ECLI:NL:TGZCTG:2021:220 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2019.351

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:220
Datum uitspraak: 14-12-2021
Datum publicatie: 21-12-2021
Zaaknummer(s): C2019.351
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. De klacht is ingediend door de zoon van een overleden patiënte van de huisarts. Klachtonderdeel 1 gaat over de door de huisarts aan de patiënte in de maanden voor haar overlijden verleende medische zorg. Klachtonderdeel 2 gaat over het niet geven van informatie over de behandeling voorafgaand aan het overlijden van patiënte en de gang van zaken die tot haar dood heeft geleid. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat klager niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel 1. Klager kan ter zake van klachtonderdeel 1 niet worden geacht de wil van patiënte te vertegenwoordigen en was dus niet gerechtigd om dit klachtonderdeel in te dienen. Klager is wel ontvankelijk in klachtonderdeel 2, maar dit klachtonderdeel is ongegrond. De huisarts heeft met recht een beroep gedaan op het beroepsgeheim. Het beroep op misbruik van tucht(proces)recht (gedaan door de huisarts) slaagt in deze procedure niet.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2019.351 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., destijds werkzaam als huisarts te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. M.J. de Groot, advocaat te Hilversum.
1.    Verloop van de procedure
1.1       A. – hierna klager – heeft op 28 januari 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 
22 oktober 2019, onder nummer 2019-121, heeft dat college klager niet-ontvankelijk verklaard.
1.2    Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
1.5    Het Centraal Tuchtcollege heeft de zaak geagendeerd voor een behandeling ter openbare terechtzitting in 2020. Als gevolg van een wrakingsverzoek van klager heeft deze zitting geen doorgang kunnen vinden. Het wrakingsverzoek is afgewezen. 
1.6    Het Centraal Tuchtcollege heeft in de loop van de procedure van de huisarts nog nadere correspondentie ontvangen. Van klager is in deze periode een groot aantal berichten ontvangen, met name per e-mail. 
1.7    De zaak is uiteindelijk in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2018.490 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 9 november 2021. Daar is verschenen de huisarts, in persoon en bijgestaan door mr. M.J. de Groot, voornoemd. De huisarts heeft hier zijn standpunt nader toegelicht.
Klager is voor deze terechtzitting per post en per e mail opgeroepen. Hij is echter met bericht niet verschenen. Klager heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om door middel van een videoverbinding de terechtzitting bij te wonen. De mogelijkheid van een videoverbinding is op zijn verzoek tot stand gebracht en gedurende de terechtzitting op 9 november 2021 steeds in stand gebleven, maar 
klager heeft geen gebruik gemaakt van deze verbinding.
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. 
    “2.    De feiten
2.1    Klager is de zoon van mevrouw G. (hierna: patiënte), overleden eind februari 2011. Patiënte was van 23 februari 2011 tot haar overlijden opgenomen in het H.- ziekenhuis. Voorafgaand aan haar overlijden verbleef patiënte tijdelijk in D..
2.2    Beklaagde was werkzaam als huisarts in D.. 
3.    De klacht
    Klager verwijt de beklaagde zakelijk weergegeven dat hij geen informatie geeft en heeft gegeven rondom de behandeling voorafgaand aan de dood van patiënte en de gang van zaken die heeft geleid tot het overlijden van patiënte.
4.    Het standpunt van beklaagde
    De beklaagde heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van klager.
5.    De beoordeling
    5.1    Ingevolge artikel 65, lid 1 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) wordt een zaak aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van - onder meer -  een rechtstreeks belanghebbende. De patiënt zelf is rechtstreeks belanghebbende en dus klachtgerechtigd ten aanzien van een hem betreffende medische behandeling. Na zijn overlijden zijn de directe nabestaanden in beginsel klachtgerechtigd ten aanzien van die medische behandeling. Het recht van een nabestaande om een klacht in te dienen ten aanzien van een medische behandeling van een overleden patiënt berust niet op een eigen klachtrecht van de nabestaande, maar op een klachtrecht dat is afgeleid van de in het algemeen veronderstelde wil van de patiënt, met gevolg dat van belang is of degene die klaagt daardoor die veronderstelde wil van de overleden patiënt uitdrukt.
