ECLI:NL:TGZCTG:2022:116 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1106
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:116 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-06-2022 |
| Datum publicatie: | 14-06-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2021/1106 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verzekeringsarts. Klaagster werd in 2011 voor <35% arbeidsongeschikt geacht. In maart 2013 meldde klaagster zich aansluitend op haar bevallingsverlof toegenomen arbeidsongeschikt, waarna zij het spreekuur van de verzekeringsarts heeft bezocht. De verzekeringsarts heeft een medische rapportage opgesteld. Daarin concludeert hij dat klaagster per mei 2013 volledig geschikt is voor de functie van productiemedewerkster, ondanks haar klachtenpatroon. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij haar niet heeft onderzocht, haar niet serieus heeft genomen; tijdens het spreekuur keek hij steeds op zijn mobiel en op de klok, de door klaagster meegebrachte medische gegevens niet wilde bekijken, een onjuist medisch rapport over haar heeft opgesteld, geen dossierstudie heeft gedaan maar heeft geknipt en geplakt uit andere dossiers en teksten heeft verdraaid, en dat hij al vastberaden was klaagster hersteld te melden maar loog dat hij eerst nog met collega’s ging overleggen. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht in alle onderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1106 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: C. te B.,
tegen
D., verzekeringsarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties, gemachtigde:
mr. A.B. Schippers-Juergens te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 19 oktober 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te
Eindhoven tegen D. – hierna de verzekeringsarts – een klacht ingediend. Bij beslissing
van 7 juli 2021, onder nummer E2021/2530, heeft dat college de klacht ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De verzekeringsarts heeft
een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege
van 25 april 2022, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mevrouw C., en
de verzekeringsarts, bijgestaan door mr. Schippers-Juergens.
Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Mr. Schippers-Juergens heeft dat
gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan de wederpartij en het College
heeft overhandigd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft het volgende overwogen en geoordeeld.
2. De feiten
2.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of verweerder bij de totstandkoming van
een medische rapportage in het kader van een ziektewetbeoordeling, heeft gehandeld
als een redelijk bekwaam en redelijk handelend verzekeringsarts.
Bij de beoordeling van die vraag, gaat het college uit van de volgende feiten.
2.2 Bij klaagster, geboren in 1977, vond in 2011 een WIA-beoordeling plaats. Per
23 juli 2011 werd zij in het kader van die beoordeling voor <35% arbeidsongeschikt
geacht.
2.3 Per 27 maart 2013 meldde klaagster zich aansluitend op haar bevallingsverlof
toegenomen arbeidsongeschikt. Op 1 mei 2013 bezocht zij het spreekuur van verweerder.
Verweerder schreef hierover in zijn rapportage (alle citaten zijn inclusief eventuele
taal- en typefouten):
“2. Onderzoek gegevens: (…)
WIA-verleden:
Verzekerde is met ingang van 23-07-2011 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt in het
kader van de WIA verklaard wegens Aanpassingsstoornis, chronisch aspecifieke lage
rugklachten en ook wegens persoonlijkheidsstoornis.
(…)
2.2.Lichamelijk onderzoek:
a) Verzekerde liep normaal.
b) Verzekerde zat op de stoel normaal.
c) Alle bewegingen van de rug worden normaal uitgevoerd.
d) Er is geen sprake van hypo of hypertonie van de paralumbale spieren.
e) ASRT is negatief bilateraal.
f) Rechter heup: geen bijzonderheden.
2.3 Onderzoek psyche:
Geen bijzonderheden.
2.4 Informatie van derden:
Er werd geen informatie bij de behandelende sector opgevraagd, aangezien op grond
van de beschikbare medische gegevens voldoende informatie aanwezig is om tot een besluit
te komen. Het opvragen van aanvullende informatie bij de behandelende arts heeft daarom
geen toegevoegde waarde.
3. Diagnose
8P109 Spanningsklachten bij een persoon met sterke Borderline persoonlijkheidstrekken.
