ECLI:NL:TGZCTG:2022:140 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1074
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:140 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-07-2022 |
| Datum publicatie: | 28-07-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2021/1074 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen oogarts. Klaagster is weduwe van patiënt. Klaagster verwijt de oogarts dat hij a. eind 2014 een te afwachtend beleid heeft gehanteerd bij de oogklachten van patiënt die TIA’s van het oog bleken te zijn en dat hij patiënt niet heeft geïnformeerd over de (recidive)risico’s hiervan, zoals het zijn van een voorbode van een herseninfarct en b. in 2015 een te afwachtend beleid heeft gehanteerd toen zich in 2015 opnieuw visusklachten voordeden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht omdat er gerede twijfel bestaat of klaagster de wil van patiënt vertegenwoordigt. Patiënt heeft namelijk na voorlichting door de oogarts over het niet volgen van het TIA-beleid ervoor gekozen dit beleid niet te volgen. Er zijn geen aanknopingspunten dat patiënt op enig moment daarna alsnog ontevreden is geweest over het handelen van de oogarts. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1074 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. J.R. Wildeboer te Hoofddorp,
tegen
C., oogarts, (destijds) werkzaam te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde:
mr. E.E. Rippen te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 17 september 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege
te Zwolle tegen C. - hierna de oogarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van
28 mei 2021, onder nummer 141/2020 heeft dat College klaagster niet-ontvankelijk verklaard
in haar klacht. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De oogarts
heeft een verweerschrift in beroep ingediend. De zaak is in beroep behandeld ter openbare
terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 30 mei 2022, waar zijn verschenen
klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde, en de oogarts, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Mr. Wildeboer heeft de standpunten van klaagster toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen
die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting
dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te
worden uitgegaan.
Klaagster is de weduwe van de heer E., geboren in 1941 en overleden in februari 2015
(hierna te noemen: patiënt).
Beklaagde werkte als oogarts in het F.-Ziekenhuis te D. (hierna te noemen: het ziekenhuis).
Beklaagde en patiënt kenden elkaar privé omdat zij allebei een bestuursfunctie hadden
bij dezelfde stichting.
In de zomer van 2013 was patiënt geopereerd aan een pancreaskopcarcinoom, gevolgd
door chemotherapie. Bij controle in november 2014 werd afgesproken dat een CT-abdomen
zou worden gemaakt, onder meer vanwege onbedoeld gewichtsverlies.
Op 10 november 2014 meldde patiënt zich met visusklachten bij de huisarts. Hij had
daarvoor gesproken met beklaagde, die adviseerde via de huisarts een afspraak met
hem te maken. De huisarts heeft dezelfde dag een verwijzing gemaakt met het verzoek
om een onderzoek in verband met verminderde visus en mouches. Bij de relevante probleem/episodelijst
vermeldde de huisarts het pancreaskopcarcinoom, een longembolie in 1998 en een allergie
voor acetylsalicylzuur.
Patiënt werd op 10 december 2014 gezien door beklaagde. Beklaagde noteerde de diagnose
amaurosis fugax OS. Bij beleid noteerde hij:
“besproken: geen TIA protocol
Evt. antistollen, echter allergie voor ASCAL
Fucithalmicrecept meegegeven ivm blepharitis.”
Voornoemde conclusie en beleid nam beklaagde ook op in zijn bericht aan de huisarts
van patiënt van 10 december 2014. In de middag van 15 december 2014 had patiënt kort
last van woordvindproblemen. Hij wilde daarvoor geen arts laten komen. De volgende
dag had patiënt bij het wakker worden weer woordvindproblemen. Bij de SEH van het
ziekenhuis werd een herseninfarct geconstateerd. Patiënt werd nog dezelfde dag opgenomen
op de stroke-unit van de afdeling neurologie van het ziekenhuis. Op 22 december 2014
werd patiënt voor klinische revalidatie opgenomen in revalidatiecentrum G.. De weekenden
en feestdagen bracht patiënt thuis door.
In het weekend van 10/11 januari 2015 kreeg patiënt opnieuw visusklachten. Op 12 januari
2015 nam de arts van het revalidatiecentrum contact op met de behandelend neuroloog.
