ECLI:NL:TGZCTG:2022:115 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1044
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:115 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-06-2022 |
| Datum publicatie: | 14-06-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2021/1044 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen chirurg. De chirurg heeft bij klager een laserbehandeling uitgevoerd en een protoscopie verricht naar aanleiding van klachten van aambeien. Er werden geen aambeien geconstateerd. Na de ingreep heeft klager pijnklachten. Klager verwijt de chirurg dat hij tijdens de operatie inwendige wondjes heeft veroorzaakt. De klacht bestaat uit 16 klachtonderdelen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1044 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., chirurg, werkzaam te B., beklaagde in beide instanties,
gemachtigde: mr. O.L. Nunes, advocaat te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 5 januari 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam
tegen C. - hierna de chirurg - een klacht ingediend. Bij beslissing van
27 mei 2021, onder nummer A2021/2196-A2021/002, heeft dat College de klacht kennelijk
ongegrond verklaard. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen.
De chirurg heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege
van 18 mei 2022. Klager is verschenen. Ook de chirurg was aanwezig, bijgestaan door
zijn gemachtigde mr. Nunes. Mr. Nunes heeft spreekaantekeningen overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1 Klager is op 14 februari 2020 op verwijzing door de huisarts gezien door een
collega van verweerder (hierna: de collega). Klager had last van aambeien en voelde
een blokkade als hij zich met stok en spuit schoonmaakte. De collega constateerde
hemorroïden, graad 3. Als beleid heeft de collega in het dossier onder meer genoteerd:
“pt wil laser
uitleg laser: onder algeheel , recidief hem besproken
pb 2 ) inplannen coloscopie (…)”
2.2 Op 9 maart 2020 heeft de collega in het dossier genoteerd:
“pt heeft assistente gesproken , wil geen coloscopie , maar wel graag laser hemorr
inplannen laser , dan ook inspectie onder narcose”
2.3 Verweerder heeft op 3 juni 2020 de laserbehandeling en een inspectie onder
narcose uitgevoerd. In het operatieverslag is onder meer genoteerd:
“Proctoscopie: geen duidelijke haemorroiden, wel wat mucosa prolaps
Laseren op 2 pijers
(…) Geen duidelijke verklaring voor pijnklachten.”
2.4 Postoperatief is in het dossier genoteerd dat klager ontevreden was. Eerder
had hij te horen gekregen dat er veel hemorroïden waren, maar daar bleek nu geen sprake
van te zijn. Verweerder heeft van een telefonisch consult met klager op 11 juni 2020
genoteerd:
Bij beloop: “OK nogmaals uitge;egd
Kan ook een beetje rectocele verhaal zijn
eerst effect laser afwachten
en alvast colo regelen
Bij beleid: coloscopie
daarna poli”
2.5 Op 30 juni 2020 is klager bij de collega op consult geweest met “sinds 5 dagen
continue pijn”. De collega noteerde onder meer dat klager de scopie graag eerder
wilde.
2.6 Op 9 juli 2020 heeft verweerder in het dossier genoteerd:
“Ziet op tegen colo
klachten status quo
rectoscopie
Als gb dan evt CT colo”
2.7 Op 16 juli 2020 heef verweerder in het dossier genoteerd:
“Sigmo (beelden in MM): tot 30 cm geen afwijkingen
Geen obstructie gevonden
Diltiazem”
3. De klacht en het standpunt van klager
3.1 Klager verwijt verweerder dat hij tijdens een operatie inwendig wondjes heeft
veroorzaakt waardoor klager wekenlang pijn had.
3.2 De klacht is in 16 onderdelen uitgesplitst en wel als volgt:
1. verweerder heeft tijdens de operatie op 3 juni 2020 niet gezegd dat hij geen
aambeien zag;
2. verweerder heeft niet met klager overlegd over het verwijderen van slijmvlies;
3. verweerder wist voor de operatie niet van de blokkade in de endeldarm;
4. verweerder heeft nagelaten wat aan die blokkade te doen;
5. bij de behandeling op 16 juli 2020 heeft niemand klager gevraagd wat klagers
problemen en wensen waren;
6. verweerder ging met de camera direct voorbij het pijnlijke gedeelte (de eerste
2 of 3 centimeter) naar binnen.
