ECLI:NL:TGZCTG:2022:114 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/136
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:114 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-06-2022 |
| Datum publicatie: | 14-06-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2021/136 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verzekeringsarts. Klager heeft een eigen onderneming, waarbinnen hij de functie van senior projectadviseur vervult. Hij heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering tegen ziekte afgesloten en zich arbeidsongeschikt gemeld en aan de verzekeraar verzocht hem onder de verzekering een uitkering te doen. Klager heeft een uitkering gekregen op basis van partiële arbeidsongeschiktheid. In het kader van herbeoordeling van klagers aanspraak onder de verzekering heeft de verzekeraar de verzekeringsarts verzocht klager te onderzoeken en daarover te rapportaren. Klager verwijt de verzekeringsarts samengevat dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld waarbij hij, als gevolg van een tunnelvisie, ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een medisch objectief vaststelbare stoornis als oorzaak van arbeidsongeschiktheid. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing en wijst het verzoek tot veroordeling van de verzekeringsarts in de kosten van deze procedure af. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/136 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., verzekeringsarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties, gemachtigde:
mr. S.J. Muntinga te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 11 oktober 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven
tegen C. – hierna de verzekeringsarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 1
maart 2021, onder nummer 19183, heeft dat college de klacht in alle onderdelen ongegrond
verklaard.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De verzekeringsarts heeft een
verweerschrift in beroep ingediend.
Op 8 april 2022 heeft het Centraal Tuchtcollege nog een brief ontvangen van klager
(brief van 7 april 2022 met bijlagen).
De zaak is in beroep behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege
van 25 april 2022, waar zijn verschenen klager, vergezeld van zijn echtgenote, en
de verzekeringsarts, bijgestaan door mr. Muntinga. Partijen hebben hun standpunten
nader toegelicht. Klager heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die
hij aan het Centraal Tuchtcollege en de wederpartij heeft overhandigd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft het volgende overwogen en geoordeeld.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.1. Klager heeft een eigen onderneming, waarbinnen hij de functie van senior projectadviseur
vervult. Hij heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering tegen ziekte afgesloten bij
D.. Hij heeft zich per 1 december 2013 arbeidsongeschikt gemeld in verband met slaapproblemen
en psychische klachten en aan D. verzocht hem onder de verzekering een uitkering te
doen. D. heeft hem een uitkering gedaan op basis van partiële arbeidsongeschiktheid.
In het kader van herbeoordeling van klagers aanspraak onder de verzekering heeft D.
op 1 april 2016 aan verweerder, in zijn hoedanigheid van verzekeringsgeneeskundige,
verzocht klager te onderzoeken en D. voor te lichten omtrent (samengevat) de actuele
en de te verwachten gezondheidssituatie van klager, de actuele en de mogelijk in te
stellen behandeling van zijn klachten en zijn belastbaarheid conform de functionele
mogelijkhedenlijst. Bij de vraagbrief van die datum, ondertekend door E. (arts/medisch
adviseur bij D., hierna: E.), zijn bij D. bekende relevante medische gegevens van
klager gevoegd. Daartoe behoorden arbeidskundige rapporten van 18 maart 2014 en 22
februari 2016 en een brief van 4 april 2014 van klagers huisarts F. aan D., waarin
is vermeld dat klager psychologische hulp heeft gezocht in verband met zijn ernstige
slaapstoornis en dat dat niet heeft bijgedragen aan substantiële verbetering.
2.2. Naar aanleiding van het verzoek van 1 april 2016, heeft verweerder op 15 april
2016 getelefoneerd met G., preventie- en re-integratiebegeleider van D. (hierna: G.).
Van dat gesprek heeft G. een notitie gemaakt, waarin staat: “De verzekeringsarts dhr.
