ECLI:NL:TGZCTG:2022:132 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1160
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:132 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-07-2022 |
| Datum publicatie: | 28-07-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2021/1160 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen cosmetisch arts. Klaagster is ontevreden over de liposuctiebehandeling zoals die door verweerder is uitgevoerd. Zij verwijt verweerder dat hij zonder toestemming de behandeling door een andere arts heeft laten uitvoeren en dat het hechten van de wond niet volgens afspraak heeft plaatsgevonden, dat hij onjuiste informatie over de behandeling heeft verstrekt, niet de afgesproken pijnstilling en niet de goede nazorg heeft gegeven en dat zijn dossiervorming onzorgvuldig is geweest terwijl hij klaagster geen of onvoldoende inzage in dat dossier heeft gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
zaaknummer Centraal Tuchtcollege: C2021/1160
zaaknummer Regionaal Tuchtcollege in Groningen: G2020/27 (ECLI:NL:TGZRGRO:2021:28)
beslissing in de zaak van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, gemachtigde: mr. A.B. Noordhof, advocaat in Eindhoven,
tegen
C., arts, werkzaam in D., verweerder in beide instanties,
hierna: de arts, gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, advocaat in Utrecht.
1. Procesverloop
Klaagster heeft op 22 mei 2020 een klacht ingediend tegen de arts bij het Regionaal
Tuchtcollege in Zwolle. De klacht is doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege
in Groningen en daar ontvangen op 15 juni 2020. Dit College heeft de klacht in zijn
beslissing van 1 oktober 2021 ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen die beslissing
beroep ingesteld. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld op de zitting van 11 mei 2022. Klaagster en de arts
zijn beiden verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten
op de zitting verder toegelicht. Mr. Noordhof heeft daarbij gebruik gemaakt van notities.
Het Centraal Tuchtcollege heeft een kopie van die notities ontvangen.
2. Waar gaat deze zaak over?
2.1 De arts werkt als cosmetisch arts in zijn eigen kliniek. In oktober 2015 heeft
hij klaagster voor het eerst gezien omdat klaagster een liposuctiebehandeling wilde
ondergaan. Het tweede contact was in december 2016 en in juli 2017 is klaagster akkoord
gegaan met de offerte voor de ingreep, die in twee delen zou plaatsvinden.
2.2 Op 4 augustus 2017 vond de eerste ingreep plaats. Naast de arts waren daarbij
twee assistenten en een arts, de heer E. (verder: E.), aanwezig. Enige tijd na deze
ingreep heeft klaagster haar onvrede over de ingreep en de gang van zaken tijdens
die ingreep aan de arts kenbaar gemaakt. Er is geen tweede ingreep uitgevoerd.
2.3 De klacht zoals klaagster die heeft ingediend bestond uit zeven onderdelen.
Klaagster verwijt de arts daarmee (1) dat hij zonder toestemming de behandeling door
een andere arts heeft laten uitvoeren en (2) dat het hechten van de wond niet volgens
afspraak heeft plaatsgevonden. Klaagster verwijt de arts dat hij (3) onjuiste informatie
over de behandeling heeft verstrekt, (4) niet de afgesproken pijnstilling en (5) niet
de goede nazorg heeft gegeven en (6) dat zijn dossiervorming onzorgvuldig is geweest
(7) terwijl hij klaagster geen of onvoldoende inzage in dat dossier heeft gegeven.
2.4 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht op alle punten afgewezen. De bedoeling
van het beroep van klaagster is dat de klacht door het Centraal Tuchtcollege alsnog
(gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard.
3. Het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
3.1 Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klaagster hierna bespreken. De
conclusie zal zijn dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in stand blijft.
3.2 In beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en verder toegelicht. Zij stelt
in beroep bovendien dat er geen informed consent was. Voor wat betreft dit laatste
punt heeft de arts betoogd dat klaagster op dit punt niet-ontvankelijk is omdat zij
hiermee in beroep een nieuwe klacht heeft geformuleerd.
3.3 Het Centraal Tuchtcollege oordeelt als volgt.
Uitbreiding van de klacht in beroep is niet toegestaan
3.4 Een klager kan in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal
Tuchtcollege voorleggen die ook aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn
voorgelegd, en dan alleen voor zover hij in die klachten niet-ontvankelijk is verklaard
of die klachten zijn afgewezen. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep.
