ECLI:NL:TGZCTG:2021:210 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.291
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:210 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-12-2021 |
| Datum publicatie: | 21-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2020.291 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts. De klacht gaat over de overleden zus van klaagster. Patiënte is gepresenteerd op de SEH van het ziekenhuis met ernstige klachten van benauwdheid, mogelijk als gevolg van een longontsteking en is die middag in het ziekenhuis overleden. Klaagster verwijt de arts dat hij:a. de urgentie van patiënte onjuist heeft ingeschat, door haar onvoldoende te controleren en aan haar lot over te laten;b. ten onrechte geen antibiotica heeft toegediend en een longfoto heeft gemaakt; enc. patiënte ten onrechte niet heeft gereanimeerd.Het Regionaal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het beroep van klaagster ten aanzien van klachtonderdelen a. en b. ongegrond en verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in haar klacht voor zover deze ziet op klachtonderdeel c, omdat klaagster niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.291 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg, en
gemachtigde: mr. M.H.M. Mook te Leusden,
tegen
C., arts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. O.L. Nunes te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 31 juli 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den
Haag tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 17 november
2020, onder nummer 2019-182a heeft dat College de klacht ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2020.292 behandeld
ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 november 2021, waar
zijn verschenen klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde, en de arts, bijgestaan
door zijn gemachtigde.
Klaagster heeft een schriftelijke verklaring van haar broer, D. ingebracht en ter
zitting een toelichting gegeven. De schriftelijke uitwerking heeft zij aan het Centraal
Tuchtcollege overgelegd. Mr. Nunes heeft de standpunten van de arts toegelicht aan
de hand van pleitnotities die eveneens aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klaagster is de zus van E. (verder: de patiënte), geboren op 30 augustus 1964
en overleden op 4 februari 2019 in het ziekenhuis waar beklaagde als arts werkzaam
is. Nadat patiënte twee weken daarvoor opgenomen was geweest op de afdeling Interne
Geneeskunde van het ziekenhuis, vanwege een pneumonie/bacteriële infectie, werd patiënte
op 4 februari 2019 gepresenteerd op de afdeling Spoed Eisende Hulp (SEH) van het ziekenhuis
met ernstige klachten van benauwdheid, mogelijk als gevolg van een pneumonie (longontsteking).
Patiënte arriveerde op de SEH om 11.37 uur. Zij is toen beoordeeld door beklaagde
en zijn supervisor (beklaagde in de zaak bekend onder dossiernummer 2019-182b). Beklaagde
heeft haar gevraagd naar behandelbeperkingen, in het bijzonder haar wensen ten aanzien
van reanimeren. Patiënte heeft daarop aangegeven dat niet te willen. Patiënte is vervolgens
aangesloten op de monitor, er is materiaal voor laboratorium onderzoek afgenomen,
een infuus bij haar ingebracht en gestart met plasmedicatie, zuurstof en breedspectrum
antibiotica. In afwachting op een plaats op de afdeling Longziekten is patiënte vervolgens
in verband met een mogelijke influenza besmetting op een isolatie plaats op de SEH
geplaatst.
2.2 Klaagster is rond 13.00 uur gearriveerd in het ziekenhuis. Klaagster schrok
van de situatie van haar zus en van de omstandigheid dat patiënte geïsoleerd op een
kamer lag. Zij heeft diverse malen aan de balie verzocht of er een arts of verpleegkundige
kon komen kijken naar haar zus. Klaagster heeft een korte video-opname van patiënte
gemaakt, waarop is te zien dat patiënte onrustig in haar bed ligt. Klaagster heeft
die opname naar eigen zeggen iets na 13.00 uur gemaakt en dit fragment aan het College
overgelegd. Klaagster is rond 15.50 uur weer naar huis gegaan.
2.3 Rond 16.00 uur is de situatie van patiënte verslechterd. Tevergeefs is toen
getracht de hartslag van patiënte via medicatie te verhogen. Conform de wensen van
patiënte ten aanzien van reanimeren is patiënte toen niet gereanimeerd. Patiënte is
korte tijd daarop komen te overlijden.