C. belt ivm ons verzoek om onderzoek van de heer A.. Hij heeft zich verdiept in het
dossier en wil graag het één en ander bespreken. Deze verzekerde heeft al erg lang
klachten. De verwachting is dat de klachten zullen blijven bestaan. Het lijkt meer
op “pappen en nat houden”. Daarnaast zoekt verzekerde eigenlijk weinig hulp en dat
duidt op inadequaat herstelgedrag. De informatie die nu beschikbaar is geeft geen
medische grondslag. Daarom raadt dhr. C. aan om eerst een psychiatrisch/ psychologische
expertise te laten verrichten. Dan is er een sterkere basis voor een VGO en daarna
een schattingsonderzoek. (…)”
2.3. Ook op 15 april 2016 heeft E. namens D. aan H. gevraagd klager psychologisch
en psychiatrisch te onderzoeken, daarbij dezelfde vraagstelling hanterend als in de
brief aan verweerder van 1 april 2016. Klager is daarop onderzocht door I., aan H.
verbonden als psychiater/neuropsycholoog NIP (hierna: de psychiater). Door J., als
neuropsycholoog aan H. verbonden (hierna: de neuropsycholoog), is aanvullend een neuropsychologisch
onderzoek (NPO) verricht. Op 17 juni 2016 heeft de psychiater aan D. gerapporteerd.
De psychiater heeft in dat rapport als volgt geconcludeerd (zakelijk weergegeven):
- klagers huidige klachten zien op verminderde slaap, vermoeidheid en
concentratieproblemen;
- hij ervaart daardoor beperkingen in zijn beroepsactiviteiten;
- bij het psychiatrische onderzoek worden geen afwijkingen van betekenis
gevonden;
- bij het neuropsychologische onderzoek konden de cognitieve vermogens van
klager niet worden geobjectiveerd vanwege het optreden van onderpresteren;
- diagnostisch betekent dat dat de door klager beschreven cognitieve klachten
niet objectiveerbaar zijn vanwege een gestoorde symptoomvaliditeit en dat er geen
aanleiding bestaat een psychiatrisch ziektebeeld te veronderstellen, wat de aanwezigheid
van cognitieve stoornissen echter niet uitsluit;
- ook voor een persoonlijkheidsstoornis of een neurobiologische ontwikkelings-
stoornis biedt het onderzoek onvoldoende aanknopingspunten; betrokkene heeft onder
meer vele jaren zonder noemenswaardige problemen weten te functioneren binnen de diverse
levensgebieden.
Verder vermeldt de psychiater:
“ DSM-IV-TR
Op basis van de DSM-IV-TR-classificatie is de diagnose als volgt:
As I : V71.09 geen diagnose
As II : V71.09 geen diagnose
As III : slaapstoornis
As IV : werkproblemen
As V : Gaf score 71-80 (huidige)”.
Ook vermeldt de psychiater dat klager in 2006 en 2012 in behandeling is geweest bij
K., psycholoog bij L. (blijkens het dossier in 2006 nog M.-Psychologie geheten) (hierna:
K.) en dat er in 2012 primaire insomnia werd gesteld, maar dat klager naar zijn zeggen
bij de behandeling geen baat had. Ook is vermeld dat klager bij slaapcentrum N. is
geweest, waar paradoxale insomnie met geassocieerde overbelasting werd gesteld en
dat klager korte tijd baat had bij een ontspanningstraining. De neuropsycholoog, die
het neuropsychologische onderzoek van klager verrichtte, beschrijft in het rapport
de uitkomsten daarvan. Hij merkt daarbij verder op:
“ Bij betrokkene worden tijdens neuropsychologisch onderzoek testafwijkingen geobserveerd,
echter deze scores zijn niet te generaliseren naar de aanwezigheid van cognitieve
functiestoornissen vanwege het optreden van onderpresteren. (…)
Hoewel op testniveau cognitieve stoornissen niet kunnen worden uitgesloten, geven
de algemene indruk en de klinische impressie van het cognitief functioneren, alsook
het dagverhaal, evenwel geen duidelijke aanleiding om beperkingen te veronderstellen,
dat wil zeggen conform de definities van de FML- met betrekking tot de aandacht, de
concentratie en het geheugen. (…)
Op basis van alleen neuropsychologisch onderzoek is het echter niet mogelijk een definitieve
uitspraak te doen over eventueel onderliggende motieven of ziektebeelden die samenhangen
met onderpresteren.”