Voor zover klaagster stelt dat er geen sprake was van informed consent oordeelt het
Centraal Tuchtcollege dat hier sprake is van een nieuwe klacht en dat klaagster daarin
dus niet kan worden ontvangen.
Klachtonderdeel 1: Uiteenlopende lezingen over de rol van E.
3.5 Partijen zijn het eens over het feit dat al dan niet expliciet was afgesproken
dat de ingreep door de arts zelf zou worden uitgevoerd, maar klaagster blijft ook
in beroep bij haar stelling dat een deel van die ingreep desondanks door E. is verricht.
Klaagster stelt dat zij dit heeft kunnen zien toen zij tijdens de ingreep het gordijn
opzijschoof en dit ook heeft kunnen afleiden uit wat er tijdens de ingreep door de
arts is gezegd. Daarnaast wijst zij op het medisch dossier waarin “suctie met F. (CTG:
dit is de voornaam van E.)” vermeld staat.
De arts heeft tijdens de zitting in beroep verduidelijkt dat E. gesolliciteerd had
naar een functie in de kliniek en om die reden korte tijd met de arts ‘meeliep’. De
arts handhaaft zijn stelling dat E. alleen bij de ingreep aanwezig was en geen enkele
handeling heeft verricht. De arts stelt bovendien dat het voor klaagster niet mogelijk
is geweest het gordijn tijdens de ingreep opzij te schuiven omdat dat gordijn met
een plakstrip aan de patiënt wordt vastgemaakt. De vermelding “suctie met F.” in het
dossier diende volgens de arts als geheugensteun, zodat hij later zicht had op de
momenten waarop E. in de kliniek aanwezig was geweest.
3.6 De lezingen van partijen over de rol van E. lopen ook in beroep dus nog altijd
uiteen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn uitspraak overwogen dat een klacht
niet gegrond kan worden verklaard als niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke
gang van zaken is geweest. Het lag op de weg van klaagster om in beroep haar stelling
dat E. een deel van de ingreep heeft verricht voldoende feitelijk te onderbouwen,
bijvoorbeeld met getuigenverklaringen van de bij de ingreep aanwezige assistenten.
Omdat een feitelijke onderbouwing van haar stelling ook in beroep ontbreekt oordeelt
ook het Centraal Tuchtcollege dat klachtonderdeel 1 ongegrond is. Het beroep van klaagster
slaagt hier niet.
Klachtonderdeel 2: uiteenlopende lezingen over het aantal hechtingen
3.7 Ook over het afgesproken aantal hechtingen dat geplaatst zou worden verschillen
de lezingen van partijen. De arts betwist de stelling van klaagster dat er is afgesproken
dat er na de ingreep vijf hechtingen zouden worden geplaatst en deze afspraak staat
ook niet genoteerd in het medisch dossier. De arts heeft tijdens de zitting in beroep
verklaard dat vijf hechtingen bij een kleine incisie als hier aan de orde de afvoer
van de verdovingsvloeistof zou belemmeren en dat hij zich daarom niet kan voorstellen
dat hij hierover een afspraak zou hebben gemaakt zoals klaagster stelt.
Omdat niet kan worden vastgesteld dat er een afspraak over het aantal hechtingen is
gemaakt heeft het Regionaal Tuchtcollege het er in zijn beslissing voor gehouden dat
die afspraak ook niet is gemaakt en de klacht daarom op dit punt ongegrond verklaard.
Daarnaast heeft het Regionaal Tuchtcollege overwogen dat vijf hechtingen in dit geval
ook niet nodig waren. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft deze overweging en dit
oordeel zodat het beroep van klaagster ook hier niet slaagt.
De overige klachtonderdelen zijn ongegrond
3.8 Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing onder 5.3 tot en met 5.5
goed onderbouwd geoordeeld dat de klachtonderdelen 3 tot en met 7 die gaan over de
informatie over de behandeling, de pijnstilling, de nazorg en het dossier en de inzage
daarin ongegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze overwegingen
en dit oordeel, zodat het beroep van klaagster ook hier niet slaagt.
Conclusie
3.9 Het beroep van klaagster wordt verworpen.
4. De beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor zover zij in beroep een nieuwe klacht heeft
geformuleerd;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser
en A.S. Gratama, leden-juristen en R.B. Karim en H.M.E. Quarles van Ufford, leden-beroepsgenoten
en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 18 juli 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.