ECLI:NL:TGZCTG:2021:194 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.239

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:194
Datum uitspraak: 19-11-2021
Datum publicatie: 19-11-2021
Zaaknummer(s): C2020.239
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een radioloog. Bij klaagster werd in 2015 een mammografie uitgevoerd. De radioloog beoordeelde de mammografie en voerde vanwege palpabele massa in de rechterborst een aanvullende echo uit. Ruim anderhalf jaar later voerde de radioloog nogmaals een echo uit van klaagsters rechterborst. Begin 2017 vroeg een chirurg, werkzaam in hetzelfde ziekenhuis als de radioloog, een echo rechteroksel met okselklierpunctie onder echogeleiding aan. De radioloog constateerde een echografisch pathologisch uitziende lymfeklier. Aansluitend voerde zij een punctie uit van de lymfeklier. Hieruit bleek dat sprake was van maligniteit. Klaagster werd verwezen naar een ander ziekenhuis voor palliatieve therapie. Klaagster verwijt de radioloog dat zij (1) nalatig is geweest, (2) de verkeerde diagnose heeft gesteld, (3) onzorgvuldig is geweest, aangezien na het tweede bezoek van klaagster geen biopt is genomen en (4) klaagster heeft behandeld als een patiënte met een toevalsbevinding in plaats van een patiënte met een melanoom (high risk) verleden. Het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2020.239 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., radioloog, werkzaam te D.,

verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer, verbonden aan DAS Rechtsbijstand.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 23 augustus 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. – hierna de radioloog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 29 oktober 2020, onder nummer 19164c, heeft dat college de klacht ongegrond verklaard.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De radioloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 10 september 2021, waar zijn verschenen klaagster, vergezeld door haar partner, en de radioloog, bijgestaan door mr. J.S.M. Brouwer, voornoemd. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

            “2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende. Bij klaagster werd, op verwijzing van haar huisarts, op 26 maart 2015 een mammografie uitgevoerd door een mammalaborant. De vraag van de huisarts was als volgt geformuleerd (alle citaten inclusief eventuele taal- en of typefouten):

“pijn bovenste buitenste quadrant

massa klierweefsel pulp

blijft bestaan

maligniteit ?”

Verweerster, radioloog, beoordeelde de mammografie en voerde vanwege palpabele massa in het bovenste buitenste kwadrant van de rechterborst een aanvullende echo van de rechterborst uit. In de terugkoppeling aan klaagsters huisarts noteerde verweerster het volgende als conclusie:

“[…] Status na borstverkleining bilateraal.

Benigne, BI-RADSclassificatie 2.”

Op 8 november 2016 voerde verweerster nogmaals een echo uit van klaagsters rechterborst, wederom aangevraagd door klaagsters huisarts. De huisarts vroeg in zijn verwijzing:

“echo-mamma rechts

                        zwelling boven-lateraal”

Onder differentiaal diagnose en klinisch relevante gegevens noteerde de huisarts:

“….melkklier? andere pathologie?”

Verweerster voerde de echo uit en noteerde in haar brief aan klaagsters huisarts het volgende:

“CONCLUSIE:

Status na borstverkleining met postop. veranderingen craniolateraal rechts.

Benigne, BI-RADSclassificatie 2.”

Op 16 februari 2017 vroeg een chirurg, werkzaam in hetzelfde ziekenhuis, een echo rechteroksel met okselklierpunctie rechts onder echogeleiding aan. Verweerster constateerde een echografisch pathologisch uitziende lymfeklier. Aansluitend voerde verweerster een punctie uit van de pathologische lymfeklier en nam daar drie biopten uit. Uit het pathologisch anatomisch onderzoek bleek dat er sprake was van maligniteit in de lymfeklier.

Aansluitend vond er op 22 februari 2017 een low-dose PET-CT-scan plaats. Deze werd beoordeeld door een nucleair geneeskundige. In de rechterborst van klaagster bevond zich geen tumor. Echter werden er wel metastasen gezien op meerdere andere plaatsen. Op 6 maart 2017 werd klaagster in het ziekenhuis besproken op een multidisciplinair overleg oncologie, zonder aanwezigheid van verweerster. Klaagster werd doorverwezen naar een ander ziekenhuis voor palliatieve therapie.

3. Het standpunt van klaagster

            Radioloog wordt verweten dat zij:

  1. nalatig is geweest;
  2. de verkeerde diagnose heeft gesteld;
  3. onzorgvuldig is geweest, aangezien na het tweede bezoek van klaagster geen biopt is genomen wat een logische stap zou zijn geweest;
  4. klaagster heeft behandeld als een patiënte met een toevalsbevinding in plaats van als patiënte met een melanoom (high risk) verleden.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster meent dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten geen sprake is. Verweerster betwist dat zij onzorgvuldig c.q. nalatig heeft gehandeld, een verkeerde diagnose zou hebben gesteld en ten onrechte zou hebben verzuimd op 8 november 2016 een biopt te nemen. Ook meent zij klaagster op een behoorlijke wijze te hebben bejegend. Verweerster geeft aan dat zij bij het doorsturen van het medisch dossier van klaagster niet betrokken is geweest. Verweerster betreurt het vlugge verloop van de ziekte van klaagster en het spijt haar dat de prognose niet goed is.