2.4. Op 12 september 2016 heeft Hageman namens D. een gelijkluidend verzoek aan
verweerder gedaan als in de brief van 1 april 2016 aan verweerder was verwoord. In
de brief van 1 september 2016 wordt melding gemaakt van het intussen door de psychiater
uitgebrachte rapport (inclusief het NPO), dat bij die brief is gevoegd.
2.5. Verweerder heeft klager onderzocht en op 17 november 2016 zijn rapport uitgebracht.
Daarin is, voor zover voor deze klachtzaak van belang, het volgende vermeld:
Onder het kopje “Gegevens uit anamnese” bij “Actuele klachten”:
“Als ik informeer naar de actueel ervaren klachten en vraag om te starten met de meest
belangrijkste klacht, zegt [klager] dat hij het idee heeft in rustiger vaarwater terecht
te komen.
1) [Klager] heeft moeite om zich te concentreren. Als ik naar een voorbeeld vraag,
zegt betrokkene dat als hij van de kamer naar zijn kantoor komt om iets te bekijken
of na te zoeken, hij het zomaar vergeten kan zijn wat hij wilde nazoeken. Vorige week
ging dit echter heel goed, nu is het weer minder. [klager] denkt dat dit te maken
heeft met mijn bezoek.
2) Verder geen andere klachten. Als ik vraag naar vermoeidheid, zegt [klager] dat
hij soms de neiging voelt om in de ochtend te blijven liggen in bed en dat ook wel
doet. In de middag of overdag gaat hij nooit rusten of slapen. Wel werkt het goed
om in de ochtend tot 09.00 uur of 09.30 uur in bed te blijven.
3) Er zijn geen fysieke klachten, behoudens wat stroefheid in de lage rug.”
Onder het kopje “Informatie van Derden”:
“Brief F., huisarts dd 2014
(…)
• [Klager] heeft sinds lange tijd in wisselende mate een ernstige slaapstoornis.
• Psychologische hulp heeft hij gezocht. Dit heeft niet mogen bijdragen tot
substantiële verbetering.
(…)”
Onder het kopje “Psychiatrische expertise drs. I..”:
“(…)
• Diagnose: AsI geen diagnose. AsII geen diagnose. AsIV gaf score 71-80.”
Onder het kopje “Diagnose”:
“Geen”
Onder het kopje “Beschouwing”:
“(…)
Medisch feitencomplex
Geen medisch objectieve afwijkingen bij neurologisch-, psychiatrisch- en neuropsychologisch
onderzoek. Ervaren slaap- en concentratieklachten, echter zonder medisch objectief
substraat, bij een klachtcontingent denken en handelen.
Medische weging
(…)
Op 21-10-2016 sprak ik lang met betrokkene ongeveer tweeëneenhalfuur. Tijdens dit
vraaggesprek / onderzoek kon ik geen arbeidsongeschiktheid door ziekte onderkennen.
Er was geen sprake van psychopathologie en de aandacht was in het tweeëneenhalfuur
durend gesprek goed te trekken en te houden. Ook werden er geen lacunes in het geheugen
geconstateerd, in tegendeel, [klager] reproduceerde zeer gedetailleerd allerlei voorbeelden
en gebeurtenissen.”
Verweerder vermeldt eerder in zijn rapport dat klager in het verleden een polysomnografie
heeft ondergaan in N. (opm. college: centrum voor slaap- en waakstoornissen) en een
cursus mindfullness heeft gevolgd, alsook medicatie heeft gekregen, echter zonder
duurzaam resultaat. Ook gaat verweerder nader in op de thuissituatie van klager, met
name op zijn zorg en inspanningen voor zijn zoon en echtgenote, die verweerder als
oorzaak van de ervaren klachten duidt. Hij vervolgt:
“In een verzekeringsgeneeskundig perspectief en volgens de professionele verzekeringsgeneeskundige
criteria zie ik dan ook geen arbeidsongeschiktheid door ziekte. Er is geen logisch
en consistent verband tussen klachten, stoornissen, beperkingen en handicap. Neurologisch-,
psychiatrisch- en neuropsychologisch onderzoek zijn hierin ondersteunend en bevestigend.
