ECLI:NL:TGZCTG:2022:112 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.109

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:112
Datum uitspraak: 13-06-2022
Datum publicatie: 14-06-2022
Zaaknummer(s): C2020.109
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een verzekeringsarts. Klager heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij een bepaalde onderneming. De verzekeringsarts is als medisch adviseur bij deze onderneming in dienst en is in 2016 betrokken bij de behandeling van een claim van klager. De verzekeringsarts heeft vervolgens een andere verzekeringsarts ingeschakeld voor onderzoek en om een nadere psychiatrische expertise te laten verrichten. Klager verwijt de verzekeringsarts dat zij opzettelijk, of anders toch door onzorgvuldigheid, misleidend is geweest door de ingeschakelde verzekeringsarts niet alle relevante (medische) informatie door te zenden, waardoor deze verzekeringsarts aan tunnelvisie heeft geleden, en dat zij heeft geprobeerd van de nieuwe psychiatrische expertise een farce te maken. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk voor zover daarbij de klacht is uitgebreid of aangevuld en verwerpt het beroep van klager voor het overige.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.109 van:
                A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., verzekeringsarts, werkzaam te D., verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr. E.J. Wervelman, advocaat te Utrecht.
1.    Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 11 oktober 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de verzekeringsarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 5 maart 2020, onder nummer 19/387, heeft dat college de klacht ongegrond verklaard.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De verzekeringsarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
Op 1 april 2021 heeft het Centraal Tuchtcollege nog een brief ontvangen van klager (brief van 31 maart 2021 met bijlagen).
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 16 april 2021, waar zijn verschenen klager, in persoon, en de verzekeringsarts, bijgestaan door mr. Wervelman. De zaak is op de terechtzitting over en weer bepleit. 
Tijdens de mondelinge behandeling op 16 april 2021 heeft klager na de eerste termijn de wraking verzocht van de leden-beroepsgenoten van het Centraal Tuchtcollege. Hierop is de behandeling van de zaak geschorst. Bij beslissing van 27 augustus 2021 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen en bepaald dat de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de het indienen van het verzoek tot wraking. De behandeling van de zaak is op de zitting van 9 februari 2022 hervat, waar zijn verschenen klager, in persoon, en de verzekeringsarts, bijgestaan door mr. Wervelman. 
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. 
    “2.    De feiten
2.1.    Klager heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij E.. Hij heeft zich sinds 2003 verschillende malen arbeidsongeschikt gemeld waarna hem door E. op basis van deze verzekering een uitkering is toegekend. Nadat hij zich per 1 december 2013 opnieuw arbeidsongeschikt meldde is met ingang van 1 september 2014 voortdurend 30% uitgekeerd. 
2.2.    Nadat klager zich per 30 maart 2016 toegenomen arbeidsongeschikt meldde, is verweerster, als medisch adviseur in dienst bij E., bij de behandeling van de claim van klager betrokken. 
2.3.    In verband met klagers melding heeft verweerster op 1 april 2016 een verzekeringsarts ingeschakeld met het verzoek klager te onderzoeken en een rapport uit te brengen. Bij dit verzoek stuurde zij een brief van klagers huisarts van 
2 april 2014 en een tweetal arbeidsdeskundige rapporten, gedateerd 18 maart 2014 en 
22 februari 2016, mee. Met de brief van dezelfde datum, 1 april 2016, informeerde verweerster klager over deze gang van zaken en over de aan de verzekeringsarts meegezonden stukken.
2.4.    De verzekeringsarts adviseerde, na bestudering van de hem toegezonden stukken, eerst een psychiatrisch/psychologisch expertise te laten verrichten. Verweerster heeft dit advies opgevolgd en F. op 15 april 2016 schriftelijk gevraagd klager te laten onderzoeken door een psycholoog en psychiater. Ook bij deze aanvaag heeft zij verschillende stukken meegezonden. Hierna is in opdracht van F. een neuropsychologisch onderzoek alsmede een psychiatrische expertise verricht. Het naar aanleiding daarvan door F. opgestelde rapport heeft verweerster bij brief van 12 september 2016 aan de verzekeringsarts gestuurd.
2.5.    Klager is vervolgens op 21 oktober 2016 door de verzekeringsarts onderzocht waarna laatstgenoemde een rapport heeft uitgebracht dat, nadat klager daarop heeft gereageerd, op 17 november 2016 definitief is gemaakt. Op grond van dit rapport heeft E. klager medegedeeld voornemens te zijn de uitkering aan klager te staken.
2.6.    Met dat voornemen stemde klager niet in waarna, in overleg, tot een nieuwe psychiatrische expertise en aansluitend een nieuw verzekerings-geneeskundig onderzoek is besloten. Met instemming van klager is bij het verzoek van 
11 augustus 2017 aan de tweede psychiater, naast verschillende andere stukken,
ook het door F. opgestelde rapport meegezonden. 
2.7.    De tweede psychiater heeft klager uitgenodigd voor een psychiatrische expertise op 14 februari 2018 maar deze afspraak heeft geen doorgang gehad.
2.8.    Verweerster is vanaf dat moment niet meer bij klagers claim betrokken geweest.
3.    De klacht en het standpunt van klager
3.1.    De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster
a.    opzettelijk, of anders toch door onzorgvuldigheid, misleidend is geweest door 
de i-geschakelde verzekeringsarts niet alle relevante (medische) informatie door te zenden, waardoor deze verzekeringsarts aan tunnelvisie heeft geleden.
b.    heeft geprobeerd van de nieuwe psychiatrische expertise een farce te maken.
