ECLI:NL:TGZCTG:2021:218 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.242

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:218
Datum uitspraak: 10-12-2021
Datum publicatie: 21-12-2021
Zaaknummer(s): C2020.242
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een gz-psycholoog. Klaagster is op advies van een gz-psycholoog in opleiding door de huisarts verwezen naar de GGZ. Klaagster is het met die verwijzing niet eens en verwijt de gz-psycholoog dat zij als werkbegeleider het handelen van de gz-psycholoog in opleiding niet gecontroleerd heeft. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet‑ontvankelijk in het beroep, voor zover zij in beroep een nieuwe klacht heeft ingediend, en verwerpt het beroep voor het overige.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.242 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., GZ-psycholoog, (destijds) werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. D. Zwartjens, advocaat te Utrecht.
1.    Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 19 augustus 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven en naar het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle doorgezonden, tegen C. – hierna de gz-psycholoog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 september 2020, onder nummer 008/2020, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
Het Centraal Tuchtcollege heeft op 30 september 2021 van klaagster nog een brief ontvangen (brief van 29 september 2021 met bijlagen) en op 27 oktober 2021 nog een e-mail met bijlagen.  
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2020.240 (A./E.) en C2020.241 (A./F.) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 29 oktober 2021, waar zijn verschenen klaagster, en de gz-psycholoog, bijgestaan door prof. mr. J.G. Sijmons, kantoorgenoot van de gemachtigde van de gz-psycholoog. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Mr. Sijmons heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die hij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overhandigd. 
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.     
“2.    DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is eind 2016 een aantal malen gezien op de afdeling Medische Psychologie van het G. Ziekenhuis. Zij heeft hier gesproken met psycholoog in opleiding tot GZ-psycholoog mevrouw H. (hierna: de GZ-psycholoog i.o.). Beklaagde was destijds werkbegeleider van de GZ-psycholoog i.o., die haar opleiding in februari 2017 heeft voltooid. 
Beklaagde is niet bij de gesprekken tussen klaagster en de GZ-psycholoog i.o. aanwezig geweest.
Het bij de afdeling Medische Psychologie aanwezige dossier van klaagster is op haar verzoek vernietigd.
3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat zij het handelen en de beweringen van de GZ-psycholoog i.o. niet gecontroleerd heeft. Beklaagde is, aldus klaagster, als werkbegeleider medeverantwoordelijk voor het handelen van de GZ-psycholoog i.o. en dus voor de verwijzing van klaagster naar GGNet. 
Ten aanzien van de door klaagster gestelde beweringen verwijst zij naar een passage uit de verwijsbrief van de huisarts naar GGNet, waarin de inhoud van een contact met de GZ-psycholoog i.o. is opgenomen: 
“(S)- tel; […] psycholoog Zkhs: psychotische fenomenen, wanen, complottheorien etc etc”
Ter onderbouwing van haar klacht heeft klaagster nog een brief overgelegd van de GZ-psycholoog i.o. van 8 december 2016 waarin – onder meer – staat: 
“in overleg met patiënte en diens huisarts werd besloten patiënte door te verwijzen voor verdere, uitgebreide diagnostiek en daaropvolgend een passend behandeltraject.”
Klaagster stelt dat bij haar de indruk werd gewekt dat zij zou worden verwezen naar een arts van het G. Ziekenhuis. 
4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat voor zover relevante feiten door het ontbreken van het dossier niet kunnen komen vast te staan dit voor rekening en risico van klaagster dient te blijven. 
Beklaagde voert voorts aan dat de GZ-psycholoog i.o. op het moment van het handelen waarover wordt geklaagd nagenoeg aan het eind van haar opleiding was en dat beklaagde in beginsel in hoge mate mocht afgaan op haar observaties en bevindingen. Beklaagde hoefde niet bij de gesprekken aanwezig te zijn. Wel zijn de gesprekken nabesproken en beklaagde kon de GZ-psycholoog i.o. volgen in haar advies klaagster te (laten) verwijzen naar de GGZ voor nadere diagnostiek in plaats van een testonderzoek in eigen ziekenhuis te doen om pas daarna door te verwijzen. De originele brief die door de GZ-psycholoog i.o. naar de huisarts is gestuurd is vooraf door beklaagde gezien en geaccordeerd. Aangezien het dossier vernietigd is, kan hiervan geen bewijs worden overgelegd. De GZ-psycholoog i.o. heeft genoemde brief ook vooraf laten lezen door en besproken met klaagster. In deze brief was de term complottheorieën opgenomen en daarmee samenhangend het advies aan de huisarts om patiënte te verwijzen naar GGNet. Beklaagde heeft er derhalve op mogen vertrouwen dat klaagster hiervan op de hoogte was zowel door lezing van de brief als door het gesprek hierover met de GZ-psycholoog i.o.. 
Beklaagde kan voorts niet verantwoordelijk worden gehouden voor verdere  formuleringen die de huisarts opneemt in diens dossier. 
Concluderend stelt beklaagde dat zij het handelen en de beweringen van de GZ-psycholoog i.o. in voldoende mate heeft begeleid en er in voldoende mate op heeft toegezien dat klaagster verantwoorde zorg ontving. 
