ECLI:NL:TGZCTG:2022:111 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.261
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:111 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-05-2022 |
| Datum publicatie: | 30-05-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2020.261 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen verpleegkundige. Klaagster is bekend met een schizo-affectieve stoornis en wordt ambulant behandeld door PsyQ. Klaagster verwijt verweerder in de kern dat hij als voorwacht van de crisisdienst niet heeft erkend dat klaagster psychotisch aan het ontregelen was, dat hij ’s nachts geen huisbezoek heeft afgelegd om klaagster te beoordelen en het verzoek om een huisbezoek niet serieus heeft genomen. Zij verwijt verweerder dat hij een toegezegde beoordeling later weer weigerde, voor verder beleid doorverwees naar Intensieve Behandeling Thuis en de behandelaren, geen nazorg heeft geboden en geen contact met de familie heeft opgenomen om hun onvrede te bespreken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
zaaknummer Centraal Tuchtcollege: C2020.261
zaaknummer Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam: 2020/073 (ECLI:NL:TGZRAMS:2020:129)
beslissing in de zaak van:
C., wonende in D., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, gemachtigde: mr. C.N. Felter, verbonden aan ARAG Nederland in Leusden.
tegen
E., verpleegkundige, werkzaam bij de crisisdienst B., verweerder in beide instanties,
hierna: de verpleegkundige,
gemachtigde: mr. K. Salomons, advocaat in Den Haag.
1. Procesverloop
Klaagster heeft op 19 maart 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam een klacht
ingediend tegen de verpleegkundige. Dit college heeft de klacht in zijn beslissing
van 15 oktober 2020 kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen die beslissing
beroep ingesteld. De verpleegkundige heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met het beroep in de zaak van
klaagster tegen A. (C2020.258) behandeld op de zitting van 30 maart 2022. De verpleegkundige
is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens klaagster is F., zwager van
klaagster (hierna: de zwager) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van klaagster.
Partijen hebben hun standpunten op de zitting verder toegelicht. Zij hebben daarbij
gebruik gemaakt van notities. Het Centraal Tuchtcollege heeft een kopie van die notities
ontvangen.
2. Waar gaat deze zaak over?
2.1 Klaagster wordt in verband met een schizo-affectieve stoornis ambulant behandeld
door G.. In 2018 raakt zij zwanger. In verband met een verhoogd risico op een postpartum
psychose vanwege eerder doorgemaakte psychoses in 2001 en 2010 wordt een stappen-
en een signaleringsplan opgesteld. Tijdens haar zwangerschap wordt klaagster behandeld
op de POP-poli van het H.. Na de bevalling zal Intensieve Behandeling Thuis (hierna:
IBT) worden ingeschakeld.
Klaagster is op 7 november 2018 bevallen en op 9 november 2018 uit het ziekenhuis
ontslagen.
2.2 IBT bezoekt klaagster op 14 november 2018. De moeder van klaagster (hierna:
de moeder) belt op 15 november 2018 de crisisdienst met zorgen over klaagster. De
crisisdienst gaat op huisbezoek en treft daar een volgens hun inschatting rustige
situatie aan.
2.3 Op 16 november 2018 neemt de familie van klaagster (hierna: de familie) telefonisch
contact op met alle betrokken hulpverleners (G., crisisdienst, verloskundige, huisarts)
in verband met ernstige zorgen over de veronderstelde psychotische ontregeling van
klaagster. Op verzoek van de moeder komt de huisarts aan het eind van de ochtend op
huisbezoek. De door de huisarts vervolgens gevraagde beoordeling wordt door de crisisdienst
geweigerd. Aan het eind van de middag gaat de huisarts nogmaals op huisbezoek. De
huisarts neemt telefonisch contact op met G. en schrijft een verhoging van de medicatie
en Temazepam voor. Diezelfde avond komt de crisisdienst op huisbezoek voor een beoordeling
van klaagster.