3.2.    Tijdens het vooronderzoek heeft klager aangegeven dat zijn klacht eigenlijk één terugkerend verwijt betreft, namelijk dat verweerster alle relevante (medische) informatie hand moeten doorzenden aan zowel de verzekeringsarts, als aan de tweede psychiater. Meer in het bijzonder had verweerster de als bijlage 5 bij het klaagschrift gevoegde informatie uit 2004 en 2005 en de als bijlage 6 bij het klaagschrift gevoegde informatie uit 2012, moeten meesturen. Voor zover nodig zal hieronder nader op de stellingen van klager worden ingegaan.
4.    Het standpunt van verweerster
4.1.    Verweerster heeft de aan de klachtonderdelen ten grondslag gegelegde stellingen bestreden en is van oordeel dat de klacht (kennelijk) ongegrond dient te worden verklaard.  
4.2.     Verweerster heeft in reactie op de klacht aangegeven van mening te zijn wel alle relevantie medische informatie te hebben meegestuurd bij haar adviesaanvragen. Voor zover nodig zal hieronder nader op het standpunt van verweerster worden ingegaan.
5.    De beoordeling
5.1.    Ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard. Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van dat beroepsmatig handelen gaat het derhalve niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen die grenzen is gebleven. In het licht van dat toetsingskader zal het college de verschillende klachtonderdelen beoordelen.
5.2.    Met klager stelt het college vast dat verweerster bij de adviesaanvraag aan de verzekeringsarts, bij de adviesaanvraag aan F. en bij de adviesaanvraag aan de tweede psychiater verschillende stukken heeft meegezonden. De vraag die voorligt is of verweerster daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college is van oordeel dat daarvan geen sprake is. 
5.3.    Gezien de verschillende onderzoeksvragen, heeft verweerster op goede gronden telkens opnieuw beoordeeld welke stukken voor de betreffende onderzoeker, relevant waren en heeft zij alleen die stukken meegezonden. Dat verweerster, zoals klager stelt, daarbij opzettelijk, of onzorgvuldig relevante stukken juist niet heeft meegezonden is het college niet gebleken; ook niet voor wat betreft de specifiek door klager genoemde (bij zijn klaagschrift gevoegde) bijlagen 5 en 6. In de door verweerster meegezonden stukken was, afgezet tegen de desbetreffende onderzoeksvraag, voldoende relevante (medische) informatie opgenomen om, in combinatie met het door de onderzoekers zelf uit te voren onderzoek, een volledige advies te kunnen uitbrengen. 
5.4.    De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 Wet BIG worden gemaakt.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende bestreden.
4.    Beoordeling van het beroep
    Omvang van de zaak in beroep
4.1    Klager wil met zijn beroep zijn klacht in volle omvang door het Centraal Tuchtcollege laten beoordelen. Het beroep van klager strekt ertoe dat het Centraal Tuchtcollege de klacht alsnog gegrond verklaart en aan de verzekeringsarts een maatregel oplegt. 
4.2    De verzekeringsarts heeft in beroep verweerd gevoerd en heeft het Centraal Tuchtcollege primair verzocht om klager niet-ontvankelijk te verklaren in het beroep en subsidiair het beroep te verwerpen.
4.3    Klager heeft in het beroepschrift bezwaar gemaakt tegen de manier waarop het Regionaal Tuchtcollege zijn klacht heeft weergegeven. Hoewel het de klagende partij is die de klacht indient, is het de taak van de tuchtrechter om op basis van de ingediende klacht - na een weloverwogen beoordeling - een beslissing te schrijven die voor het algemene publiek voldoende te volgen is. Het medisch tuchtrecht is namelijk ingesteld om de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bevorderen. Dit betekent dat het de tuchtrechter is toegestaan om de klachten op overzichtelijke en/of samenvattende wijze te formuleren. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de manier waarop de klacht van klager is weergegeven in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, onverminderd recht doet aan de inhoud van de klachten die klager bij het Regionaal Tuchtcollege heeft ingediend.
        Ontvankelijkheid
4.4    De verzekeringsarts heeft in beroep betoogd dat het beroepschrift van klager een aantal nieuwe klachten bevat en dat klager wat betreft die onderdelen niet in zijn beroep kan worden ontvangen. Met de verzekeringsarts is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het verwijt dat de verzekeringsarts aan de behandelend sector had moeten vragen wat er speelde, in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege niet is aangevoerd. Hetzelfde geldt voor het verwijt dat de verzekeringsarts het verzoek om een psychologische expertise geleidelijk naar de achtergrond heeft laten verdwijnen, en voor het verwijt dat de verzekeringsarts heeft geforceerd dat klager instemde met het verstrekken van de rapportage van G.. Dit zijn nieuwe klachten van klager. De procedure in beroep is bedoeld om het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over klachten of bepaalde onderdelen daarvan ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. In beroep kunnen daarom geen nieuwe klachten aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd. Voor dat deel zal het Centraal Tuchtcollege klager dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep.
    Inhoudelijke beoordeling
4.5    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. 
4.6    In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandelingen op 16 april 2021 en op 9 februari 2022 is dat debat voortgezet.
4.7    Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van het schriftelijk en mondeling debat ter terechtzitting in beroep over het handelen van de verzekeringsarts tot dezelfde constateringen als het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De beoordeling’ heeft overwogen hier
over. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de verzekeringsarts met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt.
4.8    Dit betekent dat het beroep van klager zal worden verworpen. 
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep voor zover daarbij de klacht is uitgebreid of aangevuld;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter; Y. Buruma en 
M.W. Zandbergen, leden-juristen en J.H.M. de Brouwer en W.A. Faas, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde, secretaris. 
Uitgesproken ter openbare zitting van 13 juni 2022.
        Voorzitter   w.g.            Secretaris  w.g.