ECLI:NL:TGZCTG:2021:192 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1064
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:192 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2021 |
| Datum publicatie: | 19-11-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2021/1064 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen apotheker over een medicatiewissel. Klaagster verwijt beklaagde dat zij weer de medicatie heeft gekregen waarop zij eerder al niet goed reageerde en in een zware depressie is geraakt en dat de apotheker in eerste instantie niet heeft aangegeven dat zij medicatie kreeg van een ander merk. Klaagster vraagt een schadevergoeding. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard.Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1064 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., apotheker, (destijds) werkzaam te D., beklaagde in beide instanties, gemachtigde: mr. S. Slabbers verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft op 9 november 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen C. - hierna de apotheker - een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 juni 2021, onder nummer 204/2020, heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De apotheker heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 18 oktober 2021. Klaagster is verschenen, bijgestaan door de heer E. die namens klaagster het woord heeft gevoerd ter terechtzitting. Ook de apotheker was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Slabbers. De heer E. heeft spreekaantekeningen overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster, geboren in 1970, heeft eind 2011 een tentamen suïcide gedaan en is opgenomen geweest op de PAAZ van het ziekenhuis. Zij gebruikt sinds eind 2011 het antidepressivum Paroxetine van het merk Aurobindo in de dosering 20 mg. De jaren erna heeft klaagster goed gefunctioneerd, een hbo-studie afgerond en werk gevonden.
Op 1 april 2020 kreeg klaagster vanwege het preferentiebeleid van de zorgverzekeraar voor het eerst Paroxetine 20 mg van het merk Prolepha afgeleverd in een originele verpakking van dit merk. In juni 2020 merkte klaagster dat het psychisch minder goed met haar ging.
Klaagster en haar partner zijn naar de apotheek gekomen om hun onvrede te bespreken. Beklaagde was toen niet aanwezig en heeft, toen zij dit hoorde, contact opgenomen met klaagster en haar uitgenodigd voor een gesprek. Klaagster en haar partner hebben beklaagde tijdens dit gesprek gevraagd om contact op te nemen met F. om hun preferentiebeleid aan te passen. Beklaagde heeft dat gedaan.
Op 17 juni 2020 heeft beklaagde klaagster, in afwijking van het preferentiebeleid van de zorgverzekeraar F., weer het oude merk Aurobindo aan klaagster afgeleverd.
In september 2020 ging het minder met klaagster en heeft de huisarts klaagster paroxetine 10 mg erbij voorgeschreven (naast die van 20 mg). Het recept vermeldde niet MN (medische noodzaak). Het merk Aurobindo levert paroxetine niet in de dosering 10 mg. Beklaagde heeft daarom paroxetine 10 mg van het merk Teva geleverd. Beklaagde heeft persoonlijk de medicatie aan de balie overhandigd. Beklaagde heeft op het recept een krul gezet door de tekst als teken dat het aan de balie is besproken met degene die het recept heeft afgehaald.
Klaagster reageerde echter niet goed op deze medicatie. Zij deed korte tijd later twee keer een tentamen suïcide en is vijf dagen opgenomen geweest op een gesloten afdeling.
In een gesprek met klaagster heeft beklaagde haar excuses aangeboden aan klaagster en op klaagsters verzoek op 18 december 2020 weer een e-mail gezonden naar F. betreffende het preferentiebeleid.
Sinds klaagster weer de Aurobindo medicatie neemt, gaat het weer goed met haar.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven – dat zij op 10 september 2020 weer de medicatie heeft gekregen waarop zij niet goed reageerde en in een zware depressie is geraakt, namelijk Prolepha (het college leest hier Teva) in plaats van Aurobindo.
In de repliek voegt klaagster toe dat in eerste instantie niet is aangegeven dat zij medicatie kreeg van een ander merk. Klaagster vraagt een schadevergoeding.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat zij op grond van het preferentiebeleid op 1 april 2020 Prolepha afgeleverd. Op 17 juni 2020 heeft zij weer Aurobindo verstrekt. Beklaagde heeft medio 2020 met klaagster en haar partner gesproken en haar excuses aangeboden. Zij heeft op verzoek van klaagster bij de verzekeraar benadrukt dat preferentiebeleid bij dit soort medicatie onwenselijk is.
In september 2020 heeft beklaagde de paroxetine 10 mg van het merk Teva afgeleverd omdat Aurobindo deze sterkte niet levert. Het spijt beklaagde dat ze in het gesprek niet goed genoeg heeft uitgelegd waarom ze dit had gedaan. Beklaagde vindt het heel vervelend dat de medicatie weer hele nare gevolgen heeft gehad voor klaagster. Zij heeft op verzoek van klaagster weer het preferentiebeleid bij de verzekeraar aan de orde gesteld. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat de klacht ongegrond is en verzoekt het college de klacht af te wijzen.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Beklaagde heeft klaagster op 1 april 2020 op grond van het preferentiebeleid van de zorgverzekeraar Prolepha in plaats van Aurobindo afgeleverd. Weliswaar is toen niet uitdrukkelijk uitgelegd dat de medicatie van een ander merk was dan de vorige keer, maar op de verpakking van de medicatie was dat wel duidelijk te zien.
