ECLI:NL:TGZCTG:2021:225 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.237
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:225 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-12-2021 |
| Datum publicatie: | 27-01-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2020.237 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | C2020.237 Klacht tegen een tandarts. Klager is sinds 2014 patiënt bij de kliniek de tandarts werkt. In 2015 is bij een tussentijdse controle gebleken dat alle elementen in de bovenkaak geëxtraheerd dienen te worden en klager komt naar aanleiding daarvan bij de tandarts op consult. Zij hebben daarna meermalen contact over een gefaseerd behandelplan en de begroting daarvan. De behandeling wordt door de tandarts in 2016 uitgevoerd. Bij nacontroles blijkt sprake van veel plaque en in 2017 wordt klager door een internist i.v.m. pre-implantitis naar een kaakchirurg verwezen.Klager verwijt de tandarts – kort gezegd – dat hij een ingreep heeft aangeraden waarbij implantaten werden aangebracht zonder voorafgaand voldoende onderzoek te doen naar de bloedplaatjesafwijking van klager en bij zijn advies geen rekening heeft gehouden met de afwijking van klager. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.237 van:
A., wonende B., klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. H.D. Wind, advocaat te Amsterdam,
tegen
C., tandarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, als advocaat verbonden
aan VvAA te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 29 oktober 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam
tegen C. – hierna de tandarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 22 september
2020, onder nummer 2019/402, heeft dat college de klacht ongegrond verklaard.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De tandarts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege
van 19 november 2021, waar zijn verschenen de tandarts, bijgestaan door mr. de Groot.
Mr. Wind is namens klager verschenen en heeft medegedeeld dat klager door persoonlijke
omstandigheden niet ter terechtzitting zal verschijnen.
Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Mr. Wind heeft dat gedaan aan de
hand van spreekaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overhandigd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1. Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten.
2.2. Verweerder is als tandarts werkzaam bij de Kliniek voor Parodontologie B.
(“KvP-B.”) te B.. Klager is blijkens de door verweerder overgelegde patiëntenkaart
sinds 23 juni 2014 patiënt bij KvP-B.. Klager werd naar KvP-B. verwezen door tandarts
D., die in de verwijsbrief vermeldde dat klager een patiënt betreft met een “advanced
periodontal situation” die “stringent supportive periodontal therapy” behoeft
en “the attention of a well-trained dental hygienist”.
2.3. Tijdens het eerste consult bij KvP-B. (bij een collega van verweerder) op
28 augustus 2014 werd de anamnese van klager afgenomen. Op de patiëntenkaart
staat bij dat consult onder meer genoteerd:
“20 jaar paropatient in E. en F..MA: alfa delta storageplatelet disorder:
te weinig en slechter functionerende bloedplaatjes--> verlengde bloedingstijd. Voor
extracties
en paro geen prev maatreg nodig behalve goed hechten. (…)”
2.4. In de periode tussen augustus 2014 en februari 2016 ondergaat klager regelmatig
een behandeling bij de mondhygiëniste van KvP-B.. De patiëntenkaart vermeldt regelmatig
dat sprake is van (erg) veel plaque bij klager.
2.5. Tijdens een tussentijdse controle op 30 juni 2015 is gebleken dat alle elementen
in
de bovenkaak van klager verloren waren en dienden te worden geëxtraheerd. Klager heeft
toen aangegeven totaalextractie van de bovenkaak te overwegen, eventueel gevolgd door
een implantaatgedragen prothese. Naar aanleiding daarvan vond op 7 september 2015
een (eerste) consult plaats van klager bij verweerder. De patiëntenkaart vermeldt
over dit
consult onder meer:
“Uitgebreid gepraat. Zijn ziekte besproken en downsides daarvan / wist al veel over
implanto en heeft zich duidelijk laten voorlichten. (…)
BK extractie en 2x 2 implntaten genavigeerd plaatsen en gefraisde stegverbinding
(…)
Begroting en voorstel planning maken.”
2.6. In de periode tussen september en november 2015 hebben klager en verweerder
meermalen contact gehad over een gefaseerd behandelplan voor de boven- en de onderkaak
en de begroting van dat behandelplan. De behandeling is uiteindelijk in juni en oktober
2016 door verweerder uitgevoerd.
2.7. In de periode na de het aanbrengen van de implantaten heeft klager met enige
regelmaat de mondhygiëniste bezocht. Vanaf februari 2018 maakt de patiëntenkaart bij
ieder nazorg-consult melding van meer of mindere mate van gebrekkige mondhygiëne bij
klager en veel plaque. In februari 2017 wordt een beginnende peri-implantitis geconstateerd,
waarna in december 2017 door verweerder wordt voorgesteld een peri-implantitisbehandeling
uit te voeren door een open flap chirurgie. In verband daarmee wordt een bacterietest
uitgevoerd bij klager. Het rapport daarvan vermeldt onder meer:
“Microbiologische bevindingen:
We troffen een anaërobe, paropathogene microflora aan (…). Dit hangt samen met de
matige mondhygiëne van de patiënt.