Het neuropsychologisch onderzoek gaf aanwijzingen voor een onderpresteren. Deze aanwijzingen
werden door de psychiater nader geëvalueerd. Hierbij werd gesteld dat er uit de testen
en onderzoeken een gestoorde symptoomvaliditeit blijkt, echter dat dit de aanwezigheid
van een cognitieve stoornis niet uitsluit. Daarentegen stelt de psychiater dat de
algemene indruk en de klinische impressie van het cognitief functioneren, alsook het
dagverhaal, geen duidelijke aanleiding geven om beperkingen te veronderstellen. Een
verzekeringsarts kan slechts beperkingen toekennen, indien deze voortkomen uit ‘ziekte’.
Zoals hierboven beargumenteerd is dit niet het geval, derhalve zijn er in een verzekeringsgeneeskundige
afweging geen beperkingen te duiden. (…) In de Functiemogelijkhedenlijst zijn er daarom
geen beperkingen opgenomen. Waar in de Functiemogelijkhedenlijst de normaalwaarde
is aangegeven zonder toelichting, gelden op dat gebied geen beperkingen ten gevolge
van ziekte of gebrek.”
Onder deze toelichting vermeldt verweerder vervolgens de antwoorden op de hem voorgelegde
specifieke vragen. Die antwoorden houden onder meer in dat er sprake is van ervaren
slaap- en concentratieproblemen, dat bij onderzoek geen afwijkingen zijn aangetroffen,
dat er geen diagnose door verweerder is gesteld, dat er geen noodzaak is voor een
therapie, dat sprake is van een (bij het rapport gevoegde) Functiemogelijkhedenlijst
zonder beperkingen en dat er geen medische beperkingen zijn voor het verrichten van
de eigen werkzaamheden.
3. Het standpunt van klager
Verweerder wordt verweten dat:
1. hij onzorgvuldig gehandeld heeft en daardoor van begin tot eind aan een tunnelvisie
heeft geleden aangezien:
a) hij telefonisch aan D. heeft gemeld “de verwachting is dat de klachten zullen
blijven bestaan. Het lijkt meer op ‘pappen en nathouden’. Daarnaast zoekt verzekerde
eigenlijk weinig hulp en dat duidt op inadequaat herstelgedrag”; hij daardoor feitelijk
een deelrapportage heeft uitgebracht waar klager geen inzage in heeft gehad en inbreuk
heeft gemaakt op het inzage- en correctierecht van klager;
b) hij heeft verzuimd te vragen of er informatie beschikbaar was die wel een medische
grondslag gaf, omdat het dossier waarover hij beschikte geen medische grondslag
gaf;
c) hij niet aan D. of aan de huisarts gevraagd heeft of er ook een rapportage van
de
psycholoog beschikbaar was, terwijl hij in zijn dossier een A4-tje van de huisarts
van klager had waarin stond dat hulp van een psycholoog was gezocht; verweerder zou
dan hebben gezien dat de diagnose luidde “slaapstoornis”;
d) hij genoegen heeft genomen met toezending van een psychiatrische expertise in
plaats van een psychiatrische en psychologische expertise;
e) nergens in zijn rapport staat dat verweerder de initiator van het psychiatrisch
onderzoek is geweest;
f) hij heeft nagelaten de motivatie voor het aanvragen van een psychiatrisch
onderzoek in zijn rapport te vermelden;
g) hij wel de inconsistentie in zijn eigen gedachtenlijn voelde, maar daar niet
naar gehandeld heeft;
h) de conclusies van verweerder gebaseerd zijn op de voorbarige aanname dat een
diagnose/stoornis ontbrak en dat er sprake was van inadequaat herstelgedrag; verweerder
heeft zijn ogen gesloten voor informatie die een andere richting op wees: hij noemde
in de bespreking van de psychiatrische expertise wel de vermeldingen van As I, As
II en As V, maar de vermelding “Slaapstoornis” bij As III noemde hij niet;
2. zijn rapport een onjuist medisch feitencomplex vermeldt:
i) er is wel een medisch objectief substraat wat betreft de slaapklachten en de