7 tot en met 10. verweerder ging zonder toestemming van klager (7),
zonder overleg met klager (8), tegen de wens van klager (9), en zonder verdoving
tot 30 centimeter de darmen van klager binnen (10);
11. de camera is verwijderd zonder het pijnlijke gedeelte te controleren;
12. men heeft de procedure herhaald om foto’s te maken en ook toen het pijnlijke
gedeelte van de darmen niet gecontroleerd;
13. het ging klager niet om een medicijn voor de pijn; hij wilde weten waarom hij
zoveel pijn had;
14. het medicijn (Diltiazem) is geen middel tegen de pijn, maar een geneesmiddel;
15. uiteindelijk is er helemaal geen onderzoek gedaan naar het pijnlijke gedeelte
en zijn ook geen foto’s gemaakt;
16. verweerder is de met klager gemaakte afspraak niet nagekomen dat hij de
blokkade met de hand zou voelen via een door klager meegebrachte buis.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Het college zal hierna, voor zover nodig, ingaan op hetgeen door verweerder is aangevoerd.
5. De beoordeling
Algemeen
5.1 Het college wijst er bij de inhoudelijke beoordeling allereerst op, dat het
er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat
handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar
bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame
beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van
het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake
als norm of standaard was aanvaard.
5.2 Het gaat daarbij om persoonlijke verwijtbaarheid van de beroepsbeoefenaar bij
de behandeling van klaagster. Verweerder kan geen verwijt worden gemaakt van (medisch)
handelen of nalaten door anderen.
De ingreep van 3 juni 2020 (onderdelen 1 tot en met 4)
5.3 Verweerder heeft aangevoerd dat hij gewend is om stap voor stap uitleg te geven
over het verloop van de ingreep, maar dat het heel goed kan zijn dat klager als gevolg
van de gegeven sedatie daarvan niets heeft meegekregen. Het college acht dit aannemelijk,
zeker nu op verzoek van klager sprake is geweest van extra sedatie.
De laserbehandeling, zoals deze is afgesproken, kan zowel worden toegepast bij
hemorroïden als bij mucosaprolaps (vaak een slijmvliesplooi van niet gestuwde hemorroïden).
Het verschil tussen beide is gradueel en niet altijd duidelijk te maken, terwijl de
wijze van behandeling hetzelfde is. Gelet op deze omstandigheden mocht verweerder
naar het oordeel van het college van toestemming voor deze ingreep uitgaan.
5.4 Uit het operatieverslag blijkt dat naast de laserbehandeling ook een onderzoek
heeft plaatsgevonden, waarbij geen duidelijke verklaring voor de pijnklachten van
klager werd gevonden. Klager had de eerder afgesproken coloscopie, waarmee onderzoek
naar onder meer een blokkade op hoger niveau kan plaatsvinden, afgezegd. Tijdens het
consult van 11 juni 2020 heeft verweerder op verzoek van klager overigens opnieuw
een coloscopie aangevraagd.
5.5 De klachtonderdelen 1 tot en met 4 zijn op grond van het voorgaande kennelijk
ongegrond.
De ingreep van 16 juli 2020 (onderdelen 5 tot en met 13)
5.6 Uit het dossier blijkt dat klager voorafgaand aan de op deze dag uitgevoerde
sigmoïdoscopie meerdere malen contact heeft gehad met verweerder en zijn collega over
het wel of niet doorgaan van de coloscopie. Uiteindelijk heeft een ingreep plaatsgevonden,
die passend is bij een scopie tot 30 cm. De indicatie voor deze ingreep is vooraf
besproken (de door klager ervaren blokkade en zijn pijnklachten) en de ingreep heeft
conform de gemaakte afspraken plaatsgevonden. Van een gebrek aan toestemming en overleg
of van handelen tegen de wens van klager is derhalve geen sprake. Voor de juistheid
van het standpunt dat zonder verdoving wellicht tot in het colon transversum is gescopieerd
heeft het college geen aanknopingspunten gevonden. In de verslaglegging is een sigmoïdoscopie
beschreven passend bij een scopie tot 30 cm. Dat in detail pas op de “terugweg” beoordeling
van de beelden plaatsvindt is gebruikelijk bij een scopie van de darm.