Mogelijke interventies:
Een volledige initiële behandeling en optimaliseren van de mondhygiëne zijn noodzakelijk.
Mogelijk is ook chirurgie geindiceerd na de initiële behandeling (…). Na deze behandeling
en na extractie van hopeloze elementen kan een metronidazolkuur (…) worden gebruikt.”
2.8. Klager heeft verweerder op 23 januari 2019 laten weten voorlopig af te zien
van de peri-implantitisbehandeling door een open flap chirurgie. Klager is door zijn
internist verwezen naar G., MKA-chirurg bij het H. met het verzoek klager te beoordelen
aangezien de ingreep (de peri-implantitisbehandeling) “die is voorgesteld door de
eigen tandarts in de huidige situatie niet in de algemene praktijk zou moeten plaatsvinden.”
2.9. Blijkens de patiëntenkaart is klager op 26 februari 2019 op consult geweest
bij
G. en heeft klager tijdens een nazorgconsult aan de mondhygiëniste verteld dat bij
het H. is besloten dat de implantaten in de boven- en waarschijnlijk ook de onderkaak
geëxplanteerd moeten worden in verband met teveel botverlies.
2.10. Op 7 maart 2019 meldt verweerder onder meer het volgende op de patiëntenkaart
van klager:
“Met G., hoogleraar I. heb ik afgesproken dat de verantwoordelijkheid voor behandeling
nu voorlopig bij hem en de internist bij het H. rust. Vraag is of alles er uit moet
inclusief brug onderkaak. Hij zal dit met internist bespreken. Of wachten tot er klachten
komen en fdan behandelen.Of proactief aan het werk gaan, dat wordt dus nu in het H.
beslist !”
2.11. In april 2019 is meermalen contact geweest tussen klager enerzijds en KvP-B.
en verweerder anderzijds. Klager gaf aan boos en teleurgesteld te zijn over de gang
van zaken en over het feit dat de implantaten er pas twee jaar in zaten en hem veel
geld hebben gekost.
2.12. Per brief van 24 april 2019 geeft verweerder aan klager aan het teleurstellend
te vinden dat de implantaten in zowel boven- als onderkaak na ruim twee jaar verloren
zijn. Hij schrijft verder onder meer:
“Uit onderzoek weten wij dat er een verhoogd risico is op verlies van implantaten
bij een parodontaal behandelde en stabiele patiënt. De risico’s die er zijn bij plaatsen
van implantaten bij iemand die een parodontitis heeft doorgemaakt, zijn toen met u
besproken.
Omdat er risico’s zijn bij chirurgie bij u is er voor gekozen de implantaten “genavigeerd”
te plaatsen. Hiervoor is een planning gemaakt op de computer waarbij via een dwingende
chirurgische mal implantaten zijn geplaatst, juist om het chirurgische trauma zo minimaal
mogelijk te maken.
Zoals gezegd vinden wij het zeer vervelend dat de implantaten nu al verloren gaan,
het is
de vraag of dit komt door uw bloedplaatjesafwijking. In de wetenschappelijke literatuur
zijn hier geen artikelen over te vinden. Uit coulance zouden wij willen voorstellen
de vervolgbehandeling bij u te doen na verwijdering van de implantaten zonder dat
daar kosten aan verbonden zijn. Wij maken een goed functionerende bovenprothese en
een precisie frame in de onderkaak.”
2.13. Klager is niet ingegaan op het aanbod van verweerder voor een (kosteloze)
vervolgbehandeling en heeft een klacht ingediend bij het College.
3. De klacht en het standpunt van klager en verweerder
3.1. Tussen partijen is in geschil de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld door klager aan te raden een ingreep te ondergaan waarbij implantaten
werden aangebracht, zonder daaraan voorafgaand (genoegzaam) onderzoek te doen naar
de bloed-plaatjesafwijking die klager heeft en zonder klager alle informatie te verschaffen
over de aan die ingreep verbonden risico’s.
3.2. Volgens klager heeft verweerder bij zijn advies implantaten aan te brengen
geen enkele rekening gehouden met de afwijking van klager, voor zover die afwijking
toen al bij verweerder bekend was. Volgens klager had verweerder op grond van de bevindingen
uit onderzoek naar de bloedplaatsjesafwijking klager in 2017 moeten afraden de implantaten
te laten plaatsen, gelet op de daaraan verbonden risico’s. De bloedplaatjesafwijking
die klager heeft, is volgens hem van nadelige invloed op de slagingskans van de ingreep.
3.3. Verweerder stelt bekend te zijn geweest met de bloedplaatjesafwijking van
klager en de consequenties daarvan, namelijk een langere bloedingstijd. Verweerder
betwist daarmee geen rekening te hebben gehouden en stelt dat de implantaten in verband
met de bloedplaatjesafwijking van klager genavigeerd zijn geplaatst. Volgens verweerder
levert de afwijking van klager geen contra-indicatie voor het plaatsen van implantaten,
indien passende maatregelen worden getroffen, hetgeen volgens verweerder is gebeurd.