Deze besloot tot het laten maken van een MRI cerebrum. Het beleid werd niet gewijzigd.
Een op 22 januari 2015 gemaakte MRI cerebrum toonde verse ischemie in meerdere stroomgebieden.
Op 28 januari 2015 werd patiënt vanwege een (groot) recidief herseninfarct opnieuw
in het ziekenhuis opgenomen. Na dit infarct verslechterde de situatie van patiënt
verder en is hij thuis overleden.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven - dat hij:
a. een te expectatief beleid heeft gehanteerd betreffende oogklachten, die TIA’s van
het oog bleken te zijn, die hij op 10 december 2014 bij patiënt constateerde alsmede
dat hij patiënt niet heeft geïnformeerd over de (recidive)risico’s hiervan, zoals
het zijn van een voorbode voor een herseninfarct;
b. een te expectatief beleid heeft gehanteerd toen zich op 10 januari 2015 opnieuw
visusklachten bij patiënt voordeden.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert primair aan dat klaagster niet-ontvankelijk is omdat zij met deze
procedure niet de wil van patiënt vertegenwoordigt en daarom niet als rechtstreeks
belanghebbende kan worden aangemerkt. Subsidiair voert beklaagde aan dat patiënt ook
na bespreking van de bevindingen en kans op herhaling aangaf geen behoefte te hebben
aan een behandeling volgens het TIA-protocol. Beklaagde heeft deze beslissing gerespecteerd.
Wel heeft hij patiënt geadviseerd de volgende dag naar de huisarts te gaan en in zijn
bericht aan de huisarts de allergieën vermeld en het advies ‘eventueel antistollen’
opgeschreven. Na 10 december 2014 is beklaagde niet meer bij de behandeling van patiënt
betrokken geweest. Mogelijk is hem in een privécontact om advies gevraagd, maar beklaagde
heeft daar geen herinnering aan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Een tuchtklacht kan worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. Volgens
vaste jurisprudentie kan een nabestaande ten aanzien van de medische behandeling van
een overleden patiënt een klacht indienen. Dit klachtrecht berust in dat geval niet
op een eigen klachtrecht van de nabestaande, maar op een klachtrecht dat is afgeleid
van de in het algemeen veronderstelde wil van de patiënt. Normaal gesproken wordt
bij een door een nabestaande ingediende klacht aangenomen dat de nabestaande de wil
van de overleden patiënt vertegenwoordigt. Bijzondere omstandigheden kunnen er echter
toe leiden dat aanleiding bestaat te twijfelen of de nabestaande daadwerkelijk de
wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt.
5.2
In deze zaak zijn zulke bijzondere omstandigheden aanwezig. Uit de stukken blijkt
dat klager in ieder geval tot ruim na het eerste infarct op 16 december 2014 wilsbekwaam
was en ondanks zijn afasie in staat was deze wil te uiten. Daarnaast blijkt uit de
aantekeningen van beklaagde, zoals die ook blijken uit de brief aan de huisarts
d.d. 10 december 2014, dat het al dan niet volgen van het TIA-protocol onderwerp van
gesprek is geweest en dat patiënt ervoor heeft gekozen dat protocol niet te volgen.
Beklaagde heeft ook toegelicht waarom patiënt ervoor koos het TIA-protocol niet te
willen volgen, dat patiënt de risico’s begreep en dat hij patiënt heeft gezegd de
volgende dag de huisarts te bezoeken. Het college heeft geen aanleiding aan deze lezing
te twijfelen. In het dossier is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat
patiënt op enig moment daarna (bijvoorbeeld nadat met het eerste infarct het risico
op een CVA zich verwezenlijkt had) alsnog ontevreden is geweest over het handelen
van beklaagde tijdens en naar aanleiding van dit consult. Integendeel, de vriendschappelijke
verhouding tussen patiënt en beklaagde is ook na het eerste infarct blijven bestaan.
Beklaagde heeft patiënt meermaals in privé-hoedanigheid bezocht in het revalidatiecentrum,
waarbij patiënt niet heeft laten blijken ontevreden te zijn met het handelen van beklaagde.
Ook klaagster heeft niet naar voren gebracht dat patiënt zelf ontevreden was over
het handelen van beklaagde en daarover een klacht wilde indienen.