Patiënte is in 2011 overleden. Niet is gebleken dat zij wilsonbekwaam was. Voorts is niet gebleken dat zij in leven op welk moment dan ook een klacht heeft willen indienen jegens beklaagde ter zake van haar behandeling, dan wel heeft ingestemd met het indienen van een klacht of aan klager een volmacht heeft verstrekt om namens haar de tuchtrechtprocedure te voeren, dan wel dat klager haar eerste contactpersoon was. Pas acht jaar na haar overlijden is door klager een tuchtklacht ingediend jegens beklaagde. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts niet dat één of beide broers van klager deze klacht ondersteunen en overigens is ook door hen nooit enig verwijt gemaakt jegens beklaagde na het overlijden van patiënte. 
    5.2    Op grond van het bovenstaande is het College van oordeel dat klager niet de veronderstelde wil van patiënte uitdrukt; in ieder geval bestaat daaraan een dermate grote twijfel dat dit niet aannemelijk kan worden geacht.
Klager kan dan ook niet worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van de Wet BIG en dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
3.1    Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden, zoals weergegeven onder het kopje “De feiten” in de beslissing in eerste aanleg. Die weergave is in beroep niet, althans onvoldoende bestreden.
4.    Beoordeling van het beroep
Omvang van het geding
4.1    Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hij betoogt onder meer dat de in eerste aanleg gevolgde procedure niet volgens de geldende regels is verlopen. Volgens klager is hem nimmer de mogelijkheid geboden om in een mondeling vooronderzoek te worden gehoord. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege – impliciet – hem ontvankelijk te verklaren in de klacht in al zijn onderdelen en deze klacht alsnog gegrond te verklaren. 
4.2    De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft ter terechtzitting van 9 november 2021 primair betoogd dat klager het tucht(proces)recht misbruikt om de huisarts in zijn goede naam te beschadigen en verzoekt het Centraal Tuchtcollege klager om die reden in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de huisarts het Centraal Tuchtcollege het beroep van klager te verwerpen en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te handhaven.  
Misbruik van tucht(proces)recht
4.3     De huisarts heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van misbruik van tucht(proces)recht er onder meer op gewezen dat klager hem vanaf eind 2017 heeft bestookt met duizenden e-mails, alsmede drie tuchtrechtelijke procedures en verscheidene strafrechtelijke aangiftes. De huisarts wordt daarbij naar eigen zeggen stelselmatig ongefundeerd beschuldigd van moord en doodslag op de vader en moeder van klager. Bovendien heeft klager volgens de huisarts de onderhavige tuchtrechtelijke procedure in beroep getraineerd door een kansloos wrakingsverzoek in te dienen. Hierdoor sleept deze procedure zich al geruime tijd voort, aldus de huisarts. 
4.4    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat op de proceshouding van klager het nodige valt aan te merken. Onder meer de vele e-mailberichten die hij naar dit college en naar de wederpartij heeft gestuurd maken dat de behandeling van zijn zaken voor het college zeer tijdrovend is geworden en voor de huisarts, zo wil het Centraal Tuchtcollege aannemen, zeer belastend. Aan klager is mede om die reden in oktober 2021 een brief gestuurd, in lijn met de richtlijnen van de Nationale Ombudsman, onder meer inhoudende dat op bepaalde correspondentie niet meer zal worden gereageerd. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege vormen de door de huisarts vermelde feiten en omstandigheden en de duur van deze beroepsprocedure – op dit moment – onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van misbruik van tucht(proces)recht, leidende tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Daarbij wordt opgemerkt dat een partij in een tuchtprocedure het recht heeft om een of meer leden van het tuchtcollege te wraken. Het beroep op misbruik van tucht(proces)recht slaagt in deze procedure dus niet.
Procedure in eerste aanleg
4.5    Het betoog van klager dat de procedure in eerste aanleg gebrekkig is geweest leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Voor zover sprake is geweest van een tekortkoming in de behandeling van de zaak door het Regionaal Tuchtcollege, is dit hersteld door de behandeling van de zaak in beroep. Klager heeft in deze beroepsprocedure voldoende gelegenheid gekregen zijn standpunten schriftelijk en mondeling naar voren te brengen.  