4. De beschouwing:
(…)
De claimklacht:
Verzekerde heeft zich per 27-03-2013 vanuit de WW aansluitend aan het einde van het
bevallingsverlof wegens lichamelijke en psychische klachten ziek gemeld. Volgens verzekerde
heeft zij last van haar rechter heup. Volgens verzekerde was zij ook tijdens de zwangerschap
arbeidsongeschikt ten gevolge van de zwangerschapsgerelateerde klachten (zwangerschapssuikerziekte).
Volgens verzekerde heeft zij ook last van psychische klachten. Verzekerde is (…) bevallen
en het bevallingsverlof is dd. 27-03-2013 beeindigt.
Volgens verzekerde heeft zij nog steeds last van rechter heupklachten en in dit kader
gaat verzekerde een keer per week naar de fysiotherapeut.
Voor haar psychische klachten is verzekerde niet meer onder behandeling van de psycholoog
van E. en zij is al sinds vorig jaar met het gebruik van medicijnen gestopt. (…)
De weging:
i. Op dit moment is er geen sprake van forse psychopathologie.
ii. Aan de hand van het verrichte lichamelijk onderzoek kan ik geen forse bevindingen
constateren wat betreft de functie van de rechter heup.
iii Er zijn moeilijk sociale omstandigheden.
iv. Er is een sprake van secundaire ziektewinst.
v. Ondanks haar klachtenpatroon kan verzekerde volledig voor haar kinderen en voor
zichzelf zorgen. Volgens verzekerde wordt zij niet door haar familie geholpen.
vi. Arbeidsparticipatie heeft zeker in dit geval een positieve en psychohyagenische
invloed aan het welzijn van verzekerde.“
Verweerder heeft geconcludeerd dat klaagster per 8 mei 2013 volledig geschikt is voor
de functie van productiemedewerkster, ondanks haar klachtenpatroon.
2.4 Klaagster ging tegen deze beslissing in bezwaar. De bezwaarverzekeringsarts
bekrachtigde de primaire beoordeling van verweerder. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.
Vervolgens stelde klaagster beroep in. De rechtbank verklaarde op 31 maart 2014 het
beroep ongegrond. Daarna stelde klaagster hoger beroep in. Op 17 augustus 2016 bevestigde
de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank.
De klacht
3.1 Verweerder, verzekeringsarts, wordt verweten dat hij:
1. klaagster op 1 mei 2013 niet heeft onderzocht; hij gaf aan dat hij moslim was
en haar daarom niet kon onderzoeken, omdat dit haram was (college: daarop een taboe
rust);
2. klaagster niet serieus heeft genomen; tijdens het spreekuur keek hij steeds
op zijn mobiel en op de klok;
3. de door klaagster meegebrachte medische gegevens niet wilde bekijken;
4. op 1 mei 2013 een onjuist medisch rapport over haar heeft opgesteld;
5. geen dossierstudie heeft gedaan, maar heeft geknipt en geplakt uit andere dossiers
en teksten heeft verdraaid;
6. op 1 mei 2013 al vastberaden was klaagster hersteld te melden, maar loog dat
hij eerst nog met collega’s ging overleggen.
3.2 Klaagster voert, ter onderbouwing van haar klacht, het volgende aan.
3.2.1 Zij heeft op het spreekuur alleen maar moeten “sprinten” (stilstaand rennen).
Verweerder heeft geen andere onderzoeken uitgevoerd. Hij heeft haar klachten niet
serieus genomen. Hij luisterde niet, was bezig met zijn telefoon en keek op de klok
terwijl klaagster aan het huilen was. Doordat haar klachten niet serieus zijn genomen,
moesten nadien allerlei lichamelijke onderzoeken via de huisarts plaatsvinden.
3.2.2 Verweerder heeft ten onrechte de gegevens van de WIA-keuring in 2011 overgenomen.
Verder bevat het rapport onjuiste gegevens, omdat daarin is vermeld dat klaagster
niet meer onder behandeling van een psycholoog van E. was. Zij stond eerder echter
onder behandeling van een psychiater. Tijdens de beoordeling stond zij op een wachtlijst
voor een behandeling door een andere instelling voor geestelijke gezondheidszorg.