2.4 In de ochtend van zaterdag 17 november 2018 komt de verpleegkundige van IBT
op huisbezoek. Er wordt een vervolgbezoek voor de volgende dag afgesproken. Aan het
eind van de middag belt de moeder de crisisdienst omdat zij een verslechtering meent
te zien. De crisisdienst verwijst haar naar IBT. IBT belt vervolgens met klaagster
die laat weten het niet nodig te vinden dat er iemand langskomt.
2.5 Op 17 november 2018 rond 22.00 uur belt de zus van klaagster (hierna: de zus)
de crisisdienst en ongeveer een half uur later wordt zij teruggebeld door de verpleegkundige,
die op dat moment dienst had als voorwacht van de crisisdienst. Het gesprek wordt
afgerond na de mededeling van de verpleegkundige dat hij gaat overleggen en daarna
terug zal bellen. De verpleegkundige overlegt vervolgens met de dienstdoende arts
van de crisisdienst (hierna: de arts) en met de psychiater die dienst had als achterwacht
(hierna: de psychiater).
2.6 Na dit overleg wordt de familie rond middernacht gebeld door de arts. In totaal
heeft de arts die nacht driemaal telefonisch contact met de familie. De familie vraagt
expliciet om klaagster te komen beoordelen en de arts overlegt hierover met de psychiater
en de verpleegkundige. In het EPD treffen zij het signaleringsplan niet aan. De inhoud
van dit plan wordt door de familie in het tweede telefoongesprek met de arts doorgegeven.
2.7 Het laatste telefonisch contact van de arts met de familie is op 18 november
2018 rond 1.00 uur. De arts meldt aan de familie dat na uitgebreid overleg is besloten
niet langs te komen maar medicatieadvies te geven. Aan de familie worden twee opties
aangeboden, beide bestaande uit een combinatie van Olanzapine en Temazepam.
2.8 Kort voor 6.00 uur belt de zwager de crisisdienst met het verzoek om langs
te komen. Kort na 6.00 uur belt de verpleegkundige terug en daarna overlegt hij met
de arts. Om 6.23 uur belt de verpleegkundige weer terug en krijgt hij de zus aan de
telefoon. De verpleegkundige meldt dat er 45 minuten later iemand langskomt. De zus
zegt dat zij klaagster net 10 mg Temazepam heeft gegeven en dat klaagster inmiddels
rustiger is. De verpleegkundige zegt dat een bezoek over 45 minuten dan niet veel
zin heeft en stelt voor het bezoek van IBT later die ochtend af te wachten en maandag
met de behandelaren te bespreken wat er verder moet gebeuren.
2.9 IBT komt rond 9.30 uur op huisbezoek en schakelt de crisisdienst in. Later
die ochtend komen een SPV-er en een arts van de crisisdienst op huisbezoek. Zij beoordelen
klaagster als psychotisch ontregeld. Klaagster wordt diezelfde dag vrijwillig opgenomen
en na een aantal overplaatsingen op 9 mei 2019 ontslagen.
2.10 De klacht zoals klaagster die heeft ingediend bestond uit acht onderdelen.
Klaagster verwijt de verpleegkundige dat hij niet heeft erkend dat klaagster psychotisch
aan het ontregelen was (1), dat hij de zus en de zwager niet heeft gehoord in hun
verzoek om hulp en hen niet serieus heeft genomen (2) en klaagster niet in persoon
heeft beoordeeld maar zich baseerde op eerdere verslaglegging (3). Zij verwijt de
verpleegkundige dat hij een toegezegde beoordeling later weer weigerde (4) en dat
hij voor verder beleid verwees naar IBT en de behandelaren (6), dat hij het dossier
onjuist en gebrekkig heeft bijgehouden (5) en dat het signaleringsplan niet bekend
was (7). Klaagster verwijt de verpleegkundige dat hij geen nazorg heeft geboden en
geen contact met de familie heeft opgenomen om hun onvrede te bespreken (8).
