ECLI:NL:TGZCTG:2021:216 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.240
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:216 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-12-2021 |
| Datum publicatie: | 21-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2020.240 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts. Klaagster is door de huisarts verwezen naar een neuroloog. De neuroloog kon geen duidelijke diagnose stellen en heeft klaagster verwezen naar de afdeling medische psychologie. Naar aanleiding van het advies van de GZ-psycholoog i.o. uit het ziekenhuis heeft de huisarts klaagster verwezen naar een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Klaagster verwijt de huisarts dat hij klaagster zonder overleg en zonder haar instemming bij de instelling heeft aangemeld, heeft verzuimd adequate zorg te bieden, zonder verder eigen onderzoek de terminologie ‘psychotische fenomenen, wanen, complottheorieën e.d.’ heeft gebruikt in de richting van de instelling, zich niet heeft ingespannen om de door hem zonder toestemming aan de instelling verstrekte persoonsgegevens van klaagster bij die instelling te laten verwijderen en dat hij in het huisartsenjournaal geen melding heeft gemaakt van een telefoongesprek met de GZ-psycholoog i.o.. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.240 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. R. de Lange, advocaat te Terborg,
tegen
C., huisarts, destijds werkzaam te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde:
mr. R.J. Peet, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 19 augustus 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te
Eindhoven ingekomen en naar het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle doorgezonden, tegen
C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 september 2020,
onder nummer 005/2020, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend.
Het Centraal Tuchtcollege heeft op 30 september 2021 van klaagster nog een brief ontvangen
(brief van 29 september 2021 met bijlagen) en op 27 oktober 2021 nog een e-mail met
bijlagen.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2020.241 (A./E.)
en C2020.242 (A./F.) behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege
van 29 oktober 2021, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mr. De Lange,
en de huisarts, bijgestaan door mr. Peet. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht,
van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is in juli 2016 door beklaagde, haar toenmalige huisarts, verwezen naar
de neuroloog. De neuroloog kon geen duidelijke diagnose stellen en heeft klaagster
verwezen naar de afdeling medische psychologie. Daar heeft klaagster een aantal malen
gesproken met psycholoog in opleiding tot GZ-psycholoog mevrouw G. (hierna: de GZ-psycholoog
i.o.).
De GZ-psycholoog i.o. heeft op 29 november 2016 telefonisch contact gehad met beklaagde.
In een latere verwijzing heeft beklaagde van dit contact de volgende notitie opgenomen:
“(S) – tel: Mw H. psycholoog Zkhs: psychotische fenomenen, wanen, complottheorien,
etc etc.
(O) – nv
(P) – B/io verwijzen naar psychiater.”
In een brief aan beklaagde van 8 december 2016 heeft de GZ-psycholoog i.o. de volgende
conclusie en advies opgenomen:
“Patiente is een 51-jarige vrouw, die zich meldt vanwege stressklachten, verhoogde
emotionaliteit en pijnklachten. Zij imponeert instabiel, chaotisch en onsamenhangend.
De contactname verloopt moeizaam en zij reageert niet altijd adequaat op hetgeen haar
gevraagd wordt. Daarnaast is zij van tijd tot tijd grensoverschrijdend en lijkt zij
moeite te hebben met afstand en nabijheid. Patiente persevereert opmerkingen en valt
regelmatig in de herhaling, bijvoorbeeld over de complottheorieen wat betreft haar
werk. Zij is sterk geneigd om hierover te blijven vertellen. Haar stemming imponeert
dysfoor, in de zin van somber en verdrietig. Patiente vraagt hulp bij het omgaan met
de stresklachten en emoties, en het verminderen van de lichamelijke klachten. In overleg
met patiente en diens huisarts werd besloten patiente door te verwijzen voor verdere,
uitgebreide diagnostiek en daaropvolgend een passend behandeltraject.
Advies:
Doorverwijzing via de huisarts naar GGNet voor diagnostiek en behandeling.
Er heeft inmiddels overleg met de huisarts plaatsgevonden. Hij gaat akkoord met deze
verwijzing. Het contact wordt alhier dan ook afgesloten. Voor eventuele overbrugging
kan zij bij haar huisarts terecht.”
Beklaagde heeft klaagster op 13 december 2016 verwezen naar GGNet waar zij op
3 januari 2017 een gesprek heeft gehad met een verpleegkundige. Voorafgaand en tijdens
dit gesprek heeft klaagster kenbaar gemaakt geen behandeling te willen van GGNet.