3.2.3 Bovendien heeft verweerder nagelaten naar de door haar tijdens het spreekuur
aan hem getoonde brief van het ziekenhuis (waarin is vermeld dat bij klaagster sprake
was van zwangerschapsdiabetes) te kijken en deze op te nemen in de rapportage.
3.2.4 De dossierstudie die verweerder heeft verricht, is onvoldoende geweest. Als
hij een goede dossierstudie had gedaan, kon hij onder meer weten dat klaagster pijn
aan haar pols en rug heeft.
3.2.5 Ten slotte heeft verweerder met klaagster besproken dat hij met collega’s
zou overleggen. Hij heeft echter al op de dag waarop zijn beoordeling plaatsvond,
1 mei 2013, zijn beslissing genomen zodat van overleg geen sprake kan zijn geweest.
3. Het standpunt van verweerder
4.1 Verweerder concludeert dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Hij voert
hiertoe het volgende aan.
4.2.1 Er heeft lichamelijk onderzoek plaatsgevonden dat geen afwijkingen toonde
van de lage rug of de rechter heup. Het feit dat verweerder moslim is, speelde daarbij
geen enkele rol. Voor het uitvoeren van zijn werk is het immers noodzakelijk om onderzoeken
uit te voeren. De medische situatie van klaagster was tijdens het spreekuur voldoende
duidelijk geworden. Er was daarom geen reden om nog aanvullende medische informatie
op te vragen.
4.2.2 Verweerder kan zich, door tijdsverloop, niet meer in detail herinneren hoe
het spreekuurverloop is geweest. Indien hem aanvullende medische informatie wordt
aangeboden welke betrekking heeft op de dan aanwezige situatie, neemt hij deze altijd
(in kopie) in, vermeldt hij dit in de rapportage en betrekt hij die informatie bij
de beoordeling. Het feit dat in de rapportage in deze zaak geen melding is gemaakt
van aanvullende medische informatie, wijst er op dat hem ook geen aanvullende medische
informatie is aangeboden. Bovendien is het aan de verzekeringsarts om te bepalen welke
informatie relevant is en daarom moet worden opgenomen in de rapportage.
4.2.3 Verweerder heeft, overeenkomstig hetgeen hem is verteld tijdens het spreekuur,
in de rapportage vermeld dat klaagster hem zelf heeft verteld tijdens de zwangerschap
bekend te zijn geweest met zwangerschapsdiabetes, en op de datum van het onderzoek
klachten van de rechterheup en spanningsklachten te ervaren. Klaagster gaf op het
spreekuur niet aan dat zij op dat moment nog last had van diabetes. Zij werd op dat
moment daarvoor ook niet behandeld.
4.2.4 De informatie over de voorgeschiedenis van klaagster is verkregen door middel
van dossierstudie. Die informatie is niet onjuist en ook niet onrechtmatig verkregen.
Bij klaagster heeft in 2011 een WIA-beoordeling plaatsgevonden. Daarbij is beoordeeld
welke functies voor klaagster geschikt zijn. Die functies zijn maatgevend voor de
toekomst. Daarom is er in deze ziektewetbeoordeling naar deze eerdere functies gekeken.
Dit vloeit voort uit de wet en is niet de keuze van verweerder geweest. Een verzekeringsarts
dient wel te beoordelen of de patiënt geschikt is voor een van deze functies. Daarbij
wordt de medische voorgeschiedenis betrokken door middel van een dossierstudie. Tijdens
het spreekuur wordt gevraagd naar de huidige situatie.
4.2.5 Vanwege het WIA-verleden waarbij de maatgevende arbeid bestond uit diverse
geduide functies, heeft verweerder overleg gevoerd binnen het behandelteam ziektewet,
bestaande uit een re-integratiebegeleider en arbeidsdeskundige. Doel van het overleg
was om te beoordelen of een van de geduide functies geschikt zou zijn voor klaagster.
Dit was het geval en daarom werd zij hersteld verklaard. Dit overleg vond vrij kort
na het spreekuur plaats.