2.11 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht op alle punten afgewezen. De bedoeling
van het beroep van klaagster is dat de klacht door het Centraal Tuchtcollege alsnog
(gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard.
3. Het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
3.1 Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klaagster hierna bespreken. De
conclusie zal zijn dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in stand blijft.
Beginnende postpartum psychose is herkend en erkend (klachtonderdeel 1)
3.2 Klaagster herhaalt in beroep haar stelling dat de verpleegkundige niet heeft
(h)erkend dat er sprake was van een beginnende postpartum psychose. De verpleegkundige
heeft tijdens de zitting in beroep verklaard dat hij hier wel rekening mee heeft gehouden.
Gelet op de voorgeschiedenis van klaagster en de professionele expertise van zowel
de verpleegkundige als de psychiater en de arts, acht het Centraal Tuchtcollege het
onwaarschijnlijk dat tijdens de verschillende overleggen tussen deze drie professionals
is miskend dat er bij klaagster sprake was van een beginnende postpartum psychose.
In de aantekeningen van de arts in het medisch dossier wordt verschillende keren gesproken
over een “eerdere psychose”, wat ook wijst in de richting van de diagnose postpartum
psychose, ook al wordt die in het dossier niet specifiek vermeld. Het beroep van klaagster
slaagt hier niet.
Handelen naar aanleiding van de hulpvraag verdedigbaar (klachtonderdelen 2 en 3)
3.3 Kern van de klacht is dat de verpleegkundige in de nacht van 17 op 18 november
2018 geen huisbezoek heeft afgelegd om klaagster te beoordelen. Klaagster stelt dat
hij het verzoek niet serieus heeft genomen. Het Centraal Tuchtcollege overweegt als
volgt.
3.4 De verpleegkundige heeft op 17 november 2018, 22.00 uur telefonisch contact
gehad met de zus. Desgevraagd heeft hij tijdens de zitting verklaard dat hij in een
geval als hier aan de orde na een melding eerst het dossier bekijkt om globale informatie
te krijgen en vervolgens telefonisch contact opneemt met de patiënt of diens naasten
om uit te vragen wat er aan de hand is. In dit geval beoordeelde de verpleegkundige
de situatie als complex en hij heeft de professionele verantwoordelijkheid die in
een dergelijk geval op hem rust zo ingevuld dat hij niet direct zelf een huisbezoek
heeft afgelegd maar voor overleg contact heeft opgenomen met de arts en de psychiater.
Zij hebben met z’n drieën het medisch dossier van klaagster bekeken en overlegd over
welk beleid in dit geval de voorkeur verdiende. De uitkomst van dit overleg was dat
een medicatieadvies gegeven zou worden met als doel rust te creëren en dat een huisbezoek
daaraan niet zou bijdragen terwijl het voor de keuze van het beleid geen meerwaarde
had. Afgesproken werd dat de arts met de familie zou bellen om het gekozen beleid
uit te leggen. De verpleegkundige heeft tijdens de zitting desgevraagd verklaard dat
hij zich volledig in het gekozen beleid kon vinden. Vanwege de complexe situatie wordt
afgesproken dat niet de verpleegkundige maar de arts de familie terugbelt en hen het
medicatieadvies geeft.
3.5 Tijdens het telefonische contact van de arts met de familie blijkt dat de familie
vasthoudt aan het verzoek om een huisbezoek. Ook vertelt de familie dat er een signaleringsplan
is opgesteld. Dit plan wordt in het medisch dossier niet teruggevonden. De arts krijgt
van de familie telefonisch te horen dat het signaleringsplan in het geval van een
ontregeling als noodmedicatie vermeldt:
- Slaapmedicatie Oxazepam 10 mg. zonodig 1 tablet en als dat niet helpt:
- Olanzapine verhogen tot max. 20 mg.