Op 11 januari 2017 heeft beklaagde telefonisch contact gehad met de verpleegkundige
van GGNet. Van dit gesprek heeft beklaagde genoteerd: “verwijzing terecht; chaos in
denken, waanbeelden; derhalve gaat proberen haar over te halen toch in therapie te
komen.” Op 17 januari 2017 heeft de verpleegkundige van GGNet laten weten dat klaagster
geen behandeling wenste van GGNet en terug wilde naar de klinisch psycholoog.
Klaagster heeft op 18 januari 2018 telefonisch doorgegeven dat zij een terugverwijzing
wilde naar de neuroloog. De neuroloog heeft nog dezelfde dag telefonisch te kennen
gegeven dat voor de klachten van klaagster geen neurologische verklaring kon worden
gevonden en dat de klinisch psycholoog een verwijzing naar GGNet adviseerde.
Op 21 februari 2018 heeft klaagster aan beklaagde laten weten het niet eens te zijn
met de diagnosen. Zij heeft daarnaast laten weten te vinden dat er geen psychotische
fenomenen, wanen en chaotisch denken zijn. Beklaagde heeft hierop in het dossier de
bevinding ‘neurasthenie’ gewijzigd in ‘overspannen’.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat hij:
a. klaagster zonder overleg en zonder haar instemming bij GGNet heeft aangemeld
en medische informatie heeft gedeeld;
b. heeft verzuimd adequate zorg te bieden, door – na de episode rondom de verwijzing
naar GGNet - na te laten passende zorg te bieden ten aanzien van de klachten die oorspronkelijk
tot verwijzing naar de neuroloog hebben geleid;
c. zonder verder eigen onderzoek de terminologie ‘psychotische fenomenen, wanen,
complottheorieën e.d.’ heeft gebruikt in de richting van GGNet;
d. zich niet heeft ingespannen om de door hem zonder toestemming aan GGNet verstrekte
persoonsgegevens van klaagster uit de bij GGNet aanwezige dossiers en overige gegevensbestanden
te laten verwijderen;
e. in het huisartsenjournaal geen melding heeft gemaakt van het telefoongesprek
van 29 november 2016 met de GZ-psycholoog i.o.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij heeft gehandeld zoals van hem in
de gegeven omstandigheden verwacht kon worden en verzoekt het college de tegen hem
ingediende klacht af te wijzen.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel
handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een
antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven
binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met
de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met
hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Van belang bij de beoordeling van deze klacht is dat het dossier niet meer geheel
compleet is omdat op verzoek van klaagster het dossier medische psychologie is verwijderd.
Zo is in ieder geval de schriftelijke communicatie met GGNet verwijderd en is de bevinding
(episode) aangepast. Voor zover de feiten als gevolg van het verwijderen of aanpassen
van delen van het dossier niet kunnen worden vastgesteld, kan dit niet voor risico
van beklaagde komen, die voor het vernietigen van de verslaglegging niet verantwoordelijk
kan worden gehouden.
5.3
Aanmelding bij GGNet en het verstrekken van medische gegevens aan GGNet
Uit de verwijsbrief van de beklaagde aan GGNet blijkt dat de GZ-psycholoog i.o. op
29 november 2016 telefonisch contact heeft gehad met beklaagde om te overleggen over
een eventuele verwijzing naar een psychiater. Uit de brief van de GZ-psycholoog i.o.
van 8 december 2016 blijkt dat zij deze verwijzing voor verdere uitgebreide diagnostiek
en passend behandeltraject door de GZ-psycholoog i.o. ook met klaagster heeft besproken.
Beklaagde heeft na het telefonisch contact op 29 november 2016 en ontvangst van de
brief van 8 december 2016 zo snel mogelijk de verwijzing naar GGNet in orde gemaakt.
Dat hij daarbij niet bij klaagster is nagegaan of de door de GZ-psycholoog i.o. gegeven
informatie (namelijk dat klaagster instemde met de verwijzing) juist was, kan hem
niet worden verweten. Beklaagde had geen aanleiding te veronderstellen dat wat de
GZ-psycholoog i.o. ten aanzien van het overleg met klaagster over de verwijzing heeft
meegedeeld, niet juist was. In de door de GZ-psycholoog i.o. in de brief van 8 december
2016 beschreven toestand van klaagster heeft beklaagde terecht een belang gezien bij
een spoedige verwijzing en heeft hij adequaat gehandeld door deze zo snel mogelijk
in orde te maken. Hij mocht er daarbij van uitgaan dat klaagster evenzeer instemde
met het verstrekken van medische gegevens aan GGNet (vgl. ook de KNMG-richtlijn ‘Omgaan
met medische gegevens’ onder 1.4).
