ECLI:NL:TGZCTG:2021:213 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2019.222
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:213 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-12-2021 |
| Datum publicatie: | 21-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2019.222 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster is tot mei 2017 patiënt geweest in de huisartsenpraktijk waar de verpleegkundige werkzaam is als praktijkmanager. Daarna is klaagster naar een nieuwe huisarts gegaan. Het dossier van klaagster is naar de nieuwe huisarts gestuurd. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij ondanks herhaalde verzoeken niet is overgegaan tot verstrekking van haar medisch dossier. Zij heeft daarbij niet de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen. Klaagster heeft door deze weigerachtige houding zowel immateriële als materiële schade opgelopen. Klaagster heeft een gelijkluidende klacht ingediend tegen de huisarts (C2019.221). Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2019.222 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. G.J. van der Zon,
tegen
C., verpleegkundige, werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. K. Zeylmaker, advocaat verbonden aan ARAG SE.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 31 januari 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te
Zwolle tegen C. – hierna de verpleegkundige – een klacht ingediend. Bij beslissing
van 12 juli 2019, onder nummer 017/2019, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond
verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De verpleegkundige heeft
een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2019.221 (A./E.)
behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 29 oktober
2021, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mr. Van der Zon, en de verpleegkundige,
bijgestaan door mr. Zeylmaker. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Mr.
Van der Zon heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die hij aan het Centraal
Tuchtcollege heeft overhandigd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht,
van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is tot 4 mei 2017 patiënte geweest bij een huisartsenpraktijk waar verweerster
werkzaam is als praktijkmanager. Op 29 mei 2017 heeft klaagster per e-mail laten weten
dat zij zich in verband met verhuizing wilde laten uitschrijven en heeft de gegevens
van haar nieuwe huisarts gestuurd. De huisarts heeft vervolgens het dossier van klaagster
naar de nieuwe huisarts gestuurd.
Bij e-mail van 4 december 2018 heeft klaagster de praktijk laten weten dat haar huisarts
bij herhaling heeft aangegeven slechts een summier gedeelte van haar medisch dossier
te hebben ontvangen. In verband met een toekomstige behandeling was het voor haar
nodig om over haar volledige medische dossier te beschikken. Klaagster stelde in haar
e-mail voor om een afspraak te maken om dit dossier persoonlijk te komen ophalen.
In deze e-mail wordt het telefoonnummer van haar gemachtigde genoemd via wie de afspraak
gemaakt kon worden. Op 5 december 2018 nam een medewerkster van de praktijk telefonisch
contact op met de gemachtigde van klaagster. Over wat er in dit gesprek is besproken
verschillen partijen van mening. Op donderdag 13 december 2018 heeft klaagster haar
verzoek via de e-mail herhaald. Op zaterdag 15 december 2018 heeft klaagster een klacht
ingediend bij de huisartsenpraktijk. Op maandag 17 december 2018 heeft verweerster,
die de praktijkmanager is, per e-mail aan klaagster laten weten dat zij nogmaals het
medisch dossier aangetekend heeft toegestuurd naar de nieuwe huisarts van klaagster
te F.. Zij vermeldt in deze e-mail dat het gaat om een computeruitdraai en dat klaagster
met haar nieuwe huisarts kan communiceren over het dossier.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- dat zij ondanks herhaalde verzoeken
niet is overgegaan tot verstrekking van haar medisch dossier. Zij heeft daarbij niet
de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen. Klaagster heeft door deze weigerachtige
houding zowel immateriële als materiële schade opgelopen.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER
Verweerster voert -zakelijk weergegeven- aan dat haars inziens de klacht onterecht
is. Zij heeft gehandeld volgens de richtlijn van de KNMG bij de overdracht van het
dossier naar de opvolgend huisarts en met betrekking tot het recht op inzage en afschrift
heeft zij verwezen naar de opvolgend huisarts die sinds 2017 dossierhouder is.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel
handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een
antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven
binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met
de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met
hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college is van oordeel dat verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden
gemaakt. Klaagster was sinds mei 2017 geen patiënte meer bij de praktijk; haar dossier
is toen, zoals gebruikelijk is, naar de nieuwe, door klaagster opgegeven huisarts,
gestuurd. Klaagster heeft vervolgens per e-mail van 4 december 2018 een verzoek gedaan
bij de praktijk tot afgifte van het dossier. Dit verzoek is met de huisarts besproken
en vervolgens is er telefonisch contact geweest tussen een medewerkster van de praktijk
van verweerder en de gemachtigde van klaagster. Partijen verschillen van mening over
de inhoud van dit gesprek. Vaststaat in ieder geval dat klaagster op 13 december 2018
haar verzoek per e-mail heeft herhaald en op 15 december 2018 een klacht heeft ingediend
bij de huisartsenpraktijk. Verweerster heeft op 17 december 2018 laten weten dat zij
het medisch dossier van klaagster nogmaals aangetekend heeft verstuurd naar de opvolgend
huisarts en heeft voor verdere communicatie over het dossier verwezen naar deze huisarts.
Nu de eveneens aangeklaagde huisarts niet meer de huisarts was van klaagster en hij
het dossier al in 2017 had overgedragen naar de opvolgend huisarts heeft verweerster
klaagster terecht verwezen naar haar huidige huisarts. Het lag daarom niet (meer)
op de weg van de voormalig huisarts dan wel verweerster om het dossier van klaagster
aan haar te geven. Derhalve is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet gebleken.
5.3
Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden
beslist. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster wil met haar beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege haar klacht
in volle omvang beoordeelt, in beroep alsnog gegrond verklaart en aan de verpleegkundige
een maatregel oplegt.
4.2 De verpleegkundige heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het Centraal
Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat
tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege opgebouwde zaaksdossier
is aan het Centraal Tuchtcollege doorgestuurd.
4.4 In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij
heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege
vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 29 oktober 2021 is dat debat voortgezet.
4.5 De bespreking van de zaak in raadkamer na de mondelinge behandeling in beroep
heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten
of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege.
Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De
overwegingen van het college’ heeft overwogen hier volledig over want het is het daarmee
eens. Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal
Tuchtcollege dat het niet meer op de weg van de verpleegkundige lag om het dossier
aan klaagster af te geven en dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake
is. Dit betekent dat het beroep van klaagster zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick voorzitter,
M.P. den Hollander en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en D.A. Polhuis en
P.A.M. Storck, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.