5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Van belang bij de beoordeling van deze klacht is dat het dossier met betrekking tot klaagster op haar verzoek is vernietigd. Het gevolg hiervan is onder meer dat - buiten de schuld van beklaagde - niet meer kan worden vastgesteld hoe beklaagde de supervisie in deze kwestie heeft vormgegeven. Nu in het overigens naar voren gebrachte en overgelegde geen zaken naar voren komen die doen vermoeden dat dit anders is, acht het college aannemelijk dat de werkbegeleiding is verlopen als door beklaagde in haar verweer en tijdens het mondeling vooronderzoek is toegelicht.
Van belang is voorts dat de omstandigheid dat de GZ-psycholoog i.o. bij haar opleiding door beklaagde begeleid werd, niet tot het oordeel leidt dat beklaagde tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor al het handelen van de GZ-psycholoog i.o., ook daar waar deze in staat moet worden geacht dit handelen zelfstandig te verrichten.  
Daarvan uitgaande heeft beklaagde op zorgvuldige wijze invulling gegeven aan haar rol als werkbegeleider van de GZ-psycholoog i.o. Zij heeft de gesprekken die de GZ-psycholoog i.o. met klaagster voerde, nabesproken en met de GZ-psycholoog i.o. besproken of verwijzing naar GGNet aangewezen was. Ook heeft zij de brief van de GZ-psycholoog i.o. aan de huisarts vooraf gezien en geaccordeerd. 
De GZ-psycholoog i.o. was in de eindfase van haar opleiding en moet voldoende in staat en gekwalificeerd worden geacht de gesprekken met klaagster zelfstandig te voeren. Dat geldt ook voor het telefoongesprek met de huisarts van klaagster. Nog afgezien van de omstandigheid dat niet meer is vast te stellen wie de door de huisarts genoteerde termen heeft gebruikt, kan niet worden geoordeeld dat beklaagde - die bij dat gesprek niet aanwezig was of hoefde te zijn - daarvan in tuchtrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt.
Beklaagde kan evenmin verantwoordelijk worden gehouden voor de kennelijke veronderstelling van klaagster dat zij zou worden verwezen naar een andere arts van het Slingeland Ziekenhuis. Hoe deze veronderstelling heeft kunnen ontstaan is niet te achterhalen. De inhoud van de brief van 8 december 2016, waarvan klaagster ook heeft aangegeven dat zij deze heeft gelezen en met de GZ-psycholoog i.o. heeft besproken, geeft daar in ieder geval geen aanleiding toe. Het advies van doorverwijzing naar GGNet voor diagnostiek en behandeling is daarin immers expliciet benoemd. Beklaagde mocht er in ieder geval van uitgaan dat deze brief en het daarin geformuleerde advies door de GZ-psycholoog i.o. met klaagster zou worden besproken. 
Dit betekent dat de klacht niet slaagt.

5.3 
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist. ”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4.    Beoordeling van het beroep
    Omvang van de zaak in beroep
4.1    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege (impliciet) om de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.2    De gz-psycholoog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege primair om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in het beroep. Subsidiair verzoekt de gz-psycholoog het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.     
    Ontvankelijkheid van het beroep
4.3    De gz-psycholoog heeft in beroep aangevoerd dat klaagster niet in haar beroep kan worden ontvangen, omdat - kort gezegd - het beroepschrift van klaagster geen gronden van beroep bevat. Volgens de gz-psycholoog blijkt uit het beroepschrift niet waarom klaagster het met de beslissing in eerste aanleg niet eens. Bovendien heeft de gz-psycholoog aangevoerd dat klaagster, als het gaat om de kostendeclaratie bij Menzis, de klacht in beroep heeft uitgebreid.
4.4    Waar het gaat om nieuwe verwijten overweegt het Centraal Tuchtcollege het volgende. Een klager kan in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voorleggen die in eerste aanleg aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn voorgelegd en dan alleen voor zover hij in die klachten door het Regionaal Tuchtcollege niet-ontvankelijk is verklaard of zijn klachten zijn afgewezen. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Voor zover het beroepschrift nieuwe klachten bevat is klaagster daarin niet-ontvankelijk.
4.5    Voor het overige kan klaagster wel in haar beroep worden ontvangen. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege blijkt uit het beroepschrift en met name de verwijzing in het beroepschrift naar een e-mail van 17 september 2020 van klaagster, voldoende tegen welke overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege het beroep zich richt en kan daaruit worden afgeleid dat klaagster haar klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege wenst voor te leggen. Uit het door de gz-psycholoog gevoerde inhoudelijke verweer blijkt overigens dat ook de gz-psycholoog heeft begrepen waartegen het beroep van klaagster is gericht. 
    Inhoudelijke beoordeling
4.6    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege doorgestuurd.
4.7    In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 29 oktober 2021 is dat debat voortgezet.
4.8    De bespreking van de zaak in raadkamer na de mondelinge behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De overwegingen van het college’ heeft overwogen hier volledig over want het is het daarmee eens. Dit betekent dat het beroep van klaagster zal worden verworpen.
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet‑ontvankelijk in het beroep, zoals hiervoor onder 4.4 overwogen;
verwerpt het beroep voor het overige. 
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick voorzitter,
M.P. den Hollander en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen eb B. van Giessen en 
F.D.F. Steenbakkers, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2021. 
Voorzitter  w.g.    Secretaris  w.g.