2.4 Beklaagde heeft daarop gebeld met de broer van klaagster, die als eerste
contactpersoon bekend stond in het ziekenhuis, met de mededeling dat patiënte was
overleden. Beklaagde heeft de broer daarop uitgenodigd naar het ziekenhuis te komen,
waaraan hij en klaagster gehoor hebben gegeven.
2.5 Klaagster heeft eerder haar onvrede over het handelen van beklaagde in de vorm
van een klacht voorgelegd aan de Klachtenadviescommissie van het ziekenhuis. De Klachtenadviescommissie
heeft de klachten van klaagster in februari 2020 op alle onderdelen ongegrond verklaard.
3. De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat hij:
a. De urgentie van patiënte onjuist had ingeschat, door haar onvoldoende te
controleren en haar aan haar lot over te laten.
b. Ten onrechte geen antibiotica heeft toegediend en geen longfoto heeft gemaakt.
c. Patiënte ten onrechte niet heeft gereanimeerd.
Deze klachtonderdelen komen in de kern overeen met de klachten die klaagster aan de
Klachtenadviescommissie van het ziekenhuis heeft voorgelegd.
Ter zitting heeft de tevens aanwezige broer van klaagster, en eerste contactpersoon
van patiënte, ingestemd met het indienen van de klachten mede namens hem.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde stelt zich op het gemotiveerde standpunt dat de tegen hem ingediende klacht
ongegrond is. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing
van het
professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het
geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen
is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening
houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen
en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Klachtonderdeel a
5.2 Beklaagde betwist dat hij de urgentie van patiënte onjuist heeft ingeschat.
Na de presentatie van patiënte op de SEH heeft hij patiënte samen met zijn supervisor
(beklaagde in de zaak bekend onder dossiernummer 2019-182b) beoordeeld, noodzakelijk
onderzoek gedaan en een behandelplan opgesteld. Patiënte is vanwege haar gezondheid
vervolgens volledig geïsoleerd op de SEH neergelegd in afwachting op een plaats op
de afdeling Longziekten. Beklaagde heeft de klinische toestand van patiënte aansluitend
via de monitors gevolgd en haar enige malen op haar kamer bezocht. Een en ander blijkt
uit het medisch dossier van patiënte. Beklaagde geeft ter zitting desgevraagd aan
dat de monitorgegevens op de afdeling SEH niet bewaard blijven.
5.3 Uitgaande van de juistheid van de gegevens in het medisch dossier, het consistente
verweer van beklaagde en conform de uitkomsten van het eerdere onderzoek van de Klachtenadviescommissie
concludeert het College dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel b
5.4 Beklaagde heeft aan de hand van de gegevens opgenomen in het medisch dossier
overtuigend aangetoond dat er aan patiënte antibiotica is toegediend en er bij haar
een longfoto is gemaakt.
5.5 Dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
Klachtonderdeel c
5.6 Beklaagde erkent dat patiënte niet is gereanimeerd toen haar gezondheidssituatie
rond 16.00 uur onverwachts achter was gegaan. Beklaagde stelt zich op het standpunt
dat dit overeenkomstig de door patiënte aangegeven behandelbeperkingen was. Beklaagde
heeft die behandelbeperkingen bij haar opname op de SEH doorgenomen en meent dat patiënte
in staat was wilsbekwaam ter zake op deze vragen te antwoorden. Beklaagde meent voorts
dat indien patiënte had aangegeven wel te willen worden gereanimeerd, dat hij dan
vanwege haar kwetsbare gezondheid nader overleg zou hebben gevoerd met medebehandelaars.
5.7 Het College overweegt dat het inschatten van de wilsonbekwaamheid een aan een
arts voorbehouden oordeel is. Het College ziet geen reden aan te nemen dat de beklaagde
dit niet juist heeft gedaan of daarover mede had moeten overleggen met familieleden.
Het niet-reanimeren van patiënte was derhalve conform de wensen van patiënte, mocht
reanimeren medisch geïndiceerd zijn geweest.
5.8 Dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave
in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster beoogt met haar beroep haar klacht in volle omvang aan het Centraal
Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrond verklaring van het beroep.
4.2 De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot verwerping van
het beroep.
Is klaagster klachtgerechtigd?
4.3 De arts heeft in beroep het verweer gevoerd dat klaagster als zuster van patiënte
niet klachtgerechtigd is omdat zij niet de wil van overleden patiënte vertegenwoordigt.