Adequate zorg na verwijzing naar GGNet
Toen bleek dat klaagster geen behandeling door GGNet wilde, maar wel een (terug)verwijzing
wenste naar de klinisch psycholoog van het ziekenhuis en/of de neuroloog is er contact
geweest tussen de neuroloog en de huisartsenpraktijk. De neuroloog gaf te kennen dat
er geen neurologische verklaring voor de klachten van klaagster kon worden gevonden.
Klaagster was bij de neuroloog dan ook uitbehandeld. Een nieuwe verwijzing naar een
neuroloog lag dan ook niet voor de hand. Ook een verwijzing naar een (andere) psychiater
of psycholoog was niet aan de orde, gezien de duidelijke bezwaren die klaagster tegen
de verwijzing naar GGNet had. Nu enig aanknopingspunt voor verwijzing naar een ander
specialisme ontbrak en klaagster ook niet opnieuw haar klachten en een mogelijke verwijzing
aan de orde heeft gesteld, kan niet worden geoordeeld dat beklaagde op dit onvoldoende
adequaat heeft gehandeld.
Het gebruik van de terminologie ‘psychotische fenomenen, wanen, complottheorieën e.d.’
Beklaagde heeft in de verwijzing naar GGNet de inhoud van het telefoongesprek met
de GZ-psycholoog i.o. opgenomen. De gebruikte terminologie is, aldus beklaagde, afkomstig
van de GZ-psycholoog i.o. Door het college kan niet worden vastgesteld of de inhoud
van het gesprek met de GZ-psycholoog i.o. het gebruik van deze terminologie rechtvaardigde.
Het college is bij dit gesprek immers niet aanwezig geweest. Wel bestond er op grond
van de in de brief van de GZ-psycholoog i.o. verwoorde conclusie voor beklaagde voldoende
aanleiding tot (grote) zorg over de psychische toestand van klaagster. De inhoud van
deze brief hoefde voor beklaagde ook geen aanleiding te zijn af te zien van het gebruik
van meergenoemde terminologie in de verwijzing. Wat in de brief van 8 december 2016
is beschreven (onder meer over de complottheorieën) was verenigbaar met de in de notitie
van beklaagde gebruikte terminologie. Daaraan doet niet af dat in de brief van 8 december
2016 de termen psychotische fenomenen en wanen niet expliciet zijn genoemd. Daarbij
komt dat verwijzing plaatsvond voor nadere diagnostiek. Duidelijk was dan ook dat
de gebruikte terminologie geen diagnose betrof, maar een beschrijving van het beeld
op dat moment. Van het klakkeloos overnemen van onjuiste terminologie is niet gebleken.
Het laten verwijderen van gegevens bij GGNet
Gesteld noch gebleken is dat klaagster beklaagde heeft verzocht zich in te spannen
haar gegevens bij GGNet te (laten) verwijderen. Zoals hiervoor is overwogen was de
verwijzing door beklaagde en het delen van medische gegevens met GGNet voorts niet
verwijtbaar. Voor het oordeel dat beklaagde zich - ongevraagd - had moeten inspannen
de door hem met GGNet gedeelde gegevens te laten verwijderen is gelet op het voorgaande
geen grond.
Volledigheid dossier
Juist is dat in de journaalregels de weergave van het telefoongesprek met de GZ-psycholoog
i.o. ontbreekt. Vastlegging van het telefoongesprek heeft echter wel plaatsgevonden,
namelijk door middel van de in de verwijzing van 13 december 2016 opgenomen notitie.
Hiermee is de gang van zaken met betrekking tot de verwijzing en het contact daarover
met de GZ-psycholoog i.o. in voldoende mate te achterhalen. Voor het overzicht was
het beter geweest als deze notitie ook in de journaalregels zou zijn opgenomen. Het
voert echter te ver op grond hiervan te oordelen dat de verslaglegging door beklaagde
de tuchtrechtelijke toets der kritiek niet kan doorstaan.
5.4
Uit het voorgaande volgt dat de onder 3 a tot en met e genoemde klachtonderdelen niet
slagen en als volgt dient te worden beslist. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de bestreden beslissing te vernietigen,
de klacht alsnog gegrond te verklaren en aan de huisarts een maatregel op te leggen.
4.2 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal
Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat
tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege doorgestuurd.
4.4 In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij
heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege
vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 29 oktober 2021 is dat debat voortgezet.
4.5 De bespreking van de zaak in raadkamer na de mondelinge behandeling in beroep
heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten
of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De
overwegingen van het college’ overwogen hier volledig over want het is het daarmee
eens. Dit betekent dat het beroep van klaagster zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick voorzitter,
M.P. den Hollander en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en F.M.M. van Exter
en
W. de Ruijter, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.