ECLI:NL:TGZCTG:2021:211 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.292

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:211
Datum uitspraak: 03-12-2021
Datum publicatie: 21-12-2021
Zaaknummer(s): C2020.292
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: C2020.292Klacht tegen internist. De klacht gaat over de overleden zus van klaagster. Patiënte is gepresenteerd op de SEH van het ziekenhuis met ernstige klachten van benauwdheid, mogelijk als gevolg van een longontsteking en is die middag in het ziekenhuis overleden. Klaagster verwijt de internist dat hij:a. de urgentie van patiënte onjuist heeft ingeschat, door haar onvoldoende te controleren en aan haar lot over te laten;b. ten onrechte geen antibiotica heeft toegediend en een longfoto heeft gemaakt; enc. patiënte ten onrechte niet heeft gereanimeerd.Het Regionaal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het beroep van klaagster ten aanzien van klachtonderdelen a. en b. ongegrond en verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in haar klacht voor zover deze ziet op klachtonderdeel c, omdat klaagster niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.292 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg, 
gemachtigde: mr. M.H.M. Mook te Leusden,
tegen
F., internist, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. O.L. Nunes te Utrecht.
1.    Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 31 juli 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen F. - hierna de internist - een klacht ingediend. Bij beslissing van 17 november 2020, onder nummer 2019.182b heeft dat College de klacht ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De internist heeft een verweerschrift in beroep ingediend. De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2020.291 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 november 2021, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde en de internist, bijgestaan door zijn gemachtigde. 
Klaagster heeft een schriftelijke verklaring van haar broer, D. ingebracht en ter zitting een toelichting gegeven. De schriftelijke uitwerking heeft zij aan het Centraal Tuchtcollege overgelegd. Mr. Nunes heeft de standpunten van de internist toegelicht aan de hand van pleitnotities die eveneens aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag 
gelegd.
“2.    De feiten
2.1    Klaagster is de zus van E. (verder: de patiënte), geboren op 30 augustus 1964 en overleden op 4 februari 2019 in het ziekenhuis waar beklaagde als arts werkzaam is. Nadat patiënte twee weken daarvoor opgenomen was geweest op de afdeling Interne Geneeskunde van het ziekenhuis, vanwege een pneumonie/bacteriële infectie, werd patiënte op 4 februari 2019 gepresenteerd op de afdeling Spoed Eisende Hulp (SEH) van het ziekenhuis met ernstige klachten van benauwdheid, mogelijk als gevolg van een pneumonie (longontsteking). Patiënte arriveerde op de SEH om 11.37 uur. Zij is toen beoordeeld door beklaagde en zijn supervisor (beklaagde in de zaak bekend onder dossiernummer 2019-182b). Beklaagde heeft haar gevraagd naar behandelbeperkingen, in het bijzonder haar wensen ten aanzien van reanimeren. Patiënte heeft daarop aangegeven dat niet te willen. Patiënte is vervolgens aangesloten op de monitor, er is materiaal voor laboratorium onderzoek afgenomen, een infuus bij haar ingebracht en gestart met plasmedicatie, zuurstof en breedspectrum antibiotica. In afwachting op een plaats op de afdeling Longziekten is patiënte vervolgens in verband met een mogelijke influenza besmetting op een isolatie plaats op de SEH geplaatst.
2.2    Klaagster is rond 13.00 uur gearriveerd in het ziekenhuis. Klaagster schrok van de situatie van haar zus en van de omstandigheid dat patiënte geïsoleerd op een kamer lag. Zij heeft diverse malen aan de balie verzocht of er een arts of verpleegkundige kon komen kijken naar haar zus. Klaagster heeft een korte video-opname van patiënte gemaakt, waarop is te zien dat patiënte onrustig in haar bed ligt. Klaagster heeft die opname naar eigen zeggen iets na 13.00 uur gemaakt en dit fragment aan het College overgelegd. Klaagster is rond 15.50 uur weer naar huis gegaan.
2.3    Rond 16.00 uur is de situatie van patiënte verslechterd. Tevergeefs is toen getracht de hartslag van patiënte via medicatie te verhogen. Conform de wensen van patiënte ten aanzien van reanimeren is patiënte toen niet gereanimeerd. Patiënte is korte tijd daarop komen te overlijden.
