ECLI:NL:TGZCTG:2021:221 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2018.490
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:221 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-12-2021 |
| Datum publicatie: | 21-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2018.490 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. De klacht is ingediend door de zoon van een overleden patiënt van de huisarts. Klachtonderdeel 1 gaat over de door de huisarts aan de patiënt verleende zorg en klachtonderdeel 2 gaat over het niet of niet tijdig informeren van de nabestaanden en een aantal met name genoemde instanties over de doodsoorzaak van patiënt. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat klager als nabestaande wel ontvankelijk is in klachtonderdeel 1, maar acht dit klachtonderdeel ongegrond. Klager wordt door dit college in klachtonderdeel 2 deels niet‑ontvankelijk geacht, namelijk voor zover dit klachtonderdeel gaat over het niet-informeren van de hiervoor bedoelde instanties. Voor het overige wordt klachtonderdeel 2 ongegrond geoordeeld. De huisarts heeft met recht een beroep gedaan op het beroepsgeheim. Het beroep op misbruik van tucht(proces)recht (gedaan door de huisarts) slaagt in deze procedure niet. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.490 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., destijds werkzaam als huisarts te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde:
mr. M.J. de Groot, advocaat te Hilversum.
1. Verloop van de procedure
1.1 A. – hierna klager – heeft op 9 april 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege
te Den Haag tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van
4 december 2018, onder nummer 2018-083, heeft dat college klager niet-ontvankelijk
verklaard ten aanzien van het eerste klachtonderdeel en de klacht voor wat betreft
het tweede klachtonderdeel afgewezen.
1.2 Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een
verweerschrift in beroep ingediend.
1.3 De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal
Tuchtcollege van 5 september 2019, waar namens de huisarts is verschenen mr. M.J.
de Groot, voornoemd. De huisarts is niet in persoon verschenen. Klager is, hoewel
behoorlijk opgeroepen, evenmin in persoon verschenen en heeft zich ook niet laten
vertegenwoordigen.
1.4 Bij tussenbeslissing van 10 oktober 2019 heeft het Centraal Tuchtcollege het
onderzoek heropend en dit onmiddellijk geschorst tot een nader vast te stellen datum
en tijdstip, de oproeping bevolen van partijen en hun raadslieden tegen die nader
vast te stellen datum en dat tijdstip en iedere verdere beslissing aangehouden.
1.5 Nadien heeft het Centraal Tuchtcollege de zaak twee keer opnieuw geagendeerd
voor een behandeling ter openbare terechtzitting. Als gevolg van verscheidene daaraan
voorafgaande wrakingsverzoeken van klager hebben deze zittingen geen doorgang kunnen
vinden. De wrakingsverzoeken zijn afgewezen.
1.6 Het Centraal Tuchtcollege heeft in de loop van de procedure van de huisarts
nog nadere correspondentie ontvangen. Van klager is in deze periode een groot aantal
berichten ontvangen, met name per e-mail.
1.7 Het onderzoek in de zaak is uiteindelijk heropend en de zaak is tegelijkertijd
maar niet gevoegd met de zaak C2019.351 behandeld ter openbare terechtzitting van
het Centraal Tuchtcollege van 9 november 2021. Daar is verschenen de huisarts, in
persoon en bijgestaan door mr. M.J. de Groot, voornoemd. De huisarts heeft hier zijn
standpunt nader toegelicht. Klager is voor deze terechtzitting per post en per e mail
opgeroepen. Hij is echter met bericht niet verschenen. Klager heeft ook geen gebruik
gemaakt van de mogelijkheid om door middel van een videoverbinding de terechtzitting
bij te wonen. De videoverbinding is op zijn verzoek tot stand gebracht en gedurende
de terechtzitting op 9 november 2021 steeds in stand gebleven, echter zonder dat klager
zich via die verbinding ter terechtzitting heeft gemeld.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
3.1 Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege in aanvulling
op wat er in de tussenbeslissing van 10 oktober 2019 reeds is overwogen uit van de
feiten en omstandigheden, zoals weergegeven onder het kopje “De feiten” in de beslissing
in eerste aanleg, met uitzondering van de feiten weergegeven in rechtsoverweging 2.3
van die beslissing.