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat dit ontvankelijkheidsverweer wat klachtonderdeel
c betreft slaagt en zal dat hierna uitleggen. Ten aanzien van de andere klachtonderdelen
ligt dat anders. Die zien op de wijze waarop patiënte is behandeld. De arts heeft
geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat patiënte
niet zou hebben willen klagen indien hij in zijn zorg zou zijn tekortgeschoten. Klaagster
is wat de klachtonderdelen a. en b. betreft ontvankelijk in haar klacht.
Klachtonderdeel c.
4.4 De arts stelt dat klaagster niet de veronderstelde wil van patiënte vertegenwoordigt,
omdat patiënte tijdens haar opname wilsbekwaam was, dat met haar over
behandelbeperkingen is gesproken en dat zij niet geïntubeerd of gereanimeerd wilde
worden. Daarvan is aantekening gemaakt in het medisch dossier. Patiënte is daarom
niet gereanimeerd toen haar toestand snel verslechterde. Het is volgens de arts dan
ook niet aannemelijk dat patiënte daarover een tuchtklacht had willen indienen.
4.5 Klaagster stelt dat patiënte nimmer heeft aangegeven dat zij niet gereanimeerd
wilde worden en dat zij juist wilde leven in verband met de zorg voor haar gehandicapte
zoon.
4.6 Vooropgesteld wordt dat in artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Wet BIG is vastgelegd dat een klacht aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks
belanghebbende. Bij een rechtstreeks belanghebbende dient in de eerste plaats te worden
gedacht aan de patiënt van een aan tuchtrechtspraak onderworpen beroepsbeoefenaar.
4.7 Het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 1 oktober 2013 (ECLI:NL:TGZCTG:2013:114)
overwogen dat anderen dan de patiënt weliswaar als rechtstreeks belanghebbenden kunnen
worden aangemerkt, maar dat daarbij steeds als uitgangspunt geldt dat de patiënt die
daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het al of niet indienen
van een klacht met betrekking tot zijn behandeling. Is of was de patiënt daartoe zelf
behoorlijk in staat en is aannemelijk dat de patiënt niet zelf wil of zou hebben willen
klagen over zijn behandeling, dan ontbreekt in beginsel voldoende belang voor die
anderen bij een klacht over de behandeling van de patiënt met als gevolg dat zij niet
rechtstreeks belanghebbende in de zin van de wet zijn. In die beslissing is verder
overwogen dat tot die anderen onder meer behoren de naaste betrekkingen van de patiënt,
waaronder zijn te verstaan zijn naaste bloed- en aanverwanten, zoals zijn ouders,
kinderen en echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel. Hierbij moet
in het bijzonder worden gedacht aan de situatie dat de patiënt zelf niet (meer) in
staat is een klacht in te dienen, hetzij vanwege zijn overlijden, hetzij omdat hij
niet (meer) in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen op dit punt behoorlijk
waar te nemen, bijvoorbeeld als gevolg van zijn ziekte. De naaste betrekkingen van
de patiënt kunnen in beginsel slechts met instemming van de patiënt over diens behandeling
klagen en van die instemming zal moeten blijken, tenzij aannemelijk is dat de patiënt
niet (meer) in staat is behoorlijk te beslissen over het al of niet geven van die
instemming.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat klaagster ten aanzien van klachtonderdeel
c. niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Vast staat dat patiënte
ernstig ziek was toen zij op 4 februari 2019 werd binnen gebracht op de spoedeisende
hulp. Dit betekent niet dat patiënte niet meer in staat was om zelf keuzes te maken
over haar behandeling of dat zij haar wil niet meer kon bepalen. Dat zij daar wel
toe in staat was, is in het medisch dossier verantwoord.
4.9 In het medisch dossier is ten aanzien van het reanimatiebeleid het volgende
opgenomen:
“patiënte weigert meerdere behandelingen, lijkt wilsbekwaam ook in het weigeren CAD.
Wil ook geen buis in de keel als dat nodig is. besproken dat dan ook reanimatie en
beademen niet mogelijk is. Voor de rest zullen wij haar wel beter proberen te maken
met alle andere middelen (…)
‘NRBNB besproken op de SEH vandaag wegens afhoudende houding van patiënte tegenover
aanvullende onderzoek en onze inschatting dat ze wel wilsbekwaam was ten aanzien hiervan.
