ECLI:NL:TGZCTG:2022:137 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1082
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:137 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-07-2022 |
| Datum publicatie: | 28-07-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2021/1082 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Klager staat sinds 2015 als patiënt ingeschreven bij de praktijk van de beklaagde huisarts. Bij klager is in 2019 prostaatkanker vastgesteld. Klager stelt dat hij in de tijd daarvoor de huisarts meerdere keren heeft gevraagd om een PSA-bepaling te laten doen. In zijn klaagschrift verwijt klager de huisarts dat hij a) nalatig is geweest door geen (half)jaarlijkse PSA-bepaling te laten doen bij klager waardoor pas in een laat stadium de diagnose prostaatkanker is gesteld; b) klager niet de keuze heeft geboden om de (half)jaarlijkse PSA-bepaling op eigen kosten te laten verrichten en c) klagers medisch dossier niet goed heeft bijgehouden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel a. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt dit beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1082 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., huisarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. L. Beij.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 7 juli 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven
tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 23 juni 2021,
onder nummer 2085, heeft dat College de klacht ongegrond verklaard. Klager is van
die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep
ingediend. De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal
Tuchtcollege van 13 juni 2022, waar zijn verschenen klager en de arts, laatst-genoemde
bijgestaan door mr. L. Beij. De zaak is over en weer toegelicht. De zoon van klager
heeft ook het woord gevoerd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Klager heeft lange tijd in D. gewoond. In 2015 heeft hij zich als patiënt ingeschreven
bij de praktijk van de huisarts. De huisarts is werkzaam in een duopraktijk. Klager
heeft de praktijk van mei 2015 tot en met februari 2019 in totaal 21 keer bezocht,
met betrekking tot uiteenlopende klachten. Hij is in deze periode zestien keer door
de huisarts gezien, de overige keren door de duocollega van de huisarts en waarnemers.
Klager heeft de huisarts tweemaal geconsulteerd vanwege buikklachten. Op 27 september
2016 klaagde hij over bloed bij de ontlasting en pijn in de onderbuik. De huisarts
heeft klager verwezen naar de MDL-arts voor nader onderzoek, daarbij zijn geen afwijkingen
geconstateerd. Op 7 februari 2019 heeft klager de huisarts bezocht met klachten over
een zeurend en drukkend gevoel in de onderbuik. Klager heeft aangegeven dat hij graag
een PSA-bepaling wilde laten doen. De huisarts heeft geadviseerd af te wachten. Toen
de buikklachten aanhielden, heeft de huisarts een bloedonderzoek laten uitvoeren.
Uit dat onderzoek bleken verhoogde PSA-waarden. De huisarts heeft klager verwezen
naar de uroloog, die de diagnose prostaatkanker heeft gesteld.
3. De klacht
3.1 Klager verwijt de huisarts, zakelijk weergegeven, dat hij:
a. nalatig is geweest door geen (half)jaarlijkse PSA-meting te verrichten bij klager
waardoor pas in een laat stadium de diagnose prostaatkanker is gesteld;
b. klager niet de keuze heeft geboden om de (half)jaarlijkse PSA-meting op eigen kosten
te laten verrichten;
c. klagers medisch dossier niet goed heeft bijgehouden.
Klager heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd.
Toen klager nog in D. woonde, werd er jaarlijks bloedonderzoek gedaan naar (onder
meer) zijn PSA-waardes. Hij heeft sinds 2015 herhaaldelijk bij de huisarts aangegeven
dat hij buikpijnklachten had en dat zijn vader als gevolg van prostaatkanker is gecrepeerd
en heeft daarom steeds - ongeveer acht keer - aangedrongen op bloedonderzoek om zijn
PSA-waardes te laten bepalen. De huisarts stelde zich op het standpunt dat er niks
aan de hand was zolang klager goed kon plassen. Hij wilde geen PSA-bepaling laten
doen, omdat volgens hem in Nederland geen preventief onderzoek wordt verricht naar
prostaatkanker vanwege de hoge kosten. Toen klager in februari 2019 bij de huisarts
aangaf buikklachten te hebben, is hij na een vluchtig onderzoek naar huis gestuurd
omdat de huisarts wilde afwachten. Te laat is de diagnose prostaatkanker gesteld.
Er is geen genezing meer mogelijk, klager resten enkel nog hormoonbehandelingen om
verspreiding en verergering te voorkomen.