psychiater heeft de slaapstoornis daarom op As III vermeld;
j) de zin “geen medisch objectieve afwijkingen bij neuropsychologisch onderzoek
(NPO)” is onjuist, want het NPO is niet bruikbaar om een diagnostische vraag te beantwoorden.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder betwist dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld en een tunnelvisie had. Hij
heeft – door eigen onderzoek, dat strookte met dat van de psychiater en De neuropsycholoog
– voldoende onderbouwd bevonden en beschreven dat geen sprake is van een psychiatrische
stoornis of een cognitief disfunctioneren en evenmin van beperkingen in het functioneren,
dus ook niet van arbeidsongeschiktheid door ziekte. Er bestond geen reden om in zijn
onderzoek, naast de hem ter kennis gebrachte stukken, kennis te nemen van de bevindingen
uit onderzoeken van klager die in het verleden hadden plaatsgevonden. Het rapport
voldoet aan de geldende eisen van vakkundigheid en zorgvuldigheid en verweerder heeft
in redelijkheid tot de daarin beschreven conclusie kunnen komen. Verder merkt verweerder
op dat de onder 2.2. omschreven telefoonnotitie geen letterlijke weergave bevat van
wat is besproken en dat niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat zijn rapport niet
vermeldt dat hij dat telefoongesprek heeft gevoerd en daarin een psychiatrisch en
neurologisch onderzoek heeft geadviseerd, temeer niet omdat klager met die onderzoeken
heeft ingestemd.
5. De overwegingen van het college
5.1. Bij de beoordeling of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
in de zin van art. 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) staat het persoonlijk handelen van verweerder centraal en de vraag of verweerder
daarbij al dan niet heeft gehandeld of iets heeft nagelaten in strijd met hetgeen
een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Voor zover het om de inhoud van verweerders
rapport gaat, gelden daarvoor naar vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg de volgende criteria:
1) Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2) Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de
voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3) In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
4) Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de
gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5) De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid
en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien
van de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de deskundige in redelijkheid
tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
5.2. Met zijn klacht betoogt klager, naar de kern genomen, dat verweerder onzorgvuldig
heeft gehandeld waarbij hij, als gevolg van een tunnelvisie, ten onrechte heeft geconcludeerd
dat geen sprake is van een medisch objectief vaststelbare stoornis als oorzaak van
arbeidsongeschiktheid. Hierna zal het college eerst afzonderlijk enkele van de deelverwijten
bespreken die klager heeft genoemd, omdat die een zelfstandige betekenis hebben. Daarna
zal, gegeven die beoordeling, worden beoordeeld of het algemene verwijt van klager
aan verweerder gegrond is.
Klachtonderdeel 1, onder a), e) en f)
5.3. Met deze klachtonderdelen stelt klager dat verweerders telefoongesprek van
15 april 2016 met G. een deelrapportage vormt en dat hem de daarbij behorende rechten
(inzage en correctie) zijn onthouden. Ook stelt hij dat het rapport ten onrechte niet
het feit en de inhoud van dat telefoongesprek vermeldt, noch het feit dat - en waarom
- verweerder opdracht gaf tot het psychiatrisch onderzoek.