4.2.6 Verweerder betreurt het dat klaagster niet op een veel eerder moment haar
vragen of de vermeende onjuistheden aan hem kenbaar heeft gemaakt. Hij had dan een
aanvullende uitleg kunnen geven en eventuele vragen kunnen beantwoorden. Bovendien
heeft het lange tijdsverloop tussen het rapport en het indienen van de klacht (2013-2020)
er aan bijgedragen dat hij zich sommige zaken niet meer in detail kan herinneren,
hetgeen ook bij hem leidt tot onvrede.
4. De overwegingen van het college
5.1 Het college dient te beoordelen of verweerder bij het beroepsmatig handelen
is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening
houdend met de stand van de wetenschap in 2013 en met hetgeen toen in de beroepsgroep
als norm was aanvaard.
Klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 – het onderzoek door verweerder
5.2 In geschil is of verweerder klaagster heeft onderzocht en de door haar geuite
klachten serieus heeft genomen. Verweerder heeft gesteld dat hij klaagster wel heeft
onderzocht en haar serieus heeft genomen, en heeft verwezen naar zijn onderzoeksbevindingen
zoals beschreven in zijn rapportage.
Uit deze onderzoeksbevindingen, hoe summier ook beschreven, volgt dat verweerder klaagster
op 1 mei 2013 heeft onderzocht. Of de verwijten terecht zijn dat verweerder hierbij
belemmeringen ervoer vanwege zijn geloofsovertuiging, en steeds bezig was met zijn
telefoon en op de klok keek waardoor klaagster zich niet serieus genomen voelde, kan
niet worden vastgesteld. Alleen klaagster en verweerder waren bij de beoordeling aanwezig.
Hierdoor kan niet worden vastgesteld hoe het contact tussen klaagster en verweerder
tijdens de beoordeling precies is verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld
of verweerder destijds klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het
uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder,
maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk
verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag kunnen
worden gelegd. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster
en verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. De klachtonderdelen
1 en 2 treffen daarom geen doel.
5.3 Klaagster stelt dat zij een brief van het ziekenhuis (die bij het klaagschrift
is gevoegd) heeft meegenomen naar de beoordeling door verweerder. In deze brief
(d.d. 7 augustus 2012) is vermeld dat bij klaagster sprake is van zwangerschapsdiabetes.
Klaagster is eind 2012 bevallen. Tijdens de zitting heeft zij verklaard dat zij geen
last had van “gewone” diabetes vóór of na haar zwangerschap.
Vanwege het tijdsverloop tussen de beoordeling (mei 2013) en het indienen van de klacht
(oktober 2020) is het aannemelijk dat verweerder zich niet meer kan herinneren of
klaagster hem deze gegevens heeft voorgehouden. Overigens dient verweerder bij zijn
beoordeling slechts alle – voor die beoordeling – relevante informatie te betrekken.
Tijdens de beoordeling was klaagster al bevallen en zij leed vóór of na de zwangerschap
niet aan “gewone” diabetes. Ten tijde van de beoordeling was dus geen sprake van diabetes.
Voor de beoordeling door verweerder was daarom de brief met de informatie over de
zwangerschapsdiabetes niet van belang. Dat betekent dat, voor zover klaagster hem
de brief van het ziekenhuis over de zwangerschapsdiabetes heeft voorgehouden, verweerder
niet gehouden was die informatie op te nemen in de rapportage. Klachtonderdeel 3 slaagt
daarom niet.
5.4 Ook het verwijt dat verweerder geen dossierstudie heeft gedaan, ten onrechte
gebruik heeft gemaakt van de gegevens van de WIA-keuring uit 2011, heeft geknipt en
geplakt uit andere dossiers en teksten heeft verdraaid (klachtonderdeel 5) kan niet
slagen. Sprake is van een ziektewetbeoordeling na een eerdere WIA-beoordeling. In
dat kader dienen de in de WIA-beoordeling voor klaagster geschikt geachte functies
te worden betrokken. Verweerder heeft daarom terecht en op goede gronden ter verkrijging
van informatie over de voorgeschiedenis van klaagster door middel van een dossierstudie
gebruik gemaakt van de informatie die is verkregen tijdens die WIA-beoordeling. Verder,
zo blijkt uit de rapportage (onder “De claimklacht:”), heeft hij bij zijn beoordeling
de door klaagster geuite actuele klachten betrokken.