5.7 De klachtonderdelen 5 tot en met 13 zijn eveneens kennelijk ongegrond.
Diltiazem (onderdeel 14)
5.8 Diltiazem is een geneesmiddel dat regelmatig wordt gebruikt bij pijnklachten
bij anale problematiek. De bedoeling van dit middel is de doorbloeding van de anale
huid te stimuleren en daarmee wondgenezing van pijnlijke scheurtjes te bespoedigen
en de pijn te verlichten. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Onderzoek en foto’s (onderdeel 15)
5.9 De foto’s van de sigmoïdoscopie staan met de juiste gegevens in het medisch
dossier, zodat ook deze klacht kennelijk ongegrond is.
Handmatig onderzoek (onderdeel 16)
5.10 De sigmoïdoscopie heeft geen afwijkingen aangetoond. Het college is van oordeel
dat – nu bij het onderzoek geen blokkade was geconstateerd - het gerechtvaardigd was
dat verweerder niet is meegegaan in de wens van klager om handmatig de door klager
veronderstelde blokkade te voelen, al dan niet met behulp van een door klager meegebrachte
buis of buisje. Dit nog daargelaten dat verweerder heeft betwist hierover met klager
iets te hebben afgesproken of toezeggingen te hebben gedaan. Klachtonderdeel 16 is
evenzeer kennelijk ongegrond.
Tot slot
5.11 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in alle onderdelen kennelijk
ongegrond is.
Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel
47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Klager heeft in zijn (aanvullend) beroepschrift geschreven dat hij vindt dat het Regionaal
Tuchtcollege geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of de wondjes op de foto’s
die klager heeft overgelegd, overeenkomen met de soort wonden die normaal zijn en
verwacht kunnen worden bij de soort operatie die bij hem is uitgevoerd. Daarmee heeft
klager naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende duidelijk aangegeven
dat, en op welke gronden hij het niet eens is met de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege. Klager bouwt hiermee voort op een kwestie die hij ook al in zijn oorspronkelijke
klaagschrift (en bij repliek) bij het Regionaal Tuchtcollege aan de orde heeft gesteld.
Het verwijt dat hij het Regionaal Tuchtcollege maakt, namelijk dat het bij de beoordeling
van zijn klachten genoemde foto’s onvoldoende heeft betrokken, is anders dan de chirurg
heeft betoogd, daarom geen nieuwe klacht, maar een onderbouwing van zijn beroep. Het
verweer van de chirurg dat het beroepschrift niet aan de eisen voldoet en dat het
een nieuwe klacht betreft, wordt verworpen.
Klager is ontvankelijk in zijn beroep.
5. Beoordeling van het beroep
5.1 Klager wil met zijn beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege zijn klacht
(her)beoordeelt en in beroep alsnog gegrond verklaart.
5.2 De chirurg heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het
beroep te verwerpen, zo nodig met aanvulling en verbetering van de gronden.
5.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de door klager
aan het Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het schriftelijke debat dat partijen
daarover bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege
opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
5.4 In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij
heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege
vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 mei 2022 is dat debat voortgezet.
5.5 Het Centraal Tuchtcollege is na de mondelinge behandeling bij de bespreking
van de zaak in raadkamer niet gekomen tot een andere vaststelling van de feiten of
tot andere beschouwingen en beslissingen gekomen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Het Centraal Tuchtcollege is evenals het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat de
chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Centraal Tuchtcollege
neemt over dat wat het Regionaal Tuchtcollege daarover in de beslissing onder het
kopje “5. De beoordeling” heeft overwogen. In aanvulling daarop overweegt het Centraal
Tuchtcollege dat het College de door beide partijen overgelegde (digitale) foto’s
grondig heeft bestudeerd. Het College kan op basis van de beelden niet vaststellen
of er sprake is van de door klager gestelde wondjes. Bij deze stand van zaken (niet
is komen vast te staan dat sprake is van genoemde wondjes) faalt het beroep van klager.
5.6 Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep verwerpen.
6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: S.M. Evers, voorzitter; Y. Buruma en R.A. van der
Pol, leden-juristen en D.A. Legemate en W.J.B. Mastboom, leden-beroepsgenoten en
D. Brommer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 13 juni 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.