ECLI:NL:TGZCTG:2021:214 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2019.221
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:214 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-12-2021 |
| Datum publicatie: | 21-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2019.221 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts. Klaagster is tot mei 2017 patiënt geweest in de huisartsenpraktijk van de huisarts. Daarna is zij naar een nieuwe huisarts gegaan. Het dossier van klaagster is naar de nieuwe huisarts gestuurd. Klaagster verwijt de huisarts dat hij ondanks herhaalde verzoeken niet is overgegaan tot verstrekking van haar medisch dossier. Hij heeft daarbij niet de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen. Klaagster heeft door deze weigerachtige houding zowel immateriële als materiële schade opgelopen. Klaagster heeft een gelijkluidende klacht ingediend tegen de praktijkmanager/verpleegkundige van de huisartsenpraktijk (C2019.222). Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2019.221 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. G.J. van der Zon,
tegen
C., huisarts, destijds werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. K. Zeylmaker, advocaat verbonden aan ARAG SE.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 31 januari 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te
Zwolle tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend.
Bij beslissing van 12 juli 2019, onder nummer 016/2019, heeft dat college de klacht
kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2019.222 (A./E.)
behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 29 oktober
2021, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mr. Van der Zon, en de huisarts,
bijgestaan door mr. Zeylmaker. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.
Mr. Van der Zon heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die hij aan het
Centraal Tuchtcollege heeft overhandigd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht,
van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is tot 4 mei 2017 patiënt geweest in de praktijk van verweerder. Op 29 mei
2017 heeft klaagster per e-mail laten weten dat zij zich in verband met verhuizing
wilde laten uitschrijven en heeft zij verweerder de gegevens van haar nieuwe huisarts
gestuurd. Verweerder heeft vervolgens het dossier van klaagster naar de nieuwe huisarts
gestuurd.
Bij e-mail van 4 december 2018 heeft klaagster verweerder laten weten dat haar huisarts
bij herhaling heeft aangegeven slechts een summier gedeelte van haar medisch dossier
te hebben ontvangen. In verband met een toekomstige behandeling was het voor haar
nodig om over haar volledige medische dossier te beschikken. Klaagster stelde in haar
e-mail voor om een afspraak te maken om dit dossier persoonlijk te komen ophalen.
In deze e-mail wordt het telefoonnummer van haar gemachtigde genoemd via wie de afspraak
gemaakt kan worden. Op 5 december 2018 nam een medewerkster van de praktijk telefonisch
contact op met de gemachtigde van klaagster. Over wat er in dit gesprek is gezegd
verschillen partijen van mening. Op donderdag 13 december 2018 heeft klaagster haar
verzoek via de e-mail herhaald. Op zaterdag 15 december 2018 heeft klaagster een klacht
ingediend bij de huisartsenpraktijk. Op maandag 17 december 2018 heeft E., praktijkmanager,
per e-mail aan klaagster laten weten dat zij nogmaals het medisch dossier aangetekend
heeft toegestuurd naar de nieuwe huisarts van klaagster te F. Zij vermeldt in deze
e-mail dat het gaat om een computeruitdraai en dat klaagster met haar nieuwe huisarts
kan communiceren over het dossier.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij ondanks herhaalde verzoeken
niet is overgegaan tot verstrekking van haar medisch dossier. Hij heeft daarbij niet
de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen. Klaagster heeft door deze weigerachtige
houding zowel immateriële als materiële schade opgelopen.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat zijns inziens de klacht onterecht
is. Bij de overdracht van het dossier naar de opvolgend huisarts heeft hij gehandeld
volgens de richtlijn van de KNMG en met betrekking tot het recht op inzage en afschrift
heeft hij verwezen naar de opvolgend huisarts die sinds 2017 dossierhouder is.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel
handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een
antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven
binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met
de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met
hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college is van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden
gemaakt. Klaagster was sinds mei 2017 geen patiënte meer van verweerder; deze heeft
haar dossier toen, zoals gebruikelijk is, naar de nieuwe, door klaagster opgegeven,
huisarts gestuurd. Klaagster heeft vervolgens per e-mail van 4 december 2018 een verzoek
gedaan bij verweerder tot afgifte van het dossier. Vervolgens is er telefonisch contact
geweest tussen een medewerkster van de praktijk van verweerder en de gemachtigde van
klaagster. Partijen verschillen van mening over de inhoud van dit gesprek. Vaststaat
in ieder geval dat klaagster op 13 december 2018 haar verzoek per e-mail heeft herhaald
en op 15 december 2018 een klacht heeft ingediend bij de huisartsenpraktijk. Verweerder
heeft op 17 december 2018 laten weten dat hij het medisch dossier van klaagster nogmaals
aangetekend heeft verstuurd naar de opvolgend huisarts en heeft voor verdere communicatie
over het dossier verwezen naar deze huisarts. Nu verweerder niet meer de huisarts
was van klaagster en hij het dossier al in 2017 had overgedragen naar de opvolgend
huisarts heeft hij klaagster terecht verwezen naar haar huidige huisarts. Het lag
daarom niet (meer) op de weg van verweerder als voormalig huisarts van klaagster om
het dossier aan haar af te geven. Derhalve is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
geen sprake.
5.3
Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden
beslist. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster wil met haar beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege haar klacht
in volle omvang beoordeelt, in beroep alsnog gegrond verklaart en aan de huisarts
een maatregel oplegt.
4.2 De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege
om het beroep te verwerpen.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat
tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege doorgestuurd.
4.4 In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij
heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege
vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 29 oktober 2021 is dat debat voortgezet.
4.5 De bespreking van de zaak in raadkamer na de mondelinge behandeling in beroep
heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten
of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De
overwegingen van het college’ heeft overwogen hier volledig over want het is het daarmee
eens. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal
Tuchtcollege dat het niet meer op de weg van de huisarts lag om het dossier aan klaagster
af te geven en dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Dit betekent
dat het beroep van klaagster zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick voorzitter,
M.P. den Hollander en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en F.M.M. van Exter
en
W. de Ruijter, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.