3.2 Gezien de door de huisarts overgelegde brief van de broer van klager en de
schriftelijke verklaring van de huisarts die de huisartsenpraktijk heeft overgenomen,
is aannemelijk dat de huisarts patiënt niet op 29 november 2011, maar een dag eerder,
op 28 november 2011, thuis heeft bezocht. Het Centraal Tuchtcollege gaat er voorts,
gelet op de verklaring van de huisarts ter terechtzitting, van uit dat klager bij
die visite aanwezig was en later die avond een ambulance heeft gebeld en dat patiënt
toen naar het ziekenhuis is vervoerd. Ook is aannemelijk dat hij daar vervolgens is
gebleven. Patiënt is in de ochtend van 30 november 2011 in het ziekenhuis overleden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Het Centraal Tuchtcollege verwijst allereerst naar zijn beoordeling in rechtsoverweging
4.1 en 4.2 van de tussenbeslissing van 10 oktober 2019 en oordeelt voorts als volgt.
Omvang van het geding
4.2 Klager wil met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege
voorleggen. Hij betoogt onder meer dat de in eerste aanleg gevolgde procedure, en
dan met name het mondeling vooronderzoek, niet volgens de geldende regels is verlopen.
Klager verzoekt het Centraal Tuchtcollege – impliciet – hem ontvankelijk te verklaren
in de gehele klacht en de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft ter terechtzitting
van 9 november 2021 primair betoogd dat klager het tucht(proces)recht misbruikt om
de huisarts in zijn goede naam te beschadigen en verzoekt het Centraal Tuchtcollege
klager om die reden in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt
de huisarts het Centraal Tuchtcollege het beroep van klager te verwerpen en de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege te handhaven.
Misbruik van tucht(proces)recht
4.4 De huisarts heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van misbruik
van tucht(proces)recht er onder meer op gewezen dat klager hem vanaf eind 2017 heeft
bestookt met duizenden e-mails, alsmede drie tuchtrechtelijke procedures en verscheidene
strafrechtelijke aangiftes. De huisarts wordt daarbij naar eigen zeggen stelselmatig
ongefundeerd beschuldigd van moord en doodslag op de vader en moeder van klager. Bovendien
heeft klager volgens de huisarts de onderhavige tuchtrechtelijke procedure in beroep
bij herhaling getraineerd door drie kansloze wrakingsverzoeken in te dienen. Hierdoor
sleept deze procedure zich inmiddels meer dan drieënhalf jaar voort, aldus de huisarts.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat op de proceshouding van klager het
nodige valt aan te merken. Onder meer de vele e-mailberichten die hij naar dit college
en naar de wederpartij heeft gestuurd maken dat de behandeling van zijn zaken voor
het college zeer tijdrovend is geworden en voor de huisarts, zo wil het Centraal Tuchtcollege
aannemen, zeer belastend. Aan klager is mede om die reden in oktober 2021 een brief
gestuurd, in lijn met de richtlijnen van de Nationale Ombudsman, onder meer inhoudende
dat op bepaalde correspondentie niet meer zal worden gereageerd. Naar het oordeel
van het Centraal Tuchtcollege vormen de door de huisarts vermelde feiten en omstandigheden
en de lange duur van deze beroepsprocedure – op dit moment – onvoldoende grond om
aan te nemen dat sprake is van misbruik van tucht(proces)recht, leidende tot een niet
ontvankelijkverklaring van het beroep. Daarbij wordt opgemerkt dat een partij in een
tuchtprocedure het recht heeft om een of meer leden van het tuchtcollege te wraken
en dat de vertraging in de behandeling van deze zaak voor een deel te wijten is aan
het feit dat de huisarts in 2019 niet in persoon ter terechtzitting is verschenen,
waardoor in dit geval de behandeling moest worden geschorst, opdat het College vragen
kon stellen aan de huisarts over de door klager gestelde feiten over de visite op
28 november 2011.