De huisarts had, gelet op de buikklachten en het feit dat de vader van klager is overleden
aan prostaatkanker, eerder en op eigen initiatief dan wel op verzoek van klager de
PSA-waardes preventief moeten laten controleren. In dat geval zouden er nog geen uitzaaiingen
zijn geweest en had de tumor operatief verwijderd kunnen, zodat genezing nog mogelijk
was geweest. Indien dit volgens de NHG-standaard niet mogelijk was, had de huisarts
klager erop moeten wijzen dat hij dit relatief goedkope onderzoek op eigen kosten
kon laten uitvoeren.
De huisarts heeft tijdens het laatste consult in juli 2019 toegegeven dat hij een
fout heeft gemaakt.
Klager heeft verschillende keren, tijdens consulten in verband met andere klachten,
verzocht om preventief onderzoek en verwijt de huisarts dat dit niet in het dossier
terug te vinden is.
4 Het standpunt van de huisarts
De huisarts is nooit door klager of diens D.-se huisarts geïnformeerd dat zijn vader
overleden was aan prostaatkanker. Bij de bloeduitslagen in het D.-se dossier heeft
de huisarts ook geen PSA-bepalingen aangetroffen. De huisarts heeft verschillende
keren bloedonderzoek laten verrichten maar hij heeft geen aanleiding gezien daarbij
de PSA-waardes te laten bepalen, omdat klager geen klachten aangaf die kenmerkend
zijn voor prostaatkanker. Om diezelfde reden heeft hij ook klager niet gewezen op
de mogelijkheid dit onderzoek op eigen kosten te laten verrichten.
Klager heeft slechts tweemaal aangegeven buikklachten te hebben, in september 2016
en in februari 2019. De huisarts heeft steeds adequaat gereageerd door klager door
te verwijzen. In 2016 heeft hij klager verwezen naar de MDL-arts. Toen klager in februari
2019 buikklachten uitte, was er geen sprake van een veranderd ontlastingspatroon en
plasklachten of koorts. Op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek heeft
de huisarts laboratoriumonderzoek laten verrichten. Hij heeft klager geadviseerd in
de tussentijd de ontwikkeling van de klachten af te wachten. Naar aanleiding van de
verhoogde PSA-waardes heeft de huisarts vervolgens een rectaal onderzoek verricht
en klager verwezen naar de uroloog.
De huisarts betwist dat klager hem herhaaldelijk heeft verzocht preventief de PSA-waardes
te laten onderzoeken. Dit blijkt ook niet uit het dossier. Klager heeft de huisarts
slechts één keer gevraagd naar een PSA-test, na afloop van een consult met betrekking
tot andere klachten. Dit was ruim vóór februari 2019. De huisarts heeft aan klager
uitgelegd dat volgens de NHG-standaard M42, "Mictieklachten bij mannen" (hierna: de
richtlijn) in Nederland geen preventief onderzoek naar prostaatkanker wordt verricht.
De huisarts heeft dit niet in het dossier genoteerd. Hij geeft aan dat terloopse vragen
die na afloop van een consult "in de deuropening" worden gesteld, over andere zaken
dan betrekking hebbend op dat consult, niet altijd in het medisch dossier worden opgenomen.
Indien klager echter regelmatig gevraagd zou hebben om preventief onderzoek naar PSA-waardes,
zou de huisarts dit zeker hebben genoteerd.
Tijdens het consult in juli 2019 heeft de huisarts slechts aangegeven dat het fout
is gelopen, niet dat hij een fout heeft gemaakt.
5 De overwegingen van het college
Klachtonderdelen a. en b.
5.1 Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen gaat het er niet
om of dat handelen beter had gekund, maar om de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar
binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening
houdend met de stand van de wetenschap op het moment van het klachtwaardig geachte
handelen en met wat toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.
5.2 Het college overweegt dat de richtlijn geen standaard (half)jaarlijkse preventieve
prostaatkankerscreening voorschrijft, ook niet in gevallen waarin in de naaste familie
van de patiënt prostaatkanker voorkomt. Ingevolge de richtlijn dient de huisarts bij
een verzoek om een (preventieve) PSA-bepaling met de patiënt te bespreken dat een
positieve uitslag niet per definitie betekent dat er sprake is van prostaatkanker
en hem te informeren over het risico van overdiagnostisering. Indien de patiënt duidelijk
is geïnformeerd over de voor- en nadelen van een PSA-bepaling en zijn verzoek desondanks
handhaaft, kan de huisarts besluiten om aan het verzoek te voldoen.
5.3 Uit het dossier blijkt dat klager de huisarts in 2016 en 2019 heeft geconsulteerd
in verband met buikklachten. Deze door klager gemelde buikklachten waren geen reden
voor een (preventieve) PSA-bepaling. De huisarts heeft adequaat op de klachten gereageerd
door vervolgonderzoek te doen en klager door te verwijzen.
