ECLI:NL:TGZCTG:2021:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.241
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:217 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-12-2021 |
| Datum publicatie: | 21-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2020.241 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster is via de huisarts verwezen naar een instelling voor geestelijk gezondheidszorg, waarna een afspraak is gepland voor een intakegesprek met de verpleegkundige op 3 januari 2020. Voorafgaand aan dit gesprek en tijdens het gesprek heeft klaagster laten weten niet onder behandeling te willen bij deze insteling. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat hij haar niet meteen heeft laten uitschrijven, dat hij nog een MDO over haar heeft laten plaatsvinden, dat hij haar heeft verwezen naar het FACT/BOPZ team en dat hij haar nog heeft proberen over te halen hulp/behandeling vanuit het FACT-team te accepteren. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.241 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. J.A.B.H.M. Willemse, advocaat te Ulft,
tegen
C., verpleegkundige, destijds werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties, gemachtigde:
mr. S.J.W. Schreurs, jurist verbonden aan GGNet.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 19 augustus 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te
Eindhoven ingekomen en naar het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle doorgezonden, tegen
C. – hierna de verpleegkundige – een klacht ingediend. Bij beslissing van
15 september 2020, onder nummer 006/2020, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond
verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De verpleegkundige heeft
een verweerschrift in beroep ingediend.
Het Centraal Tuchtcollege heeft op 30 september 2021 van klaagster nog een brief ontvangen
(brief van 29 september 2021 met bijlagen) en op 27 oktober 2021 nog een e-mail met
bijlagen.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2020.240 (A./E.)
en C2020.242 (A./F.) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege
van 29 oktober 2021, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mr. Willemse,
en de verpleegkundige, bijgestaan door mr. Schreurs. Partijen hebben hun standpunten
nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht,
van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is eind 2016 via de huisarts verwezen naar GGNet, waarna een afspraak is
gepland voor een intakegesprek met beklaagde op 3 januari 2017.
Voorafgaand aan dit gesprek heeft klaagster telefonisch laten weten niet onder behandeling
te willen bij GGNet. Desondanks heeft het al geplande gesprek op 3 januari 2017 plaatsgevonden.
Tijdens dit gesprek heeft klaagster wederom kenbaar gemaakt geen behandeling te willen
van GGNet.
Na 3 januari 2017 heeft beklaagde nog enkele malen telefonisch contact gehad met klaagster.
Ook heeft beklaagde contact gehad met de huisarts van klaagster. Van de inhoud van
deze contacten zijn geen verslagen of notities (meer) aanwezig.
Op 10 januari 2017 heeft beklaagde de situatie besproken tijdens het wekelijks Multi
Disciplinair Overleg (MDO) van het FACT-team. Daarbij is besproken dat klaagster geen
contact wilde met GGNet en dat beklaagde contact zou zoeken met de huisarts.
Klaagster is op 25 januari 2017 uitgeschreven bij GGNet. Klaagster heeft verzocht
om vernietiging van haar dossier bij GGNet. Van het dossier bij GGNet resteert enkel
de door klaagster bij haar klaagschrift overgelegde verwijzing door de huisarts van
13 december 2016, het concept intakeverslag van 23 januari 2017, het verslag van het
MDO van 10 januari 2017 (voor zover het klaagster betreft) en de bij fax van 26 juni
jl. nagezonden stukken.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat;
a. hij haar niet meteen op 3 januari 2017 heeft laten uitschrijven;
b. dat hij op 10 januari 2017 nog een MDO over haar heeft laten plaatsvinden;
c. dat hij haar heeft verwezen naar het FACT/BOPZ team van de heer G.;
d. dat hij haar na 3 januari 2017 nog heeft proberen over te halen hulp/behandeling
vanuit het FACT-team te accepteren.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij door het ontbreken van alle gegevens
in het dossier ernstig is benadeeld in zijn verweer hetgeen zou moeten leiden tot
niet-ontvankelijkheid van de klacht.