Het beroep op misbruik van tucht(proces)recht slaagt in deze procedure dus niet.
Procedure in eerste aanleg
4.6 Het betoog van klager dat de procedure in eerste aanleg gebrekkig is geweest
leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Voor zover sprake is geweest van een tekortkoming
in de behandeling van de zaak door het Regionaal Tuchtcollege, is dit hersteld door
de behandeling van de zaak in beroep. Klager heeft in deze beroepsprocedure voldoende
gelegenheid gekregen zijn standpunten schriftelijk en mondeling naar voren te brengen.
Klachtonderdeel 1/ontvankelijkheid klager in de klacht
4.7 Klager verwijt de huisarts met klachtonderdeel 1 dat hij met betrekking tot
de gezondheidstoestand van patiënt onjuist heeft gehandeld en hem niet de nodige zorg
heeft verleend. Klager doelt daarbij met name op het feit dat de huisarts patiënt
op 28 november 2011 niet heeft ingestuurd naar het ziekenhuis. Het Regionaal Tuchtcollege
heeft in de bestreden beslissing klager in dit klachtonderdeel niet ontvankelijk verklaard,
omdat - kort gezegd - klager volgens dat college wat dit onderdeel betreft niet gerechtigd
is om een klacht in te dienen.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege heeft in zijn tussenbeslissing van 10 oktober 2019,
anders dan het Regionaal Tuchtcollege, geconcludeerd dat klager met zijn klacht heeft
beoogd de veronderstelde wil van patiënt naar voren te brengen en dat hij dus in het
eerste klachtonderdeel ontvankelijk is. Het Centraal Tuchtcollege ziet nu, na de inhoudelijke
behandeling ter terechtzitting op 9 november 2021, geen aanleiding om tot een andere
conclusie te komen. Daarbij is van belang dat de huisarts ter terechtzitting heeft
erkend dat, nadat hij op 28 november 2011 had besloten om patiënt niet naar het ziekenhuis
in te sturen, klager nog diezelfde avond in overleg met patiënt een ambulance heeft
gebeld. Klager heeft onweersproken gesteld dat patiënt toen ook daadwerkelijk naar
het ziekenhuis vervoerd wilde worden. Mede gelet hierop, ziet het Centraal Tuchtcollege
onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die
aanleiding geven om te betwijfelen of klager met het indienen van de klacht over het
niet insturen naar het ziekenhuis de wil van (de overleden) patiënt vertegenwoordigt.
4.9 Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege klager ten onrechte niet in
dit klachtonderdeel heeft ontvangen. Het Centraal Tuchtcollege zal hierna over dit
klachtonderdeel alsnog een inhoudelijk oordeel geven.
Klachtonderdeel 1/inhoudelijke beoordeling
4.10 De huisarts heeft ter terechtzitting verklaard dat patiënt, die leed aan diabetes
mellitus en nierinsufficiëntie, al maanden in het ziekenhuis onder behandeling was
voor – onder meer – de (vaat)problemen aan zijn rechtervoet. Patiënt had op vrijdag
25 november 2011 nog het ziekenhuis bezocht. Voor de middag van 29 november 2011 stond
reeds een onderzoek door de vaatchirurg in verband met de slechte doorbloeding van
het onderbeen en de wond aan de teen van patiënt gepland. Volgens de huisarts heeft
hij tijdens de visite aan patiënt op 28 november 2011 telefonisch contact gehad met
de behandelend specialist van patiënt en is toen in overleg besloten dat, gelet ook
op de reeds geplande afspraak, de laatste niet behoefde te worden ingestuurd. Van
een acuut zieke patiënt was op dat moment geen sprake, aldus de huisarts.
4.11 Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van
de huisarts te twijfelen. Klager heeft zelf ook aangegeven dat de ambulanceverpleegkundigen
patiënt die avond aanvankelijk niet wilden meenemen, omdat zij diens situatie niet
acuut genoeg vonden. Dat die avond geen sprake was van een acuut zieke patiënt wordt
ook bevestigd door voormelde brief van de broer van klager. Dit betekent dat niet
is komen vast te staan dat de huisarts, door op 28 november 2011 patiënt niet in te
sturen, onzorgvuldig heeft gehandeld. Klachtonderdeel 1 is dus ongegrond.