Evenmin zijn er aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat patiënt ontevreden
was over contacten met beklaagde na 10 december 2014. Beklaagde was op dat moment
niet meer bij de behandeling van patiënt betrokken. Het is mogelijk dat hij in de
vriendschappelijke verhouding heeft geadviseerd nieuwe visusklachten met de behandelaren
te bespreken. Dat patiënt daarmee ontevreden was en hierover wilde klagen heeft hij
beklaagde in ieder geval nooit laten merken. Daarbij geldt ook ten aanzien van dit
(mogelijke) handelen dat klaagster niet naar voren heeft gebracht dat patiënt daar
zelf ontevreden over was.
5.3
Al deze omstandigheden samen leiden ertoe dat er gerede twijfel bestaat of klaagster
de wil van patiënt vertegenwoordigt. Dat betekent dat klaagster niet kan worden ontvangen
in haar klacht.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave
in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
om haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht. Klaagster wenst dat haar klacht
inhoudelijk behandeld wordt. Verder maakt klaagster bezwaar tegen - kort gezegd -
de manier waarop het Regionaal Tuchtcollege haar klacht tijdens de zitting in eerste
aanleg heeft behandeld.
4.2 De oogarts heeft in beroep verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege
het beroep van klaagster te verwerpen.
4.3 Klaagster voert aan dat zij bij het Regionaal Tuchtcollege onvoldoende in staat
is gesteld om haar verhaal te vertellen. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat -
als er al sprake zou zijn van een tekortkoming van de behandeling van de zaak in eerste
aanleg - deze is hersteld door de behandeling van de klacht in beroep waar partijen
in de gelegenheid zijn gesteld zowel schriftelijk als mondeling hun standpunten naar
voren te brengen en (verder) te onderbouwen.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste
aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk
en mondeling gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door
ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal
Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 30 mei 2022 is dat debat voortgezet.
4.5 Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege
niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen
dan die van het College in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel
dat het Regionaal Tuchtcollege op goede gronden heeft geoordeeld dat klaagster niet
in haar klacht kan worden ontvangen. Het uitgangspunt is dat in de situatie dat een
nabestaande een klacht heeft over de behandeling van een overleden patiënt aangenomen
wordt dat de nabestaande de wil van de overledene vertegenwoordigt, tenzij sprake
is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan twijfel bestaat of dat wel het geval
is. Het is aan de beklaagde om op die bijzondere omstandigheden te wijzen. Het Centraal
Tuchtcollege handhaaft dit uitgangspunt. Indien -zoals bepleit door de oogarts- wordt
aangenomen dat een nabestaande uitsluitend op grond van bijzondere omstandigheden
klachtgerechtigd is (waarop de nabestaande dan zal moeten wijzen), zou immers de werking
van het laagdrempelige tuchtrecht te veel worden beperkt.
4.6 In deze zaak heeft de oogarts gewezen op bijzondere omstandigheden die aanleiding
geven om te betwijfelen of klaagster daadwerkelijk de wil van de overleden patiënt
vertegenwoordigt. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft in dit kader de door het
Regionaal Tuchtcollege onder 5.2 genoemde omstandigheden en voegt daar nog aan toe
dat klaagster niet bij het gesprek tussen de oogarts en patiënt op 10 december 2014
aanwezig is geweest. Daardoor kan zij, anders dan de oogarts, niet uit eigen wetenschap
verklaren wat tijdens dit gesprek precies is gezegd en besproken. De oogarts heeft
verklaard dat patiënt geen behandeling wenste en dat hij dat ook in het medisch dossier
heeft genoteerd. Alleen al daarom is er grond om eraan te twijfelen of patiënt zou
hebben willen klagen over het te expectatieve beleid van de oogarts. Dat klaagster
veronderstelt dat haar echtgenoot iets anders wilde dan uit het medisch dossier naar
voren komt, is onvoldoende om te komen tot een ander oordeel.
4.7 Het voorgaande betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; A.S. Gratama en J.
Legemaate, leden-juristen en C.A. Eggink en P.J. Ringens, leden-beroepsgenoten en
M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 18 juli 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.