Beklaagde voert voorts aan dat hij naar zijn mening zorgvuldig heeft gehandeld. Hij
heeft de wens van klaagster om niet in behandeling te willen gerespecteerd, maar tegelijkertijd
vanuit zijn expertise onderzocht of klaagster toch niet gemotiveerd kon worden om
psychiatrische deskundigen te laten kijken naar de problemen die klaagster ervoer
en de psychische symptomen die verwijzers herkend hadden. Toen bleek dat klaagster
hier niet toe te motiveren bleek, is na het intakegesprek en toetsing daarvan door
de psychiater, de behandeling ook niet gestart.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het dossier van klaagster bij GGNet is op haar verzoek vernietigd. Dit leidt niet
tot het oordeel dat de klacht niet-ontvankelijk is. Wel is het zo dat waar de feiten
vanwege het ontbreken van het dossier niet kunnen worden vastgesteld, dit niet voor
risico van beklaagde kan komen, die voor het vernietigen van de verslaglegging niet
verantwoordelijk kan worden gehouden.
5.2
Het college wijst er voorts op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel
handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een
antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven
binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met
de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met
hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.3
Ondanks het ontbreken van het dossier staat vast dat klaagster en beklaagde elkaar
op 3 januari 2017 hebben gesproken en dat klaagster daarbij te kennen heeft gegeven
geen behandeling te wensen van GGNet. Ook staat vast dat beklaagde nog een aantal
keren contact heeft gehad met klaagster om te spreken over de mogelijkheden van behandeling
door GGNet. Voorts heeft een MDO plaatsgevonden op 10 januari 2017, waarin door beklaagde
verslag is gedaan van het gesprek met klaagster en zijn contact met de huisarts. Het
college acht de handelwijze van beklaagde zorgvuldig. Aan het contact met klaagster
lag een serieuze verwijzing ten grondslag. Ook de inhoud van het gesprek met klaagster
op 3 januari jl., voor zover dit uit de aanwezige stukken valt te reconstrueren, bood
voldoende aanknopingspunten voor de gedachte dat klaagster bij behandeling door GGNet
gebaat zou kunnen zijn. Hoewel voor te stellen is dat klaagster, die geen prijs stelde
op behandeling, dit vervelend heeft gevonden, kan het niet anders dan zorgvuldig worden
gevonden dat beklaagde haar ook na het gesprek van 3 januari 2020 nog heeft gewezen
op de mogelijkheden van behandeling door GGNet. Dat beklaagde bij zijn pogingen klaagster
tot een behandeling te motiveren, te ver is gegaan, is niet aannemelijk geworden.
Dat beklaagde in een MDO op 10 januari 2017 verslag heeft gedaan van het intakeverslag
en de naar aanleiding daarvan genomen stappen is inherent aan het werken in een team,
zoals bij FACT gebruikelijk is. De omstandigheid dat klaagster op 3 januari 2017 had
aangegeven geen behandeling te willen staat niet aan een bespreking daarvan in de
weg. Dat op 23 januari 2017 nogmaals een MDO plaats heeft gevonden kan niet uit de
stukken worden afgeleid. Ook niet uit de stukken die door klaagster op
26 juni 2020 zijn nagezonden.
Ook de omstandigheid dat het dossier niet direct op 3 januari 2017 is afgesloten is
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Tijdens dit gesprek hebben klaagster en beklaagde
afgesproken dat nog contact met de huisarts zou worden opgenomen en ook daarna heeft
nog contact plaatsgevonden tussen klaagster en beklaagde. Pas toen definitief duidelijk
werd dat klaagster ook bij nader inzien geen behandeling door GGNet wenste, was sluiting
van het dossier aangewezen. Dit is uiteindelijk 22 dagen na het gesprek op 3 januari
2017 gebeurd. Dit is voldoende voortvarend.
Uit het voorgaande volgt dat de verwijten onder a, b en d niet slagen.
Voor het onder c geformuleerde verwijt dat beklaagde klaagster heeft verwezen naar
de afdeling FACT/BOPZ van de heer G. ontbreekt elke onderbouwing zodat ook dit klachtonderdeel
niet slaagt.
5.4
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de bestreden beslissing te vernietigen,
de klacht alsnog gegrond te verklaren en aan de verpleegkundige een maatregel op te
leggen.
4.2 De verpleegkundige heeft in beroep verweer gevoerd en verzoekt het Centraal
Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat
tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege doorgestuurd.
4.4 In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij
heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege
vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 29 oktober 2021 is dat debat voortgezet.
4.5 De bespreking van de zaak in raadkamer na de mondelinge behandeling in beroep
heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten
of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De
overwegingen van het college’ heeft overwogen hier volledig over want het is het daarmee
eens. Dit betekent dat het beroep van klaagster zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick voorzitter,
M.P. den Hollander en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en D.A. Polhuis en
P.A.M. Storck, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.