5.4 Klager stelt dat hij tijdens het intakegesprek in 2015 en ook herhaaldelijk daarna
heeft gemeld dat zijn vader is overleden (gecrepeerd) aan prostaatkanker en dat hij
de huisarts meerdere malen ("ongeveer acht keer") na afloop van een consult heeft
verzocht om een PSA-bepaling te laten doen. De huisarts betwist dat klager hem verteld
heeft dat zijn vader aan prostaatkanker is overleden. De huisarts erkent dat klager
hem éénmaal terloops heeft gevraagd naar een PSA-bepaling, maar betwist dat klager
dit vaker aan de orde heeft gesteld. Uit het dossier blijkt dat de dossiervoering
van de huisarts uitgebreid en nauwgezet is. Het college gaat in beginsel uit van de
juistheid van de inhoud van een medisch dossier, tenzij het tegendeel blijkt of aannemelijk
wordt gemaakt. Aangezien in het dossier geen steun is te vinden voor de stellingen
van klager, had het op de weg van klager gelegen die stellingen nader te onderbouwen,
door bijvoorbeeld te preciseren wanneer hij dit heeft besproken, met wie en/of in
welk kader. Nu hij dit alles heeft nagelaten, heeft het college onvoldoende aanknopingspunten
om tot de overtuiging te komen dat het zo is gegaan zoals door klager is gesteld.
5.5 Nu er dus van uitgegaan moet worden dat de huisarts niet wist dat de vader van
klager is overleden aan prostaatkanker, dat klager slechts éénmaal na afloop van een
consult terloops heeft verzocht om een PSA-bepaling en er daarnaast geen sprake was
van klachten die zouden kunnen duiden op prostaatkanker, komt het college tot het
oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen
PSA-bepaling te laten doen eerder dan februari 2019. Om dezelfde redenen bestond er
ook geen aanleiding voor de huisarts om klager te wijzen op de mogelijkheid om het
onderzoek op eigen kosten te laten uitvoeren. Het voorgaande wordt niet anders in
het geval er in de naaste familie prostaatkanker voorkomt.
5.6 Vast staat dat klager in ieder geval éénmaal na afloop van een consult heeft gevraagd
om een PSA-bepaling. Gelet op hetgeen de richtlijn voorschrijft is het antwoord op
een dergelijke vraag naar het oordeel van het college te veelomvattend om "in de deuropening"
te bespreken. Het was beter geweest als de huisarts aan klager had voorgesteld een
nieuwe afspraak te maken om die vraag zorgvuldig te bespreken. Het feit dat de huisarts
dat heeft nagelaten, levert naar het oordeel van het college echter geen tuchtrechtelijk
verwijt op.
Klachtonderdeel c.
5.7 Het intakegesprek in 2015 is gevoerd door een ander dan de huisarts, zodat het
feit dat (mogelijk) verzuimd is in het dossier op te nemen dat de vader van klager
aan prostaatkanker is overleden, niet aan de huisarts kan worden verweten.
5.8 De huisarts heeft de terloopse vraag van klager om een PSA-bepaling in algemene
zin beantwoord en hierover niets in het dossier genoteerd. Hoewel een huisarts alert
dient te zijn op het belang van dergelijke vragen en opmerkingen van een patiënt die
niet rechtstreeks betrekking hebben op het voorafgaande consult, kan van een hulpverlener
niet verlangd worden dat hij elke, buiten het consult om gestelde, vraag of opmerking
noteert. Nu de dossiervoering van de huisarts overigens uitgebreid en nauwgezet is,
acht het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaat dat de huisarts een éénmalige, buiten
het consult om gestelde vraag over preventief onderzoek naar prostaatkanker niet in
het dossier heeft genoteerd.
Conclusie
5.9 Uit het voorgaande volgt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. De klacht wordt
daarom in zijn geheel ongegrond verklaard.”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor
onder “2. De feiten” zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het beroep
Procedure
4.1 In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen/nalaten
van de arts nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal
Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde
klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat. Het door het
Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door
ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal
Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 13 juni 2022 is dat debat voortgezet.
4.2 Het beroep van klager richt zich alleen tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel
a. Klachtonderdelen b en c zijn daardoor niet meer aan de orde in beroep.
4.3 De arts kan zich vinden in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en
stelt zich op het standpunt dat het beroep van klager moet worden verworpen.
Beoordeling
4.4 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat bij de tuchtrechtelijke beoordeling
van het professionele handelen van de arts het niet gaat om de vraag of dat handelen
beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de arts bij zijn
beroepsmatige handelen vanuit tuchtrechtelijk standpunt bezien is gebleven binnen
de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdende met de stand
van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen
in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.