Inhoud klacht
4.6    Het Centraal Tuchtcollege leidt uit het klaagschrift en het beroepschrift van klager af dat hij de huisarts twee verwijten maakt, namelijk: 
1.    dat de huisarts patiënte in de maanden voorafgaand aan haar overlijden niet de juiste medische zorg heeft verleend;
2.    dat de huisarts geen informatie heeft gegeven over de behandeling voorafgaand aan het overlijden van patiënte en de gang van zaken die tot haar dood heeft geleid. 
Klachtonderdeel 1    
4.7     Ingevolge artikel 65, eerste lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt een tuchtzaak in eerste aanleg bij het bevoegde regionale tuchtcollege aanhangig gemaakt door indiening van een klaagschrift door – onder meer – een rechtstreeks belanghebbende. Onder dit laatste begrip valt in ieder geval de patiënt zelf. Indien de patiënt is overleden, berust het recht van een naaste betrekking om een klacht in te dienen over het handelen of nalaten van de beroepsbeoefenaar jegens de overleden patiënt niet op een eigen klachtrecht van de naaste betrekking, maar op een klachtrecht dat is afgeleid van de in het algemeen veronderstelde wil van de patiënt. Uitgangspunt is dat het indienen van een klacht het oordeel rechtvaardigt dat de klagende naaste betrekking de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt, behoudens het geval dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te twijfelen.
4.8    Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met datgene wat het Regionaal Tuchtcollege in rechtsoverweging 5.1 en 5.2 van de bestreden beslissing heeft overwogen en neemt deze overwegingen en het hierin opgenomen oordeel hier integraal over. Dit betekent dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Klager kan ter zake van klachtonderdeel 1 niet worden geacht de wil van patiënte te vertegenwoordigen en was dus niet gerechtigd om dit klachtonderdeel in te dienen. Het beroep van klager wordt op dit punt verworpen.
Klachtonderdeel 2
4.9     Klachtonderdeel 2 gaat over de gestelde weigering van de huisarts om aan klager informatie te verstrekken over de behandeling van patiënte en de gang van zaken die tot haar dood heeft geleid. Dit betreft een ‘eigen klacht’ van klager. Hoofdregel is dat nabestaanden geen recht hebben op informatie over of inzage in het dossier van een overledene, omdat de geheimhoudingsplicht van een arts ook geldt na de dood van een patiënt. Uitzondering op deze hoofdregel bestaat in het geval de patiënt bij leven toestemming heeft verstrekt (bijv. een machtiging) om gegevens aan derden te verstrekken, dan wel (althans tot 1 januari 2020) indien op grond van aanwijzingen de toestemming van een overleden patiënt kon worden verondersteld. Het beroepsgeheim kon voorts worden doorbroken in geval van een wettelijke verplichting om gegevens te verstrekken of in het geval dat een conflict van plichten of een zwaarwegend belang doorbreking rechtvaardigt. Klager heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake was van feiten of omstandigheden die een doorbreking van het beroepsgeheim van de huisarts rechtvaardigden. Dit betekent dat klachtonderdeel 2 ongegrond is. 
4.10    Per 1 januari 2020 is de Wet op de Geneeskundige behandelingsovereenkomst gewijzigd: het wettelijk recht op inzage voor nabestaanden en anderen met een persoonlijk belang in gegevens uit medische dossiers van overleden patiënten is sindsdien geregeld in de artikelen 7:458a en 458b BW. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat toetsing aan deze nieuwe bepalingen evenmin tot de conclusie leidt dat klager recht heeft op inzage of informatie.
    Conclusie
    4.11    Het Centraal Tuchtcollege komt tot de conclusie dat klager in klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk is. Klager is wel ontvankelijk in klachtonderdeel 2, maar dit klachtonderdeel is ongegrond. Dit betekent dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege gedeeltelijk dient te worden vernietigd en dat het Centraal Tuchtcollege, opnieuw rechtdoende, klachtonderdeel 2 alsnog ongegrond zal verklaren. 
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover klager daarbij niet is ontvangen in klachtonderdeel 2;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart klachtonderdeel 2 alsnog ongegrond;
verwerpt het beroep voor zover klager niet is ontvangen in klachtonderdeel 1.
Deze beslissing is gegeven door: S.M. Evers, voorzitter, L.F. Gerretsen-Visser en 
B.J.M. Frederiks, leden-juristen en M.K. Dees en M.G.M. Smid-Oostendorp, leden beroepsgenoten, en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2021.                 Voorzitter   w.g.                    Secretaris  w.g.