van het beroep niet
dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
heeft klager in het beroepschrift voldoende duidelijk toegelicht tegen welke overwegingen
van het Regionaal Tuchtcollege het beroep zich richt. De tandarts is dan ook niet
in zijn verdediging geschaad. Klager kan worden ontvangen in zijn beroep.
4.4 Anders dan de tandarts aanvoert, leest het Centraal Tuchtcollege in de stellingen
van klager verder geen beroep tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege om
geen bewijsopdracht te verlenen. Klager verzoekt het Centraal Tuchtcollege in beroep
uitsluitend nogmaals de tandarts te gelasten het audit-bestand van het medisch dossier
van klager in de procedure over te leggen. Klager kan dan ook in dit verzoek worden
ontvangen. Het Centraal Tuchtcollege zal dit verzoek hierna beoordelen.
Klachtonderdelen 1, 2 en 3
4.5 Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft ten aanzien van deze klachtonderdelen
de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege ziet wel
reden deze overwegingen aan te vullen naar aanleiding van hetgeen klager in beroep
heeft aangevoerd. Anders dan klager stelt, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel
dat ook in beroep onvoldoende is aangetoond dat de noodzakelijke controles aan het
gebit van klager niet hebben plaatsgevonden, ook al zijn (een deel van) de aantekeningen
hiervan op een later moment in het hoofdbestand in het dossier van klager toegevoegd.
Dat de DPSI heeft plaatsgevonden, vindt bovendien steun in de uitnodigingsbrief voor
het consult waarin dit onderzoek reeds wordt aangekondigd. Het Centraal Tuchtcollege
benadrukt in dit kader nog dat de later toegevoegde aantekeningen (digitale pop-ups,
dus niet papieren post-its zoals klager lijkt te betogen) dateren van dezelfde data
en tijdstippen als de behandelingen hebben plaatsgevonden. De verklaring van de tandarts
dat hij deze aantekeningen tijdens de consulten heeft gemaakt dan wel laten maken,
maar later aan het hoofdbestand van het medisch dossier heeft toegevoegd, komt het
Centraal Tuchtcollege daarom niet vreemd of onregelmatig voor. Dit neemt niet weg
dat het Centraal Tuchtcollege, evenals het Regionaal Tuchtcollege, de werkwijze van
de tandarts ongelukkig acht. Gelet op het voorgaande ziet het Centraal Tuchtcollege
geen aanleiding de auditbestanden op te vragen, zoals door klager in beroep opnieuw
is verzocht.
4.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ten aanzien van de klachtonderdelen
1, 2 en 3 dient te worden verworpen.
Klachtonderdeel 4
4.7 De behandeling van dit in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding
gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen
dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep ten aanzien
van klachtonderdeel 4 moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter;
Y. Buruma en H. de Hek, leden-juristen en R. van der Velden en A. Vissink,
leden-beroepsgenoten en M. Van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.