Naar het oordeel van het college kan het bedoelde telefoongesprek niet als een (deel)rapportage
door verweerder worden aangemerkt, reeds omdat het slechts om een telefoongesprek
ging met de preventie- en re-integratiebegeleider, met als doel het inwinnen van psychologische/psychiatrische
expertise. Dat verweerder tevoren van het hem toegezonden dossier van klager kennis
nam en daarover met G. sprak, vormt een te smalle basis voor de conclusie dat dit
als een (deel)rapportage moet worden aangemerkt. Dat geldt ook als dat in de zin van
de telefoonnotitie is geweest, wat niet vaststaat nu het hier om aantekeningen van
G. gaat. Naar het oordeel van het college was het wel beter - want completer en transparanter
- geweest als verweerder in zijn rapport de datum van de oorspronkelijke opdracht,
zijn telefoongesprek met G. en zijn verzoek om nadere rapportage met de redenen daarvoor
had vermeld. Het nalaten daarvan is echter, nu D. zelf het onderzoek aan H. heeft
opgedragen en klager daar ook mee ingestemd heeft, niet zodanig zwaarwegend dat verweerder
daarvan een tuchtrechtelijk verwijt treft. Deze verwijten zijn daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 1, onder b)
5.4. Dit betreft het verwijt dat verweerder heeft verzuimd te vragen of er informatie
beschikbaar was die wel een medische grondslag gaf.
Een verzekeringsgeneeskundige die een onderzoeksopdracht aanvaart, mag er in beginsel
vanuit gaan dat de opdrachtgever alle relevante stukken aan hem toezendt die voor
een juiste wijze van uitvoering van het onderzoek nodig zijn. Dat is mogelijk anders
wanneer het toegezonden dossier evident incompleet is, maar dat doet zich hier niet
voor. Verweerder hoefde daarom niet aan D. te vragen of er nog andere bescheiden waren
waaruit een medische grondslag voor klagers klachten bleek. Ook dit onderdeel is niet
gegrond.
Klachtonderdeel 1, onder c)
5.5. Met dit onderdeel verwijt klager verweerder dat hij niet bij D. of de huisarts
heeft verzocht om gegevens van de psychologische behandeling waarvan sprake is in
de brief van huisarts F. van 4 april 2014, welke brief verweerder kende.
Daarbij is allereerst van belang dat reeds uit deze brief blijkt dat die psychologische
behandeling in ieder geval vóór april 2014 had plaatsgevonden, dus minstens twee jaar
voordat verweerder aan zijn onderzoek begon. Bovendien kende verweerder de ouderdom
van die gegevens en de summiere inhoud ervan uit de rapporten van de psychiater en
De neuropsycholoog, waarin is vermeld dat klager in 2006 en 2012 bij de desbetreffende
psycholoog, K., onder behandeling was geweest en wat zij daarbij bevonden had. Die
gegevens waren bij aanvang van verweerders onderzoek dus circa tien, respectievelijk
vier jaar oud en dus niet meer actueel. Gelet daarop, gelet op wat de psychiater over
de inhoud ervan heeft vermeld en gelet op het feit dat verweerder beschikte over de
recente psychiatrische/neuropsychologische rapportage van de psychiater en de neuropsycholoog,
heeft hij - mede gelet op wat onder 5.4. is overwogen - niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
gehandeld door die gegevens niet bij D. of de huisarts op te vragen. Ook dit klachtonderdeel
is vergeefs aangevoerd.
Klachtonderdeel 1, onder d)
5.6. Dit gaat om het verwijt dat verweerder genoegen heeft genomen met toezending
van een psychiatrische expertise in plaats van een psychiatrische en psychologische
expertise.
Het college overweegt dat het aan D. als opdrachtgever van H. was om te bepalen wat
de aard en de omvang van het van H. verlangde onderzoek zou zijn en of met de ingezonden
rapportage voldoende aan de opdracht was voldaan. Ook mocht D., als opdrachtgever
van verweerder, bepalen welke andere deskundigenbescheiden zij aan hem ter beschikking
stelde in het kader van zijn eigen opdracht. Verweerder heeft naar voren gebracht
dat de psychiatrische expertise zeer zorgvuldig was opgesteld. Ook het college ziet
in het rapport van de psychiater of in het NPO geen aanwijzingen die verweerder ertoe
hadden moeten brengen om meer of andere informatie op te vragen. Van ‘onterecht genoegen
nemen’ door verweerder met de rapportage van H. is dan ook geen sprake. Ook dit klachtonderdeel
faalt.