Nu Zonder reanimatie geen behandelopties voor patiënte. 16:00 patiënte overleden.”
4.10 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat hier uit blijkt dat de arts in de
korte tijdspanne van de opname in ieder geval één keer met patiënte heeft gesproken
over het reanimatiebeleid en dat dit beleid ook met de medewerkers op de spoedeisende
hulp is besproken. Daarbij is beoordeeld of patiënte wilsbekwaam was. De overwegingen
van de arts hierover zijn in het medisch dossier opgenomen. Het Centraal Tuchtcollege
overweegt dat er in de gegeven omstandigheden geen enkele aanwijzing voor is dat de
arts in dit geval niet heeft mogen uitgaan van de wilsbekwaamheid van patiënte, ook
al was deze ernstig ziek. Dat klaagster de stellige overtuiging heeft dat patiënte
altijd gereanimeerd had willen worden, maakt dit niet anders. Dit betekent dat is
gehandeld overeenkomstig de wil van patiënte en dat niet aannemelijk is dat patiënte
hierover had willen klagen.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat klaagster niet klachtgerechtigd is en dat
zij niet kan worden ontvangen in klachtonderdeel c.
Klachtonderdeel a.
4.11 Klaagster heeft tijdens de opname van patiënte op de spoedeisende hulp een
filmpje van 58 seconden van patiënte gemaakt. Op dit filmpje is te zien dat patiënte
onrustig en ernstig ziek is, maar hieruit kan niet, anders dan klaagster lijkt te
betogen, de conclusie worden getrokken dat patiënte tijdens haar opname op de spoedeisende
hulp aan haar lot is overgelaten. Het Centraal Tuchtcollege kan zich vinden in de
overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege hierover en voegt daar het volgende aan
toe. Uit het medisch dossier van patiënte blijkt dat lichamelijk onderzoek is verricht,
dat aan patiënte antibiotica is toegediend, dat er een longfoto is gemaakt en dat
aan patiënte zuurstof is toegediend. Patiënte was in afwachting van opname op de verpleegafdeling
van de Afdeling Longziekten. Door de arts is op de zitting in beroep nogmaals benadrukt
dat hij een aantal keer bij patiënte is gaan kijken, dat de monitoring was aangesloten
en ook aangaf dat de toestand van patiënte snel verslechterde. De perceptie van klaagster
is dat aan patiënte onvoldoende zorg is verleend, maar het medisch dossier en de toelichting
van de arts bieden daarvoor geen aanknopingspunten. Uit het medisch dossier volgt
dat aan patiënte in de toestand waarin zij verkeerde en onder de omstandigheid dat
zij afhoudend was ten aanzien van nadere onderzoeken, adequate zorg is verleend. Evenals
het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege daarom van oordeel dat dit
klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel b.
4.12 Zoals ook het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen, blijkt uit het medisch
dossier dat aan patiënte bij haar opname antibiotica is toegediend en dat een longfoto
is gemaakt. Door klaagster zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waardoor
twijfel ontstaat aan de juistheid van het medisch dossier, zodat dit klachtonderdeel
ongegrond is.
4.13 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het Centraal Tuchtcollege tot
het oordeel dat het beroep van klaagster ten aanzien van klachtonderdelen a. en b.
moet worden verworpen, dat de beslissing waarvan beroep ten aanzien van klachtonderdeel
c. moet worden vernietigd en klaagster alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in
dit klachtonderdeel.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep ten aanzien van klachtonderdeel c.;
verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in haar klacht voor zover deze betrekking
heeft op klachtonderdeel c.;
verwerpt het beroep van klaagster voor zover dit betrekking heeft op de klachtonderdelen
a. en b.;
bepaalt dat deze beslissing, voor wat betreft klachtonderdeel c, op de voet van artikel
71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan¬geboden
aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch
Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; M.W. Zandbergen en
H. de Hek, leden-juristen en R. Heijligenberg en T.J.M. Tobé, leden-beroepsgenoten
en
M. van Esveld, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 3 december 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.