ECLI:NL:TGZCTG:2021:215 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.131
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:215 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-12-2021 |
| Datum publicatie: | 21-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2020.131 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen gz-psycholoog werkzaam als directeur van een forensische instelling. Klager is onderzocht in de forensische instelling en daarvan zijn Pro Justitia rapportages opgemaakt. Klager verwijt de beklaagde dat hij heeft geweigerd of verzuimd hem kenbaar te maken uit wiens behandeldossier(s) de aan klager verstrekte onderzoeksgegevens afkomstig zijn. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep voor zover zijn beroep is gericht tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege waarbij klager in de klacht ontvankelijk is verklaard. Voor het overige wordt het beroep verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.131 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., gz-psycholoog, destijds werkzaam te C.,
beklaagde in beide instanties,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 8 februari 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle
tegen C. - hierna de gz-psycholoog - een klacht ingediend. Bij beslissing van 3 april
2020, onder nummer 035/2018A, heeft dat College de klacht ongegrond verklaard.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen.
De gz-psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege
van 29 oktober 2021. Klager is verschenen. Ook de gz-psycholoog was aanwezig, bijgestaan
door zijn gemachtigde mr. Hielkema.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang
voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager is in 2014 in het E. (hierna E.) onderzocht. Daarvan zijn Pro Justitia rapportages
opgemaakt waarvan klager afschrift heeft ontvangen. Klager heeft onder meer bij brief
van 23 oktober 2015 het E. verzocht om een afschrift te verstrekken van de conceptversies
van het psychologisch-, psychiatrisch- en het groepsobservatierapport ten aanzien
van zijn opname in het E. in 2014.
Bij brief van 11 december 2017 heeft klager nogmaals verzocht om een afschrift te
verstrekken van de conceptversies van de psychologische en psychiatrische rapportageonderdelen,
van het groepsrapport alsmede een verslag van het psychomotorisch onderzoek.
Bij brief van 5 januari 2018 stuurt beklaagde als bijlagen de conceptversies van de
psychologische en psychiatrische rapportageonderdelen en van het groepsrapport, zowel
van het initiële rapport van het E. als van het aanvullende rapport van het E. alsmede
een verslag van het psychomotorisch onderzoek.
Bij brief van 10 januari 2018 heeft klager verzocht kenbaar te maken uit wiens behandeldossier(s)
de door beklaagde verstrekte bijlagen afkomstig zijn.
In een aan klager gericht schrijven van 25 januari 2018 heeft beklaagde de brief van
klager beantwoord.
Het (niet) verstrekken van de door klager gevraagde stukken is onderwerp geweest van
een door klager ingediende tuchtklacht, gericht tegen beklaagde als (waarnemend) directeur
van het E.. Deze klacht met kenmerk 178/2017 is op 2 februari 2018 ter zitting behandeld
van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle. Bij beslissing van 9 maart 2018 heeft het
college de klacht (deels) gegrond verklaard en beklaagde gewaarschuwd.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Beklaagde heeft een verweerschrift
ingediend en tevens incidenteel beroep ingesteld. Klager heeft hierop gereageerd met
een verweerschrift in het incidenteel beroep.
De klacht is in beroep gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak A./C. met kenmerk
C2018.204 behandeld ter zitting van het Centraal Tuchtcollege van 2 april 2019.
Het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 6 juni 2019 klager niet-ontvankelijk
verklaard in zijn beroep voor zover dit betrekking heeft op klachtonderdeel f en heeft
het beroep voor het overige verworpen.
Het Centraal Tuchtcollege heeft in incidenteel beroep beslist dat de beslissing van
het Regionaal Tuchtcollege wordt vernietigd, doch uitsluitend voor zover daarin de
maatregel van waarschuwing is opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft bepaald dat
geen tuchtmaatregel wordt opgelegd.