2.4    Beklaagde in de zaak bekend onder dossiernummer 2019-182a heeft daarop gebeld met de broer van klaagster, die als eerste contactpersoon bekend stond in het ziekenhuis, met de mededeling dat patiënte was komen te overlijden. Beklaagde heeft de broer daarop uitgenodigd naar het ziekenhuis te komen, waaraan hij en klaagster gehoor hebben gegeven.
2.5    Klaagster heeft eerder haar onvrede over het handelen van beklaagde in de vorm van een klacht voorgelegd aan de Klachtenadviescommissie van het ziekenhuis. De Klachtenadviescommissie heeft de klachten van klaagster in februari 2020 op alle onderdelen ongegrond verklaard.
3.    De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat hij:
a.    De urgentie van patiënte onjuist had ingeschat, door haar onvoldoende te 
        controleren en haar aan haar lot over te laten. 
b.    Ten onrechte geen antibiotica heeft toegediend en geen longfoto heeft
        gemaakt.
c.    Patiënte ten onrechte niet heeft gereanimeerd.
Deze klachtonderdelen komen in de kern overeen met de klachten die klaagster aan de Klachtenadviescommissie van het ziekenhuis heeft voorgelegd.
Ter zitting heeft de tevens aanwezige broer van klaagster, en eerste contactpersoon van patiënte, ingestemd met het indienen van de klachten mede namens hem. 
4.    Het standpunt van beklaagde
Beklaagde stelt zich op het gemotiveerde standpunt dat de tegen hem ingediende klacht ongegrond is. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan. 
5.    De beoordeling
5.1    Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Klachtonderdeel a 
5.2    Beklaagde betwist dat hij de urgentie van patiënte onjuist heeft ingeschat. Na de presentatie van patiënte op de SEH heeft hij patiënte samen met de arts (beklaagde in de zaak bekend onder dossiernummer 2019-182a) beoordeeld, noodzakelijk onderzoek gedaan en een behandelplan opgesteld. Patiënte is vanwege haar mogelijke influenza besmetting vervolgens op een isolatie plaats op de SEH neergelegd in afwachting op een plaats op de afdeling Longziekten. De arts (beklaagde in de zaak bekend onder dossiernummer 2019-182a) die onder supervisie van beklaagde stond heeft de gezondheid van patiënte aansluitend via de monitors gevolgd en haar enige malen op haar kamer bezocht. Een en ander blijkt uit het medisch dossier van patiënte. Beklaagde geeft ter zitting desgevraagd aan dat de monitorgegevens op de afdeling SEH niet bewaard blijven.
5.3    Uitgaande van de juistheid van de gegevens in het medisch dossier, het consistente verweer van beklaagde en conform de uitkomsten van het eerdere onderzoek van de Klachtenadviescommissie concludeert het College dat dit klachtonderdeel ongegrond is. 
Klachtonderdeel b
5.4    Beklaagde heeft aan de hand van de gegevens opgenomen in het medisch dossier overtuigend aangetoond dat er aan patiënte antibiotica is toegediend en er bij haar een longfoto is gemaakt.
5.5    Dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
Klachtonderdeel c
5.6    Beklaagde erkent dat patiënte niet is gereanimeerd toen haar gezondheidssituatie rond 16.00 uur onverwachts achter was gegaan. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat dit overeenkomstig de door patiënte aangegeven behandelbeperkingen was. Beklaagde wijst daarbij op het feit dat de arts die onder zijn supervisie werkzaam was (beklaagde in de zaak bekend onder dossiernummer 2019-182a) met patiënte de behandelbeperkingen bij haar opname op de SEH heeft doorgenomen. Hij geeft verder aan dat patiënte naar zijn oordeel in staat was wilsbekwaam ter zake op deze vragen te antwoorden. Beklaagde meent voorts dat indien patiënte had aangegeven wel te willen worden gereanimeerd, dat hij dan vanwege haar kwetsbare gezondheid nader overleg zou hebben gevoerd met medebehandelaars.
5.7    Het College overweegt dat het inschatten van de wilsonbekwaamheid een aan een arts voorbehouden oordeel is. Het College ziet geen reden aan te nemen dat de beklaagde dit niet juist heeft gedaan of daarover mede had moeten overleggen met familieleden. Het niet-reanimeren van patiënte was derhalve conform de wensen van patiënte, mocht reanimeren medisch geïndiceerd zijn geweest.
