ECLI:NL:TGZCTG:2022:163 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1207

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:163
Datum uitspraak: 10-10-2022
Datum publicatie: 10-10-2022
Zaaknummer(s): C2022/1207
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen tandarts. De tandarts heeft in 2019 een gebitsreiniging bij klaagster uitgevoerd. De tandarts heeft aanslag en tandsteen verwijderd, het gebit van klaagster gepolijst en klaagster reinigingsinstructies gegeven. Klaagster is hierna door andere tandartsen behandeld in verband met aanhoudende pijnklachten aan haar gebit. Klaagster verwijt de tandarts dat door de gebitsreiniging schade is ontstaan aan haar gebit, waaronder breuken en slijtage tussen haar tanden, blootliggende tandhalzen en teruggetrokken tandvlees. Hierdoor heeft klaagster dagelijks pijnklachten. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2022/1207 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., tandarts, werkzaam te B., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: R. Kroes te Amsterdam.
1.    Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 1 juni 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te 
Den Haag tegen C. - hierna de tandarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 
4 januari 2022, onder nummer D2021/3158 heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De tandarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 14 september 2022, waar zijn verschenen klaagster en de tandarts, bijgestaan door haar gemachtigde.
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2.    Waar gaat de zaak over?
2.1    Klaagster is op 7 oktober 2019 voor een gebitsreiniging bij de praktijk geweest waar de tandarts werkzaam is. De tandarts heeft aanslag en tandsteen verwijderd, het gebit van klaagster gepolijst met polijstpasta en reinigingsinstructies gegeven. Op 11 november 2019 is de tandarts overgestapt naar een andere praktijk. Zij heeft klaagster verder niet behandeld. 
Klaagster is daarna door andere tandartsen behandeld in verband met aanhoudende pijnklachten aan haar gebit. Er zijn onder andere vullingen aangebracht. 
2.2    Volgens klaagster is er door de gebitsreiniging door de tandarts op 
7 oktober 2019 schade aan haar gebit ontstaan, waaronder breuken en slijtage tussen haar tanden, blootliggende tandhalzen en teruggetrokken tandvlees. Hierdoor heeft zij dagelijks pijnklachten. Verder houdt de klacht van klaagster in dat de praktijk haar patiëntendossier heeft gewijzigd, waaronder een gemaakte röntgenfoto uit 2016.
2.3    De tandarts stelt zich allereerst op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar klacht, omdat het klaagschrift niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Verder stelt de tandarts dat zij de gebitsreiniging geheel volgens protocol heeft uitgevoerd en daarbij de professionele normen in acht heeft genomen. Volgens de tandarts is het vrijwel onmogelijk dat de gebitsreiniging schade aan het gebit van klaagster heeft veroorzaakt. 
3.    Wat is het oordeel van het college?
3.1    Het college is van oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht, maar dat de tandarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor die beslissing acht het college het volgende van belang.
Is de klacht ontvankelijk?
3.2    Klaagster heeft voldoende duidelijk gemaakt dat de klacht betrekking heeft op de door de tandarts uitgevoerde gebitsreiniging, die volgens klaagster heeft geleid tot schade aan haar gebit en aanhoudende pijnklachten. Ook de tandarts heeft de klacht op deze manier samengevat in het verweerschrift en daarop gereageerd. Het college zal de klacht daarom inhoudelijk behandelen.
Aan welke criteria toetst het college?
3.3    Het college moet beoordelen of de tandarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening en met de toen voor de tandarts geldende beroepsnormen. De tandarts is verder slechts tuchtrechtelijk aansprakelijk voor haar eigen medische handelen en niet voor dat van andere zorgverleners.
De gebitsreiniging op 7 oktober 2019
3.4    De tandarts heeft in het verweerschrift uiteengezet dat zij voor de gebitsreiniging op 7 oktober 2019 een air-flow en ultrasoon apparaat heeft gebruikt. Het college overweegt dat deze apparatuur ertoe kan hebben geleid dat klaagster de gebitsreiniging anders heeft ervaren dan zij gewend was, maar het komt het college onwaarschijnlijk voor dat deze behandeling heeft geleid tot de schade aan het gebit zoals klaagster stelt. Ook uit het tandheelkundig dossier volgt niet dat er zich tijdens de gebitsreiniging bijzonderheden hebben voorgedaan. Klaagster heeft ook niet verder onderbouwd welk handelen van de tandarts tot de gestelde schade heeft geleid. Bovendien heeft klaagster na 7 oktober 2019 nog andere tandheelkundige behandelingen ondergaan. Het college merkt op dat uit het dossier verder volgt dat klaagster zich na de behandeling op 7 oktober 2019 pas weer op 8 februari 2020 bij de praktijk heeft gemeld, waarbij zij heeft aangegeven dat het onderfront van haar gebit erg gevoelig was voor koud en warm en dat dit twee maanden na de gebits-reiniging was ontstaan. Het college vindt het erg vervelend voor klaagster dat zij nog steeds (pijn)klachten heeft aan haar gebit. Gelet op het voorgaande kan het college echter niet vaststellen dat de tandarts tijdens de gebitsreiniging op 7 oktober 2019 fouten zou hebben gemaakt.
Het patiëntendossier
3.5    Voor zover sprake zou zijn van wijziging van (de röntgenfoto in) het patiëntendossier van klaagster door de praktijk, valt dit de tandarts niet aan te rekenen. Niet is gebleken dat de tandarts daarbij persoonlijk betrokken is geweest, zodat haar daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. 
Conclusie
3.6    Het voorgaande leidt tot de beslissing dat de tandarts geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4.    Beoordeling van het beroep
4.1    Klaagster beoogt met haar beroep haar klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrond verklaring van het beroep.
4.2    De tandarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt klaagster primair niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep of subsidiair dit beroep af te wijzen. 
Ontvankelijkheid 
4.3    De tandarts heeft allereerst betoogd dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar beroep, omdat klaagster in het beroepschrift de gronden van het beroep niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft klaagster met het beroepschrift en de door haar ingediende aanvullende gronden van beroep voldoende duidelijk toegelicht tegen welke overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege het beroep zich richt. De tandarts is dan ook niet in haar verdediging geschaad en heeft ook daadwerkelijk verweer gevoerd. Klaagster kan worden ontvangen in haar beroep. 
Inhoudelijk
4.4    In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de tandarts en is het door de tandarts gevoerde verweer tegen naar aanleiding van haar professioneel handelen geformuleerde klachten nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
4.5    In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 14 september 2022 is dat debat voortgezet.
4.6    Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
            verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter;
Y. Buruma en H. de Hek, leden-juristen en R. van der Velden en A. Vissink, 
leden-beroepsgenoten en mr. M. van Esveld, secretaris, 
Uitgesproken ter openbare zitting van 10 oktober 2022.
        Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.