- Bij veel angst en/of niet goed slapen mbv bovenstaande medicatie: lorazepam 1mg,
max 3 dd 1 toevoegen.
3.6 De arts overlegt nogmaals met de psychiater en de verpleegkundige en de uitkomst
van dat overleg bleef dat voor klaagster rust het belangrijkst was en dat een huisbezoek
daaraan niet zou bijdragen terwijl het voor de keuze van het beleid geen meerwaarde
had. Bovendien schreef het signaleringsplan bij ontregeling noodmedicatie voor. Het
laatste van de drie telefoongesprekken die de arts met de familie heeft gevoerd is
afgesloten met het medicatieadvies en met de vaststelling dat IBT de volgende dag
tweemaal langs zou komen.
3.7 Het Centraal Tuchtcollege vindt, hoewel zeker ook de keuze had kunnen worden
gemaakt om wél een huisbezoek af te leggen, het gekozen beleid zoals hiervoor omschreven
verdedigbaar. Het feit dat de verpleegkundige het met dit beleid eens was en dus niet
op eigen initiatief alsnog een huisbezoek heeft afgelegd kan hem daarom niet verweten
worden. Een huisbezoek is niet geweigerd, maar na afweging van verschillende argumenten
voor en tegen is weloverwogen en op goede gronden gekozen voor een ander beleid, dat
in lijn was met het signaleringsplan. Dit klachtonderdeel is door het Regionaal Tuchtcollege
terecht ongegrond bevonden.
Verwijt over het handelen in de vroege ochtend van 18 november 2018 is ongegrond (klachtonderdelen
4 en 6)
3.8 De verpleegkundige heeft rondom en tijdens de twee telefoongesprekken kort
na 6.00 uur in de ochtend juist gehandeld. De stelling van de verpleegkundige dat
het eerder toegezegde huisbezoek kort na inname van extra medicatie niet zinvol was
acht het Centraal Tuchtcollege navolgbaar en ook zijn inschatting dat het later die
ochtend geplande bezoek van IBT en vervolgens het contact met de behandelaren afgewacht
kon worden vindt het college gezien alle omstandigheden verdedigbaar en dus niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar.
Verwijt over nazorg en uitblijven contact in verband met onvrede bij familie is ongegrond
(klachtonderdeel 8)
3.9 Het verwijt dat klaagster de verpleegkundige maakt over het gebrek aan nazorg
houdt verband met het gekozen beleid. Omdat het Centraal Tuchtcollege heeft geoordeeld
dat dit beleid verdedigbaar is geldt dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.
3.10 Net als het Regionaal Tuchtcollege is ook het Centraal Tuchtcollege niet gebleken
dat de verpleegkundige op de hoogte was van de onvrede bij de familie. Een behandelaar
mag er op vertrouwen dat hij of zij ingeval van een klacht of onvrede over zijn of
haar handelen door de organisatie op de hoogte wordt gesteld en aan hem of haar de
gelegenheid wordt geboden hierover met de betrokkene(n) te praten. Dat is hier niet
gebeurd en de verpleegkundige heeft aangegeven het te betreuren dat het bericht over
de onvrede hem niet heeft bereikt. Ook op dit punt is de klacht terecht ongegrond
verklaard.
De klachtonderdelen 5 en 7 zijn ongegrond
3.11 Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing onder 5.5 en 5.7 goed
onderbouwd geoordeeld dat de klachtonderdelen over de dossiervoering en het signaleringsplan
ongegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze overwegingen en dit
oordeel, zodat het beroep van klaagster ook hier niet slaagt.
Conclusie
3.12 Het beroep van klaagster wordt verworpen.
4. De beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. Daalder, voorzitter; B.J.M. Frederiks en H.
de Hek, leden-juristen en D.A. Polhuis en M.J.E. van Haren, leden-beroepsgenoten en
M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 30 mei 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.