In hoeverre verweerder teksten heeft verdraaid, heeft klaagster niet nader toegelicht.
Hierdoor kan niet worden vastgesteld welke feiten aan dit verwijt ten grondslag liggen,
zodat ook niet kan worden vastgesteld of verweerder op dit punt klachtwaardig heeft
gehandeld.
Klachtonderdeel 4 – de rapportage
5.5 Klaagster heeft ter zitting toegelicht dat haar verwijt gaat over de onjuiste
vermelding in het rapport dat zij niet meer onder behandeling is van een psycholoog.
Dat is onjuist, omdat zij onder behandeling was van een psychiater en tijdens de beoordeling
inmiddels op de wachtlijst stond voor een behandeling door een instelling voor geestelijke
gezondheidszorg.
Verweerder heeft dit niet weersproken.
Het college acht het op zichzelf onjuist dat verweerder in de rapportage heeft verwezen
naar de behandeling door een psycholoog in plaats van een psychiater en niet heeft
vermeld dat klaagster op de wachtlijst stond voor een behandeling door een instelling
voor geestelijke gezondheidszorg, maar acht de klacht hierover van onvoldoende gewicht
om te oordelen dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het klachtonderdeel
treft daarom geen doel.
Klachtonderdeel 6 – het overleg met collega’s
5.6 Verweerder heeft klaagster gezien op 1 mei 2013 en ook zijn beslissing dateert
van die datum. Volgens klaagster volgt hieruit dat hij niet, zoals hij haar heeft
meegedeeld, heeft overlegd met collega’s en dat hij vooringenomen was.
De enkele omstandigheid dat sprake was van een beoordeling en beslissing op dezelfde
dag, betekent niet vanzelfsprekend dat sprake was van vooringenomenheid en geen overleg
heeft plaatsgevonden met collega’s. Verweerder was werkzaam in een “behandelteam ziektewet”
(bestaande uit verweerder, een arbeidsdeskundige en een re-integratiebegeleider).
Door deze werkwijze is het mogelijk snel en adequaat overleg te voeren over tijdens
een spreekuur door de verzekeringsarts beoordeelde cliënten. Daartoe was in het geval
van klaagster, vanwege de eerdere WIA-beoordeling, ook alle aanleiding. Het college
acht het daarom aannemelijk dat dit overleg heeft plaatsgevonden. Dat sprake is geweest
van vooringenomenheid kan daarom niet worden aangenomen. Het klachtonderdeel is ongegrond.
5.7 De klachtonderdelen slagen niet. Het college zal daarom de klacht ongegrond
verklaren.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
Omvang van de zaak in beroep
4.1 Klaagster wil met haar beroep haar klacht in volle omvang door het Centraal
Tuchtcollege laten beoordelen. Het beroep van klaagster strekt ertoe (impliciet) dat
het Centraal Tuchtcollege de klacht alsnog gegrond verklaart.
4.2 De verzekeringsarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en heeft het
Centraal Tuchtcollege verzocht om het beroep van klaagster te verwerpen.
Inhoudelijke beoordeling
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover schriftelijk
en mondeling bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege
opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij heeft
ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde
feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge
behandeling op 25 april 2022 is dat debat voortgezet.
4.4 Op grond van de stukken en dat wat door partijen over en weer op de zitting
in beroep nog naar voren is gebracht, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat
het Regionaal Tuchtcollege de klacht van klaagster terecht in alle onderdelen ongegrond
heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen van het
Regionaal Tuchtcollege en neemt deze hier over. Dit betekent dat het beroep van klaagster
zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter;
J.M. Rowel-van der Linde en T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen en J.A.W. Dekker
en W.A. Faas, leden-beroepsgenoten, en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 13 juni 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.