Het weigeren of niet kenbaar maken uit wiens behandeldossier(s) de verstrekte vermeende
conceptrapportages afkomstig zijn is onderwerp geweest van een door klager ingediende
tuchtklacht, gericht tegen beklaagde in zijn hoedanigheid van gz-psycholoog. Deze
klacht met kenmerk 035/2018 is op 6 februari 2018 door klager ingediend. Bij beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 6 april 2018 heeft dat college klager
niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De gz-psycholoog heeft geen
verweerschrift ingediend.
De klacht is in beroep gelijktijdig maar niet gevoegd met de zaak A./C. met kenmerk
C2018.168 behandeld ter zitting van het Centraal Tuchtcollege van 2 april 2019.
Het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 6 juni 2019 de beslissing waarvan
beroep vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle
ter afdoening van de hoofdzaak.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt beklaagde dat hij heeft geweigerd of verzuimd hem kenbaar te maken
uit wiens behandeldossier(s) de aan klager per brief van 25 januari 2018 [bedoeld
zal zijn de brief van 5 januari 2018, RTC] verstrekte vermeende conceptrapportages
afkomstig zijn.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde stelt zich in het verweerschrift op het gemotiveerde standpunt dat de tegen
hem ingediende klacht ongegrond is. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel
handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een
antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven
binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met
de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met
hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Beklaagde stelt in de eerste plaats dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard
in zijn klacht, omdat de WGBO niet van toepassing zou zijn op onderzoek dat in opdracht
van de rechter wordt verricht naar de persoon van een verdachte binnen het E.. De
aard van het strafrechtelijk onderzoek en daarmee de aard van de rechtsbetrekking
zou zich daartegen verzetten.
Het college overweegt het volgende. Volgens artikel 7:464 BW is de WGBO ook van toepassing
als in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf anders dan krachtens
een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verricht,
voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
Dat observatie en rapportage bij het E. vallen onder het begrip “handelingen op het
gebied van de geneeskunst” volgt uit artikel 7:446, lid 2 BW.
De vraag is of de zinsnede “voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen
niet verzet” tot de conclusie moet leiden dat de WGBO niet van toepassing is op het
onderzoek naar de persoon van klager in het E.. De zinsnede is toegevoegd aan artikel
7:464 BW (destijds artikel 1653t) bij Memorie van wijziging (Kamerstukken II 1989/90,
21561, nr. 7). In de Memorie van antwoord (21561, nr. 6) is daarover het volgende
opgemerkt: “Deze formulering (…) maakt het mogelijk dat in gevallen waarin strikte
toepassing van de overige bepalingen van de desbetreffende titel zou gaan wringen,
een redelijke oplossing wordt bereikt. Te denken valt bv. aan artikel 1653o.” Hieruit
volgt naar het oordeel van het college dat het niet de bedoeling van de wetgever is
geweest dat de WGBO met een beroep op de aard van de rechtsbetrekking in zijn geheel
buiten toepassing kan worden gelaten, maar dat steeds moet worden bezien of een specifieke
bepaling buiten toepassing moet blijven vanwege de aard van de rechtsbetrekking.
Bij het Besluit van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties, bedoeld in artikel
464 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor dit artikel later dan met ingang
van 1 mei 2000 in werking zal treden (Stb. 2000, 121), is een aantal situaties genoemd,
waarin artikel 7:464 BW later in werking is getreden. Dit is gedaan omdat onverkorte
toepassing van de WGBO in die situaties tot problemen zou kunnen leiden. De situatie
waarin in opdracht van de rechter onderzoek naar de persoon van een verdachte wordt
gedaan is in dat besluit niet genoemd. In de toelichting is aangegeven waarom de WGBO
vanaf 1 mei 2000 zonder bezwaar van overeenkomstige toepassing kan zijn op (onder
meer) de situatie waarin sprake is van observatie en rapportage in opdracht van een
rechter. Onderkend wordt weliswaar dat zich bij onverkorte toepassing van de WGBO
problemen kunnen voordoen in geval van observatie en rapportage, maar die worden ondervangen
doordat de verrichtingen die in het kader van observatie worden gedaan zijn neergelegd
in de straf- of penitentiaire regelgeving. Deze regels, aldus de toelichting op het
besluit, dienen als lex specialis te worden gezien ten opzichte van de regels over
de geneeskundige behandelingsovereenkomst.