Klachtonderdeel 2
4.12 Klager verwijt de huisarts met klachtonderdeel 2 dat hij de nabestaanden en/of
het Openbaar Ministerie, de Inspectie IGZ (nu de Inspectie IGJ), de gemeente F. en
uitvaartonderneming E. niet of niet tijdig heeft geïnformeerd over de werkelijke doodsoorzaak
van patiënt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in rechtsoverweging 5.2 van de bestreden
beslissing hierover overwogen dat – samengevat – de huisarts ten aanzien van klager
met recht een beroep op zijn beroepsgeheim heeft gedaan. Voor zover het verwijt van
klager gaat over het niet informeren van de door hem genoemde organisaties/instanties,
heeft het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld dat klager in zoverre niet als klachtgerechtigd
kan worden aangemerkt en dus niet in dit deel van de klacht kan worden ontvangen.
Daarbij heeft dat college echter nagelaten klager in zoverre in klachtonderdeel 2
niet-ontvankelijk te verklaren. Dat had zij naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
wel dienen te doen.
4.13 De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op dit klachtonderdeel
geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met rechtsoverweging 5.2 van
de bestreden beslissing en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over dit klachtonderdeel
en neemt deze overweging en dit oordeel integraal over. Hierbij wordt nog opgemerkt
dat klager op de avond van 28 november 2011 wel betrokken was bij de behandeling en
begeleiding van patiënt, maar dat dit gegeven in dit geval onvoldoende is om de toestemming
van patiënt om gegevens aan derden te verstrekken te veronderstellen of om uit te
gaan van een zwaarwegend belang bij doorbreking van het beroepsgeheim.
4.14 Overigens is per 1 januari 2020 de Wet op de Geneeskundige behandelingsovereenkomst
gewijzigd: het wettelijk recht op inzage voor nabestaanden en anderen met een persoonlijk
belang in gegevens uit medische dossiers van overleden patiënten is sindsdien geregeld
in de artikelen 7:458a en 458b BW. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat toetsing
aan deze nieuwe bepalingen evenmin tot de conclusie leidt dat klager recht heeft op
inzage of informatie.
Conclusie
4.15 Het vorenstaande betekent dat het Regionaal Tuchtcollege ten onrechte klager
niet ontvankelijk heeft verklaard in klachtonderdeel 1. Ook heeft dat college nagelaten
klager niet-ontvankelijk te verklaren in klachtonderdeel 2, waar dit gaat over het
niet informeren van een aantal nader genoemde organisaties/instanties over de doodsoorzaak
van patiënt. De bestreden beslissing dient in zoverre te worden vernietigd.
4.16 Het Centraal Tuchtcollege zal, opnieuw rechtdoende, klachtonderdeel 1 alsnog
ongegrond verklaren en klager alsnog gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel
2. Voor zover het beroep is gericht tegen klachtonderdeel 2, waar het gaat over het
niet informeren van klager zelf over de doodsoorzaak van patiënt, zal het beroep worden
verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover
(1) klager daarbij niet ontvankelijk is verklaard in klachtonderdeel 1 en
(2) daarbij is nagelaten klager niet ontvankelijk te verklaren in klachtonderdeel
2, waar dit gaat over het niet informeren van het Openbaar Ministerie, de Inspectie
IGZ, de gemeente F. en uitvaartonderneming E. over de doodsoorzaak van patiënt.
en opnieuw rechtdoende:
verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond;
verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 2, waar dit gaat over het niet
informeren van het Openbaar Ministerie, de Inspectie IGZ, de gemeente F. en uitvaartonderneming
E. over de doodsoorzaak van patiënt.
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: S.M. Evers, voorzitter, L.F. Gerretsen-Visser en
B.J.M. Frederiks, leden-juristen en M.K. Dees en M.G.M. Smid-Oostendorp, leden beroepsgenoten,
en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2021
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.