ECLI:NL:TGZCTG:2022:141 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1033

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:141
Datum uitspraak: 18-07-2022
Datum publicatie: 28-07-2022
Zaaknummer(s): C2021/1033
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een gz-psycholoog. Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij het onderzoek dat hij op 6 januari 2011 bij haar heeft verricht, onder meer door te concluderen dat er geen sprake was van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), terwijl later is gebleken dat dit wel zo was. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht, omdat er op 11 maart 2014 al een onherroepelijke eindbeslissing is gewezen over het bij de klacht aan de orde gestelde handelen van de gz-psycholoog. Daarom kan de klacht van klaagster niet opnieuw worden behandeld. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1033 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., gz-psycholoog, destijds werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. M.M.A. Janssen, advocaat te Nijmegen.  
1.    Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 30 december 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam tegen C.– hierna de gz-psycholoog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 14 april 2021, onder nummer 20/284, heeft de voorzitter van dat college klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. 
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
Het Centraal Tuchtcollege heeft daarna nog een aantal stukken van klaagster ontvangen (brieven ingekomen op 18 mei 2022, 23 mei 2022 met bijlagen en op 
24 mei 2022 in persoon afgegeven multomap met inhoud). 
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2021/1032 (A./E.) behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 8 juni 2022, waar zijn verschenen klaagster, vergezeld door haar zus. Namens de gz-psycholoog is verschenen mr. Janssen. Partijen hebben op de zitting hun standpunten nader toegelicht. Klaagster heeft ter zitting een map met additionele stukken aan de wederpartij en het college overhandigd. Mr. Janssen heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota die zij aan de wederpartij en het Centraal Tuchtcollege heeft overhandigd. 
2.    Beslissing in eerste aanleg
De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft het volgende overwogen en geoordeeld.
“De voorzitter heeft kennisgenomen van het klaagschrift met bijlagen, de ingediende stukken, het aanvullende klaagschrift met bijlagen en de met de secretaris gevoerde correspondentie.
Klaagster heeft in haar klaagschrift – kort gezegd – aangevoerd dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld bij het psychologisch onderzoek dat hij op 6 januari 2011 bij haar heeft verricht. Volgens klaagster heeft hij haar niet serieus genomen en was door beklaagde reeds voorafgaand aan het onderzoek de conclusie getrokken dat er geen sprake was van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), terwijl later is gebleken dat dit wel zo was.
Klaagster heeft op 2 april 2012 over het handelen van beklaagde ook een klacht bij het college ingediend, geregistreerd onder nummer 12/143 GZP. Met die klacht verweet klaagster beklaagde  onder andere dat hij op 6 januari 2011: (volgende nummering door de voorzitter)
a)    voorafgaand aan de afronding van zijn onderzoek al stelde dat er geen sprake was van de diagnose PTSS;
b)    dat hij niet volledig volgens protocol onderzoek had verricht, en 
c)    dat hij niet tot de juiste diagnose – PTSS – was gekomen. 
Deze klacht is bij beslissing in raadkamer van het college van 19 februari 2013 afgewezen. Deze beslissing hield in – zakelijk weergegeven – dat het hier als a) aangeduide klachtonderdeel niet was komen vast te staan. Ten aanzien van klachtonderdeel b) kon beklaagde geen verwijt worden gemaakt van het feit dat reeds vóór het onderzoek gevraagde informatie pas na het onderzoek door klaagster was aangeleverd. Ook waren er, volgens deze beslissing, geen aanwijzingen die erop wezen dat beklaagde zijn onderzoek onzorgvuldig had uitgevoerd en dat hij tot een andere diagnose had moeten komen (klachtonderdeel c). Bij beslissing van 11 maart 2014 heeft het Centraal Tuchtcollege de beslissing van het college van 19 februari 2013 bekrachtigd en heeft daarmee een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing gewezen. 
Volgens klaagster is nu – onder meer door een latere diagnosestelling – duidelijk geworden dat de door beklaagde gestelde diagnose verkeerd was en klaagster stelt dit te kunnen onderbouwen met nieuwe stukken. Beklaagde zou bij het onderzoek in 2011 ook onzorgvuldig hebben gehandeld. Dat betekent dat de huidige door klaagster ingediende klacht is gebaseerd op dezelfde feiten en gronden als haar eerdere klacht. Dat inmiddels wel de diagnose PTSS is gesteld, maakt dat niet anders. Uit de klacht krijgt de voorzitter de indruk dat het voor klaagster moeilijk te aanvaarden is dat deze diagnose niet eerder (door beklaagde) is gesteld. Het niet stellen van de juiste diagnose is echter niet per definitie tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat is alleen het geval als de wijze waarop tot de onjuiste diagnose is gekomen niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De vraag of beklaagde bij zijn onderzoek en het stellen van de diagnose voldoende zorgvuldig te werk is gegaan, is in de eerdere beslissingen al (bevestigend) beantwoord.