Volgens verweerder is de bloedplaatjesafwijking van klager niet de oorzaak van het
verlies van de implantaten en is een dergelijk geval ook niet terug te vinden in de
medische literatuur. Verweerder stelt de risico’s van de ingreep met klager te hebben
besproken.
4. De beoordeling
4.1. Bij de beoordeling van de klacht toetst het College of verweerder ten opzichte
van klager de zorg heeft verleend die een redelijk handelend en redelijk bekwame beroepsgenoot
in dezelfde omstandigheden en met de wetenschap van dat moment zou hebben verleend.
Het College is op basis van de stukken en hetgeen tijdens het mondeling vooronderzoek
en de zitting naar voren is gekomen van oordeel dat dat het geval is.
4.2. De klacht wordt ongegrond verklaard. Hierna wordt deze beslissing toegelicht.
De toelichting
4.3. Het College stelt op basis van de stukken vast dat verweerder bekend was met
het feit dat klager lijdt aan een bloedplaatjesafwijking. Klager heeft dit gemeld
toen hij in 2014 patiënt werd bij KvP-B..
4.4. Klager meent dat verweerder hem had moeten afraden implantaten te laten plaatsen
omdat de bloedplaatjesafwijking een negatieve invloed zou hebben op de slagingskans
van de ingreep. Volgens klager zijn er legio voorbeelden van wetenschappelijke studies
die aantonen dat de bloedplaatjesafwijking die klager het risico op infecties en het
(daardoor) niet functioneren van de implantaten vergroot. Verweerder betwist dat dergelijke
studies bekend zijn. Het college stelt vast dat klager weliswaar stelt dat hij dergelijke
studies online heeft gevonden, maar dat hij deze niet in het geding heeft gebracht.
Klager heeft zijn stelling ook niet op een andere manier onderbouwd. Het door klager
bedoelde verband is het college ook niet bekend en evenmin anderszins is aannemelijk
geworden dat de stelling van klager dat een dergelijk verband bestaat, juist is. Voor
de beoordeling van de klacht gaat het College er derhalve van uit dat een dergelijk
verband er niet is.
4.5. Klager stelt dat als verweerder had geweten van het vergrote risico van afstoting
als gevolg van de bloedplaatsjesafwijking, hij een betere afweging had kunnen maken
ten aanzien van het wel of niet laten uitvoeren van de ingreep. Het College volgt
verweerder in zijn stelling dat hij klager niet kan informeren over iets dat er niet
is.
Verweerder zegt klager overigens wel te hebben gewezen op het vergrote risico van
afstoting van de implantaten als gevolg van een gebrekkige mondhygiëne en parodontitis.
Ter zitting heeft klager verklaard dat dat hem inderdaad bekend was toen hij besloot
de ingreep te ondergaan.
4.6. Volgens klager heeft verweerder op geen enkele manier rekening gehouden met
de afwijking van klager en had verweerder specialistisch advies moeten inwinnen over
de risico’s van de ingreep. Op basis van de stukken en hetgeen tijdens het mondeling
vooronderzoek en de zitting naar voren is gekomen, is het College van oordeel dat
verweerder voldoende bekend was met de afwijking van klager en het gevolg daarvan,
namelijk een vertraagde stolling, en daarmee bij (de voorbereiding van) de ingreep
ook voldoende rekening heeft gehouden, onder meer door de implantaten genavigeerd
te plaatsen.
4.7. Klager heeft het College verzocht zijn echtgenote ter zitting te horen als
getuige. Tijdens de zitting verklaarde klager dat zij niets anders zou verklaren dan
al in de stukken stond vermeld. Klager heeft vervolgens van zijn verzoek afgezien.
Klager heeft ook geopperd dat het College desgewenst nadere vragen zou kunnen stellen
aan een of meer deskundigen. Het College heeft ter zitting aangegeven daar op dat
moment geen behoefte aan te hebben. Ook na de zitting is die behoefte niet gebleken
omdat het college zich voldoende geïnformeerd acht.
4.8. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht ongegrond is. Verweerder
kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van
de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij
verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de bestreden beslissing te vernietigen en de
klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.2 De tandarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal
Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover schriftelijk
en mondeling bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege
opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege doorgestuurd.
4.4 In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij
heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege
vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 19 november 2021 is dat debat voortgezet.
4.5 De bespreking van de zaak in raadkamer na de mondelinge behandeling in beroep
heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten
of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘4. De
beoordeling’ heeft overwogen hier volledig over want het is het daarmee eens. Daarmee
sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
dat de tandarts met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47
lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt.
Dit betekent dat het beroep van klager zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter; T. Dompeling en
H.M. Wattendorff, leden-juristen en M. Fokke en R. van der Velden, leden-beroepsgenoten
en
E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.