5.8    Dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4.    Beoordeling van het beroep
4.1    Klaagster beoogt met haar beroep haar klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrond verklaring van het beroep.
4.2    De internist heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot verwerping van het beroep.
Is klaagster klachtgerechtigd?
4.3    De internist heeft in beroep het verweer gevoerd dat klaagster als zuster van patiënte niet klachtgerechtigd is omdat zij niet de wil van overleden patiënte vertegenwoordigt. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat dit ontvankelijkheidsverweer wat klachtonderdeel c betreft slaagt en zal dat hierna uitleggen. Ten aanzien van de andere klachtonderdelen ligt dat anders. Die zien op de wijze waarop patiënte is behandeld. De internist heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat patiënte niet zou hebben willen klagen indien hij in zijn zorg zou zijn tekortgeschoten. Klaagster is wat de klachtonderdelen a. en b. ontvankelijk in haar klacht. 
     Klachtonderdeel c.
4.4    De internist stelt dat klaagster niet de veronderstelde wil van patiënte vertegenwoordigt, omdat patiënte tijdens haar opname wilsbekwaam was, dat met haar over behandelbeperkingen is gesproken en dat zij niet geïntubeerd of gereanimeerd wilde worden. Daarvan is aantekening gemaakt in het medisch dossier. Patiënte is daarom niet gereanimeerd toen haar toestand snel verslechterde. Het is volgens de internist dan ook niet aannemelijk dat patiënte daarover een tuchtklacht had willen indienen. 
4.5    Klaagster stelt dat patiënte nimmer heeft aangegeven dat zij niet gereanimeerd wilde worden en dat zij juist wilde leven in verband met de zorg voor haar gehandicapte zoon. 
4.6    Vooropgesteld wordt dat in artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet BIG is vastgelegd dat een klacht aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende. Bij een rechtstreeks belanghebbende dient in de eerste plaats te worden gedacht aan de patiënt van een aan tuchtrechtspraak onderworpen beroepsbeoefenaar.
4.7    Het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 1 oktober 2013 (ECLI:NL:TGZCTG:2013:114) overwogen dat anderen dan de patiënt weliswaar als rechtstreeks belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, maar dat daarbij steeds als uitgangspunt geldt dat de patiënt die daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het al of niet indienen van een klacht met betrekking tot zijn behandeling. Is of was de patiënt daartoe zelf behoorlijk in staat en is aannemelijk dat de patiënt niet zelf wil of zou hebben willen klagen over zijn behandeling, dan ontbreekt in beginsel voldoende belang voor die anderen bij een klacht over de behandeling van de patiënt, met als gevolg dat zij niet rechtstreeks belanghebbende in de zin van de wet zijn. 
In die beslissing is verder overwogen dat tot die anderen onder meer behoren de naaste betrekkingen van de patiënt, waaronder zijn te verstaan zijn naaste bloed- en aanverwanten, zoals zijn ouders, kinderen en echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel. Hierbij moet in het bijzonder worden gedacht aan de situatie dat de patiënt zelf niet (meer) in staat is een klacht in te dienen, hetzij vanwege zijn overlijden, hetzij omdat hij niet (meer) in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen op dit punt behoorlijk waar te nemen, bijvoorbeeld als gevolg van zijn ziekte. De naaste betrekkingen van de patiënt kunnen in beginsel slechts met instemming van de patiënt over diens behandeling klagen en van die instemming zal moeten blijken, tenzij aannemelijk is dat de patiënt niet (meer) in staat is behoorlijk te beslissen over het al of niet geven van die instemming.
4.8    Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat klaagster ten aanzien van klachtonderdeel c. niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Vast staat dat patiënte ernstig ziek was toen zij op 4 februari 2019 werd binnengebracht op de spoedeisende hulp. Dit betekent niet dat patiënte niet meer in staat was om zelf keuzes te maken over haar behandeling of dat zij haar wil niet meer kon bepalen. Dat zij daar wel toe in staat was, is in het medisch dossier verantwoord.