Uit het Besluit van 13 maart 2000 en de daarbij opgenomen toelichting leidt het college
af dat de wetgever de situaties onder ogen heeft gezien waarin onverkorte toepassing
van de WGBO op problemen stuit en waar bepalingen van de WGBO om die reden (nog) niet
van toepassing konden worden verklaard. Ook is onder ogen gezien welke problemen zich
konden voordoen in de situatie van observatie en rapportage in opdracht van de rechter.
Die problemen worden opgelost door de straf- en penitentiaire regelgeving als specialis
aan te merken ten opzichte van de WGBO. Dat dit in de praktijk ook inderdaad het geval
is, blijkt uit het feit dat de door beklaagde genoemde problemen (verdachten kunnen
doordat zij inzage kunnen krijgen in hun gegevens hun onderzoekshouding aanpassen)
worden opgelost met behulp van de lex specialis, waaruit immers voortvloeit dat de
gegevens pas na afronding van het onderzoek en na verstrekking van de rapportage aan
de opdrachtgever aan beklaagde hoeven te worden verstrekt. Het college ziet dan ook
geen reden om beklaagde te volgen in zijn standpunt dat de WGBO in het onderhavige
geval niet van toepassing is. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.
5.3
Beklaagde heeft verder aangevoerd dat de klacht feitelijke grondslag mist, omdat hij
bij brief van 25 januari 2018 aan klager heeft meegedeeld uit wiens behandeldossiers
de eerder aan klager verstrekte conceptgegevens afkomstig zijn. Dit verweer slaagt.
Uit de toelichting van beklaagde blijkt dat de onderzoeksgegevens digitaal worden
opgeslagen in de beveiligde omgeving van het E.. In de brief van 25 januari 2018 heeft
beklaagde laten weten dat de gegevens zijn opgeslagen in de “directory A.” van de
verschillende medewerkers die bij de onderzoeken betrokken zijn geweest en heeft daarbij
ook genoemd welke medewerkers dit betreft. Daarmee is het verzoek van klager afdoende
beantwoord. Om die reden is het college van oordeel dat de klacht ongegrond is”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Klager is niet-ontvankelijk in het beroep voor zover zijn beroep is gericht tegen
het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege waarbij klager in de klacht ontvankelijk
is verklaard (rechtsoverweging 5.1 t/m 5.2). Klager kan namelijk alleen beroep instellen
voor zover zijn klacht is afgewezen of voor zover hij niet-ontvankelijk is verklaard
(artikel 73 lid 1 Wet BIG). Klager heeft dit ter terechtzitting ook erkend. Het Centraal
Tuchtcollege zal klager voor dat deel dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het beroep.
5. Beoordeling van het beroep
5.1 Klager wil met zijn beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege zijn klacht
in volle omvang beoordeelt en in beroep alsnog gegrond verklaart.
5.2 De gz-psycholoog heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege
om het beroep te verwerpen.
5.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat
tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
5.4 In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij
heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege
vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 29 oktober 2021 is dat debat voortgezet.
5.5 De bespreking van de zaak in raadkamer na de mondelinge behandeling in beroep
heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten
of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de gz-psycholoog met de brief van
25 januari 2018 afdoende heeft gereageerd op het verzoek van klager om mee te delen
uit wiens behandeldossier(s) de eerder aan klager verstrekte bijlagen met onderzoeksgegevens
afkomstig zijn. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij dat wat het Regionaal
Tuchtcollege daarover in rechtsoverweging 5.3 van de beslissing heeft overwogen en
neemt dat over.
5.6 Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege met het Regionaal Tuchtcollege van
oordeel is dat de gz-psycholoog geen verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in artikel
47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
5.7 Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep verwerpen.
6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep voor zover zijn beroep is gericht
tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege waarbij klager in de klacht ontvankelijk
is verklaard;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter;
M.P. den Hollander en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en B. van Giessen en
F.D.F. Steenbakkers, leden-beroepsgenoten en D. Brommer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 10 december 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.