4.5 Met het Regionaal Tuchtcollege overweegt het Centraal Tuchtcollege dat de NHG-standaard
M42 ‘Mictieklachten bij mannen, inclusief de bijlage prostaatcarcinoom’ (hierna: de
richtlijn) geen standaard (half)jaarlijkse preventieve prostaatkankerscreening voorschrijft,
ook niet in gevallen waarin in de naaste familie van de patiënt prostaatkanker voorkomt,
tenzij conform de richtlijn een gerechtvaardigd vermoeden bestaat op erfelijke prostaatkanker.
Volgens de richtlijn dient de huisarts bij een verzoek om een PSA-bepaling in het
kader van vroegdiagnostiek op prostaatkanker met de patiënt te bespreken dat een positieve
uitslag niet per definitie betekent dat er sprake is van prostaatkanker en hem te
informeren over de risico’s van ‘over-diagnostiek’. Indien de patiënt duidelijk is
geïnformeerd over de voor- en nadelen van een PSA-bepaling, al dan niet gebruik makend
van beschikbare (online) keuzehulpen, en zijn verzoek desondanks handhaaft, kan de
huisarts besluiten om aan het verzoek tot vroegdiagnostiek te voldoen, bestaande uit
een rectaal toucher ter beoordeling van de prostaat, gevolgd door een PSA-bepaling.
4.6 Uit het dossier blijkt dat klager de arts in 2016 en 2019 heeft geconsulteerd
in verband met buikklachten. Deze door klager gemelde buikklachten waren geen reden
voor een (preventieve) PSA-bepaling. De arts heeft adequaat op de klachten gereageerd
door vervolgonderzoek te doen en klager door te verwijzen.
4.7 Klager stelt dat hij de arts meerdere keren heeft verzocht een PSA-bepaling
te laten doen. Het medisch dossier maakt hier geen melding van en de arts betwist
dit. De arts stelt dat klager hem wel eenmaal terloops heeft gevraagd naar een PSA-bepaling,
in de deuropening na afloop van een consult met betrekking tot andere klachten. De
arts heeft klager toen onder verwijzing naar de richtlijn uitgelegd dat er in Nederland
geen standaard (half)jaarlijkse preventieve PSA-bepaling plaatsvindt.
4.8 Gelet op de uitgebreide en nauwgezette manier van dossiervoering en op het
feit dat klager zijn stelling niet met objectieve gegevens of anderszins onderbouwt,
acht het Centraal Tuchtcollege het niet aannemelijk dat klager op een later moment
is teruggekomen op voornoemd gesprek in de deuropening of anderszins herhaaldelijk
heeft aangedrongen op een PSA-bepaling. De arts heeft ter zitting verklaard dat, als
dat het geval zou zijn geweest, hij gevolg zou hebben gegeven aan het verzoek van
klager. Het Centraal Tuchtcollege heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Uit het
medisch dossier volgt immers dat er wel meerdere keren op verzoek van klager andersoortig
laboratoriumonderzoek is verricht.
4.9 Nu er dus van uit moet worden gegaan dat klager alleen eenmaal terloops heeft
gevraagd naar een PSA-bepaling en er geen sprake was van klachten die zouden kunnen
duiden op prostaatkanker, komt het Centraal Tuchtcollege met het Regionaal Tuchtcollege
tot het oordeel dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door
niet eerder dan in februari 2019 een PSA-bepaling te laten doen, toen daar op basis
van concrete klachten aanleiding toe was. Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal
Tuchtcollege van oordeel dat, gelet op hetgeen de richtlijn voorschrijft, het antwoord
op de eenmalige vraag van klager naar een PSA-bepaling te veel omvattend is om in
de deuropening te bespreken. Het was beter geweest als de arts aan klager had voorgesteld
een nieuwe afspraak te maken om die vraag zorgvuldig te bespreken. Het feit dat de
arts dat niet heeft gedaan, levert naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
evenwel geen tuchtrechtelijk verwijt op.
4.10 Aan het vorenstaande doet niet af de stelling van klager, die door zijn zoon
op de zitting in beroep is bevestigd maar die door de arts uitdrukkelijk wordt betwist,
dat de arts tijdens een gesprek met klager, waarbij ook diens zoon aanwezig was, zou
hebben gezegd dat hij een fout heeft gemaakt door geen PSA-bepaling te doen. Wat daar
ook van zij, het Centraal Tuchtcollege beoordeelt het handelen van de arts en komt
tot de conclusie dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.11 Het voorgaande betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. Daalder, voorzitter; T. Dompeling en H. de Hek,
leden- juristen en W. de Ruijter en M.G.M. Smid-Oostendorp, leden-beroepsgenoten en N.
Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 18 juli 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.