4.9    In het medisch dossier is ten aanzien van het reanimatiebeleid het volgende opgenomen: 
“patiënte weigert meerdere behandelingen, lijkt wilsbekwaam ook in het weigeren CAD. Wil ook geen buis in de keel als dat nodig is. besproken dat dan ook reanimatie en beademen niet mogelijk is. Voor de rest zullen wij haar wel beter proberen te maken met alle andere middelen (…)
‘NRBNB besproken op de SEH vandaag wegens afhoudende houding van patiënte tegenover aanvullende onderzoek en onze inschatting dat ze wel wilsbekwaam was ten aanzien hiervan. 
Nu Zonder reanimatie geen behandelopties voor patiënte. 16:00 patiënte overleden.”
4.10    Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat hieruit blijkt dat in de korte tijdspanne van de opname in ieder geval één keer met patiënte is gesproken over het reanimatiebeleid en dat dit beleid ook met de medewerkers op de spoedeisende hulp is besproken. Daarbij is beoordeeld of patiënte wilsbekwaam was. De overwegingen van de internist hierover zijn in het medisch dossier opgenomen. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat er in de gegeven omstandigheden geen enkele aanwijzing voor is dat de internist in dit geval niet heeft mogen uitgaan van de wilsbekwaamheid van patiënte, ook al was deze ernstig ziek. Dat klaagster de stellige overtuiging heeft dat patiënte altijd gereanimeerd had willen worden, maakt dit niet anders. Dit betekent dat is gehandeld overeenkomstig de wil van patiënte en dat niet aannemelijk is dat patiënte hierover had willen klagen. 
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat klaagster niet klachtgerechtigd is en dat zij niet kan worden ontvangen in klachtonderdeel c. 
           Klachtonderdeel a.
4.11    Klaagster heeft tijdens de opname van patiënte op de spoedeisende hulp een filmpje van 58 seconden van patiënte gemaakt. Op dit filmpje is te zien dat patiënte onrustig en ernstig ziek is, maar hieruit kan niet, anders dan klaagster lijkt te betogen, de conclusie worden getrokken dat patiënte tijdens haar opname op de spoedeisende hulp aan haar lot is overgelaten. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege hierover en voegt daar het volgende aan toe. 
Uit het medisch dossier van patiënte blijkt dat lichamelijk onderzoek is verricht, dat aan patiënte antibiotica is toegediend, dat een longfoto is gemaakt en dat aan patiënte zuurstof is toegediend. Patiënte was in afwachting van opname op de verpleegafdeling van de Afdeling Longziekten. Door de internist is op de zitting in beroep nogmaals benadrukt dat de monitoring was aangesloten en ook aangaf dat de toestand van patiënte snel verslechterde. De perceptie van klaagster is weliswaar dat aan patiënte onvoldoende zorg is verleend, maar het medisch dossier en de toelichting van de internist bieden daarvoor geen aanknopingspunten. Uit het medisch dossier volgt dat aan patiënte in de toestand waarin zij verkeerde en onder de omstandigheid dat zij afhoudend was ten aanzien van nadere onderzoeken, adequate zorg is verleend. Evenals het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege daarom van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. 
Klachtonderdeel b.
4.12    Zoals ook het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen, blijkt uit het medisch dossier dat aan patiënte bij haar opname antibiotica is toegediend en dat een longfoto is gemaakt. Door klaagster zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waardoor twijfel ontstaat aan de juistheid van het medisch dossier, zodat dit klachtonderdeel ongegrond is. 
4.13    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat het beroep van klaagster ten aanzien van klachtonderdelen a. en b. moet worden verworpen, dat de beslissing waarvan beroep ten aanzien van klachtonderdeel c. moet worden vernietigd en klaagster alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in dit klachtonderdeel. 
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep ten aanzien van klachtonderdeel c.;
verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in haar klacht voor zover deze betrekking heeft op klachtonderdeel c.;
verwerpt het beroep van klaagster voor zover dit betrekking heeft op de klachtonderdelen a. en b.;
dat deze beslissing, voor wat betreft klachtonderdeel c, op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan¬geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; M.W. Zandbergen en
H. de Hek, leden-juristen en R. Heijligenberg en T.J.M. Tobé, leden-beroepsgenoten en 
M. van Esveld, secretaris. 
Uitgesproken ter openbare zitting van 3 december 2021.
    Voorzitter   w.g.            Secretaris  w.g.