5. De overwegingen van het college

Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen gaat het niet om de vraag of dat beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

Klaagster is twee maal door de huisarts doorverwezen voor radiologisch onderzoek van de mamma. Verweerster heeft beeldvormend onderzoek van de mamma gedaan bij klaagster op 26 maart 2015 en 8 november 2016. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster daarbij nalatig heeft gehandeld jegens klaagster of onzorgvuldig is geweest bij de behandeling van klaagster. Verweerster heeft de aangewezen zorg verleend aan klaagster. Tijdens het eerste onderzoek zag verweerster tijdens de mammografie en de echografie van de borst fibroglandulair weefsel dat zij heeft gekwalificeerd als verklaring van de zwelling en geassocieerde pijn. Tevens heeft zij dit gekoppeld aan de borstverkleining die klaagster in het verleden heeft gehad. Nader onderzoek was op 26 maart 2015 niet geïndiceerd. Derhalve was er ook geen aanleiding voor een punctie of echo van de oksel.

Dat verweerster op 8 november 2016 geen biopt heeft genomen valt haar niet te verwijten omdat daar ook op dat moment geen aanleiding voor was. De pijn en zwelling konden verklaard worden met de aanwezigheid van het residueel fibroglandulair weefsel dat in het buiten bovenkwadrant werd gevonden. Bovendien viel verweerster tijdens het onderzoek verder niets verdachts op waardoor zij geen nader onderzoek behoefde aan te vragen of uit te voeren. Klachtonderdeel 1 en 3 zijn daarmee ongegrond.

Wat betreft het tweede klachtonderdeel oordeelt het college als volgt. Klaagster verwijt verweerster dat zij een verkeerde diagnose heeft gesteld. Klaagster is op 16 februari 2017 voor de derde keer onderzocht door verweerster. De aanleiding daarvoor waren nieuwe klachten. Klaagster voelde namelijk een zwelling in haar rechteroksel en is door een chirurg verwezen naar verweerster voor een echo rechteroksel met okselklierpunctie rechts, onder echogeleiding. Verweerster heeft de zwelling onderzocht, een pathologisch uitziende lymfeklier geconstateerd en daar de juiste actie op ondernomen door drie biopten te nemen en in te sturen voor pathologisch onderzoek. Daarbij is in de lymfeklier een metastase van maligne melanoom aangetroffen. Gezien het bovenstaande is geenszins gebleken dat verweerster op enig moment een verkeerde diagnose zou hebben gesteld. Het college verklaart klachtonderdeel 2 daarmee ook ongegrond.

Klaagster verwijt verweerster met klachtonderdeel 4 dat zij haar heeft behandeld als een patiënte met een toevalsbevinding in plaats van als patiënte met een melanoom (high risk) verleden. Het college heeft vastgesteld dat verweerster zorgvuldig heeft gehandeld tijdens de onderzoeken die zij heeft uitgevoerd bij klaagster. Derhalve kan het college klaagster niet volgen in haar stelling dat verweerster klaagster heeft behandeld als een patiënte met een toevalsbevinding in plaats van als patiënte met een melanoom (high risk) verleden wat maakt dat dit klachtonderdeel ook ongegrond is.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg. Die weergave is in beroep niet, althans onvoldoende, bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij betoogt onder meer dat de radioloog tijdens de eerste twee bezoeken ten onrechte geen lichamelijk onderzoek heeft gedaan en dat zij met de echokop een te beperkt gebied heeft bekeken. Klaagster verzoekt het Centraal Tuchtcollege de bestreden beslissing te vernietigen en de klacht alsnog gegrond te verklaren.

4.2       De radioloog heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep te verwerpen.

4.3       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 september 2021 is dat debat voortgezet.

4.4       De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege ziet, gelet ook op de ter zitting door de radioloog gegeven toelichting op haar werkwijze, in datgene wat klaagster naar voren heeft gebracht geen reden om aan te nemen dat de radioloog bij het beeldvormend onderzoek op 26 maart 2015 en 8 november 2016 niet zorgvuldig is geweest. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over.

4.5       Het voorgaande betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard en dat het beroep moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter, M.P. den Hollander en H.M. Wattendorff, leden-juristen, D.A. Legemate en A.B. Donkers‑van Rossum, leden-beroepsgenoten, en E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2021.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.