Klachtonderdeel 1, onder g) en h) en klachtonderdeel 2, onder i)
5.7. Met deze klachtonderdelen betoogt klager dat verweerder ten onrechte heeft
geconcludeerd dat geen medisch objectief vaststelbare (slaap)stoornis kon worden gediagnosticeerd
en dat hij zijn ogen heeft gesloten voor andersluidende aanwijzingen, zoals de psychiaters
DSM-IV-vermelding in diens rapport ‘As III: slaapstoornis’, welke vermelding verweerder
in zijn eigen rapport ongenoemd gelaten heeft.
5.8. Verweerder heeft inderdaad in zijn rapport, waar hij dat van de psychiater
aanhaalt, ten onrechte de DSM-IV-vermelding ‘As III: slaapstoornis’ weggelaten, terwijl
hij wel de DSM-IV-vermelding ten aanzien van as I, II en IV weergaf. Naar het oordeel
van het college zou het beter zijn geweest als verweerder had vermeld dat andere zorgverleners,
waaronder de psychiater, diagnoses en/of klachten (ernstige slaapstoornis, primaire
insomnia, paradoxale insomnie) hebben beschreven. Verweerder zou nadrukkelijker hebben
kunnen toelichten waarom hij aanleiding zag deze eerder gestelde diagnoses of klachten
te relativeren. Dat verweerder dit niet heeft gedaan, vindt het college echter niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daarbij is van belang dat een diagnose op zichzelf nog
geen aanleiding geeft om beperkingen te veronderstellen. Het gaat altijd om het totaalbeeld,
waarvan de diagnose een deel is. Uit de anamnese, zoals hiervóór bij de feiten onder
2.5 weergegeven, blijkt dat klager op het moment van het onderzoek niet of nauwelijks
klachten ervoer. Verweerder heeft in zijn rapport voldoende inzichtelijk gemaakt dat
en hoe hij op basis van deze en andere beschikbare informatie, de overige bevindingen
bij zijn onderzoek en de rapportage van de psychiater, tot de conclusie is gekomen
dat hij bij klager geen medisch objectiveerbare stoornis heeft kunnen vaststellen,
evenmin als relevante beperkingen.
Ook voor het overige voldoet verweerders rapport aan de geldende eisen dat daarin
de feiten, omstandigheden en bevindingen worden vermeld waarop het rapport berust
en dat het blijk geeft van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling
te beantwoorden. Verweerder heeft op de in het rapport vermelde gronden ook in redelijkheid
tot zijn slotsom kunnen komen. Hij heeft bij zijn eigen onderzoek bevindingen gedaan
die aansluiten bij die van de psychiater, inhoudende dat de algemene indruk en de
klinische impressie van het cognitief functioneren geen duidelijke aanleiding geven
om beperkingen te veronderstellen. Op basis van alle beschikbare informatie en zijn
eigen onderzoek heeft verweerder voldoende gemotiveerd beschreven dat er geen sprake
is van arbeidsongeschiktheid door ziekte. De slaap- en concentratieklachten die klager
op dat moment nog ervoer, zijn volgens verweerder niet terug te voeren op medisch
objectieve afwijkingen; er is in verzekeringsgeneeskundige zin geen sprake van beperkingen
voor het verrichten van de eigen werkzaamheden. Deze conclusie is navolgbaar.
Ook deze klachtonderdelen zijn niet gegrond.
Klachtonderdeel 2, onder j)
5.9. Klager verwijt verweerder dat hij heeft opgeschreven dat bij neuropsychologisch
onderzoek geen medisch objectieve afwijkingen zijn gevonden, terwijl het NPO niet
bruikbaar is om een diagnostische vraag te beantwoorden.
Klager heeft het citaat in verweerders rapport waartegen hij bezwaar heeft, niet volledig
weergegeven. Dat citaat luidt volledig:
“Medisch feitencomplex
Geen medisch objectieve afwijkingen bij neurologisch-, psychiatrisch- en neuropsychologisch
onderzoek. Ervaren slaap- en concentratieklachten, echter zonder medisch objectief
substraat, bij een klachtcontingent denken en handelen.”