Artikel 51 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bepaalt dat een zorgverlener niet opnieuw tuchtrechtelijk kan worden berecht voor handelen of nalaten waarover al een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is gewezen. Nu op 11 maart 2014 al een onherroepelijke eindbeslissing is gewezen over het bij de klacht aan de orde gestelde handelen van beklaagde, kan de klacht niet (opnieuw) worden behandeld. Klaagster kan dan ook niet in haar klacht worden ontvangen.”

3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten zoals weergegeven in de beslissing van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4.    Beoordeling van het beroep
Omvang van de zaak in beroep
4.1    De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Klaagster is het niet eens met deze beslissing. Het beroep van klaagster heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege klaagster alsnog ontvankelijk verklaart en de zaak terugverwijst naar het Regionaal Tuchtcollege voor inhoudelijke behandeling. 
4.2    De gz-psycholoog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij is van mening dat het beroep van klaagster moet worden verworpen en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege moet worden bevestigd. 
Inhoudelijke beoordeling 
4.3     In beroep moet het Centraal Tuchtcollege de vraag beantwoorden of de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege klaagster terecht niet-ontvankelijk in haar klacht heeft verklaard op grond van het “ne bis in idem” beginsel. Het Centraal Tuchtcollege beantwoordt die vraag bevestigend en legt hieronder uit hoe deze beslissing tot stand is gekomen. 
4.4    De door klaagster op 30 december 2020 tegen de gz-psycholoog ingediende klacht in de zaak 20/284 heeft betrekking op het handelen van de gz-psycholoog tijdens het onderzoek van 6 januari 2011. De kern van de klacht is - in deze en de eerder door klaagster tegen de gz-psycholoog aangespannen tuchtprocedure - dat de gz-psycholoog onzorgvuldig heeft gehandeld bij het onderzoek dat hij op 6 januari 2011 bij haar heeft verricht, onder meer door te concluderen dat er geen sprake was van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). 
4.5    In beroep betoogt klaagster dat de later, na het consult van 6 januari 2011 nieuwe diagnosestelling PTSS er toe zou moeten leiden dat haar klacht wel inhoudelijk wordt behandeld. De diagnosestelling zou tot de conclusie kunnen leiden dat het onderzoek van de gz-psycholoog niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen en dat er destijds een verkeerde diagnose en verkeerd advies is gegeven. 
4.6    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het zaaksdossier dat is opgebouwd door het Regionaal Tuchtcollege en van alle stukken die in beroep zijn ingediend, waaronder de brieven met bijlagen zoals hiervoor onder 1. genoemd, de inhoud van een groene multomap en van de bruine multomap die op de zitting door klaagster is uitgedeeld. Na het lezen van de stukken en het horen van partijen op de zitting komt het Centraal Tuchtcollege tot dezelfde constateringen als de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Dat op een latere datum dan het onderzoek van 6 januari 2011 wel PTSS bij klaagster is gediagnosticeerd, rechtvaardigt geen nieuwe behandeling van de klacht. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft terecht overwogen dat het(eventueel) gemist hebben van een diagnose niet per definitie tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dat is alleen het geval als de wijze waarop tot de onjuiste diagnose is gekomen niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De vraag of de gz-psycholoog bij zijn onderzoek en het stellen van de diagnose voldoende zorgvuldig te werk is gegaan, is in de eerdere eindbeslissing van het Centraal Tuchtcollege met nummer C2013.307 al (bevestigend) beantwoord.
4.7    Dit betekent dat klaagster in wezen klaagt over hetzelfde handelen van de gz-psycholoog waarover al eerder onherroepelijk is geoordeeld in de onder 4.6 genoemde eindbeslissing van het Centraal Tuchtcollege. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege terecht het standpunt ingenomen dat er sprake is van de “ne bis in idem” situatie. Klaagster kan dan ook niet in haar klacht worden ontvangen en het beroep wordt verworpen.
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter, L.F. Gerretsen-Visser en E.J. van Sandick, leden-juristen en M.A.J. Hagenaars en A. de Keijser, leden-beroepsgenoten, en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2022. 
Voorzitter  w.g.        Secretaris  w.g.