Het is dus niet zo dat verweerder de constatering dat geen medisch objectieve afwijkingen
zijn gevonden, enkel baseert op het neuropsychologische onderzoek. Dit klachtonderdeel
is daarom ongegrond.
De overkoepelende klacht ‘verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld en had een tunnelvisie’
5.10. Tegen de achtergrond van het college-oordeel over de hiervoor behandelde
klachtonderdelen, zijn door klager niet voldoende feiten en omstandigheden gesteld
om de slotsom te rechtvaardigen dat verweerder bij zijn onderzoek en rapportage onzorgvuldig
heeft gehandeld of een tunnelvisie had. Verweerder heeft in zijn rapport de zinsnede
uit de huisartsenbrief vermeld dat klager sinds lange tijd in wisselende mate een
ernstige slaapstoornis had, terwijl verweerder ook voldoende aandacht heeft gegeven
aan de H.-rapportage, waarin de door klager ervaren geheugen- en concentratieproblemen
en chronische vermoeidheidsklachten zijn betrokken.
Deze klacht is daarom niet gegrond.
Conclusie
De slotsom is dat verweerder jegens klager niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Het college zal de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaren.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
Omvang van de zaak in beroep
4.1 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het
beroep van klager heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de zaak in volle omvang
beoordeelt, de klacht alsnog gegrond verklaart en aan de verzekeringsarts een passende
maatregel oplegt. Klager heeft verzocht om, bij gegrondverklaring van zijn klacht,
de verzekeringsarts te veroordelen in de proceskosten van klager.
4.2 De verzekeringsarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij is van
mening dat het beroep van klager moet worden verworpen en de bestreden beslissing
moet worden gehandhaafd.
Inhoudelijke beoordeling
4.3 Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van het schriftelijk en mondeling debat
ter terechtzitting in beroep over het handelen van beklaagde als verzekeringsarts
tot dezelfde constateringen als het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege
neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’
heeft overwogen hier over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het
oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In aanvulling daarop overweegt het Centraal Tuchtcollege
nog als volgt.
4.4 Uit de stukken en hetgeen op de zitting in beroep is besproken, volgt dat klager
zijn klacht ook onderbouwt met het verwijt dat de verzekeringsarts in zijn rapport
heeft aangegeven dat sprake is van malingeren door klager. De verzekeringsarts heeft
op de zitting verklaard dat malingeren door klager niet aan de orde is en dat zijn
bewoordingen in het rapport ook niet zo bedoeld waren. Het Centraal Tuchtcollege heeft
geen reden om te veronderstellen dat de verzekeringsarts in zijn rapport klager op
die manier in een kwaad daglicht heeft gesteld of heeft willen stellen. De verzekeringsarts
heeft geschreven dat bij de onderzoeken onderpresteren is geconstateerd en dat daarvoor
verschillende oorzaken kunnen zijn. Door de verzekeringsarts is niet geschreven dat
het onderpresteren gebaseerd is op malingeren en dit wordt ook anderszins niet zo
door het college gelezen. Tot slot hecht het Centraal Tuchtcollege eraan op te merken
dat het ook geen aanleiding ziet om aan te nemen dat de verzekeringsarts het gesprek
met klager heeft gevoerd zonder enige voorbereiding, noch dat de verzekeringsarts
die indruk bij klager heeft gewekt. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
is voldoende vast komen te staan dat de verzekeringsarts blanco, dat wil zeggen onbevooroordeeld
en neutraal maar wel ingelezen door middel van dossierstudie, het gesprek met klager
heeft gevoerd.
4.5 De conclusie van het voorgaande is dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht
terecht in alle onderdelen ongegrond heeft verklaard en dat het beroep zal worden
verworpen.
Kostenveroordeling
4.6 Aangezien het beroep van klager wordt verworpen, bestaat geen aanleiding voor
een proceskostenveroordeling.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep;
wijst het verzoek tot veroordeling van de verzekeringsarts in de kosten van deze procedure
af.
Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter;
J.M. Rowel-van der Linde en T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen en J.A.W. Dekker
en W.A. Faas, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 13 juni 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.