Klaagster reageerde niet goed op deze medicatie. Op 17 juni 2020 heeft beklaagde, na een gesprek met klaagster en haar partner, weer Aurobindo aan klaagster afgeleverd.
In september 2020 is de medicatie verhoogd met 10 mg. Die sterkte is niet leverbaar van het merk Aurobindo, wel van het merk Teva. Op basis van de Handleiding Geneesmiddelensubstitutie kon de paroxetine 10 mg van het merk Teva worden verstrekt. Beklaagde heeft die medicatie klaargemaakt en persoonlijk de medicatie aan de balie overhandigd. Beklaagde heeft op het recept een krul gezet door de tekst als teken dat het aan de balie is besproken met degene die het recept heeft afgehaald. Het siert beklaagde dat ze excuses heeft aangeboden aan klaagster toen haar bekend werd dat ze weer niet goed op de medicatie had gereageerd en dat ze had moeten verifiëren of klaagster ermee akkoord ging. Dat betekent echter nog niet dat beklaagde ook in tuchtrechtelijke zin verwijtbaar heeft gehandeld. Het college is van oordeel dat beklaagde, gelet op de gebruikelijke werkwijze in de farmacie, heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend apotheker verwacht mag worden. Dat betekent dat de onderhavige klacht niet slaagt. Ten slotte merkt het college op dat het tuchtrecht geen schadevergoeding kent ”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.1 Het Regionaal Tuchtcollege heeft de volgende klacht behandeld: klaagster verwijt de apotheker dat zij op 10 september 2020 weer de medicatie heeft gekregen waarop zij niet goed reageerde en in een zware depressie is geraakt, namelijk Prolepha (het Regionaal Tuchtcollege leest hier Teva) in plaats van Aurobindo en ook dat in eerste instantie niet is aangegeven dat zij medicatie kreeg van een ander merk.
Klaagster stelt in beroep dat haar klacht ook ziet op de eerder (in april 2020) door de apotheker aan klaagster verstrekte medicatie. Het Centraal Tuchtcollege vindt dit een ongeoorloofde uitbreiding van de oorspronkelijke klacht en verklaart klaagster daarin niet-ontvankelijk.
4.2 De procedure in beroep is bedoeld om het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over een klacht aan het Centraal Tuchtcollege ter (her)beoordeling voor te leggen. Klaagster kan in beroep dan ook alleen die klacht of klachten voorleggen die in eerste aanleg als zodanig aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling is/zijn voorgelegd. Nieuwe klachten aandragen of klachten uitbreiden in beroep kan niet. Het Centraal Tuchtcollege heeft gelezen dat klaagster in de situatieschets bij het klaagschrift de eerdere medicatieverstrekking in april 2020 heeft genoemd, maar dit betekent niet dat dit onderdeel is van de klacht, die alleen betrekking heeft op de medicatieverstrekking van 10 september 2020. Het Centraal Tuchtcollege leest dit als een toelichting van de voorgeschiedenis van de klacht over de medicatieverstrekking op 10 september 2020.
5. Beoordeling van het beroep
- Klaagster wil met haar beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege haar klacht in volle omvang (her)beoordeelt en in beroep alsnog gegrond verklaart.
- De apotheker heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.
- Het Centraal Tuchtcollege vindt dat de apotheker klaagster op 10 september 2020 Paroxetine 10mg van het merk Teva mocht verstrekken en dat zij klaagster daarover voldoende heeft voorgelicht. Het College legt hieronder uit waarom.
- Klaagster gebruikt al lange tijd het antidepressivum Paroxetine van het merk Aurobindo. In september 2020 schreef de (waarnemend) huisarts van klaagster een extra dosis van 10mg Paroxetine voor. Dit was naast de Paroxetine 20mg die klaagster al kreeg. Op het recept was geen medische noodzaak aangegeven voor een bepaald merk. Omdat de dosis Paroxetine 10mg niet bij Aurobindo bestaat, heeft de apotheker klaagster Paroxetine 10mg geleverd van het merk Teva. Dit is toegestaan op grond van de Handleiding Geneesmiddelensubstitutie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP).
- Anders dan klaagster in haar klacht schrijft, heeft de apotheker klaagster op
10 september 2020 dus geen Paroxetine van het merk Prolepha geleverd. De apotheker heeft rekening gehouden met klaagsters eerdere slechte ervaringen met Prolepha. Dat was ook zo afgesproken in een gesprek dat in juni 2020 heeft plaatsgevonden toen het niet goed ging met klaagster na een - door het preferentiebeleid van de zorgverzekeraar ingegeven - medicatiewissel van het merk Aurobindo naar Prolepha in april 2020. De apotheker heeft klaagster toen weer teruggezet op Aurobindo. De apotheker heeft toen echter niet toegezegd dat zij klaagster vanaf dat moment alleen nog medicatie van klaagsters voorkeursmerk Aurobindo zou leveren. Er was dan ook geen reden waarom de apotheker klaagster op
10 september 2020 niet Paroxetine van het merk Teva mocht verstrekken. Een ongelukkige ervaring na een medicatiewissel met Prolepha sluit immers de goede werking van Paroxetine van andere merken, zoals Teva, niet uit. Van belang is daarbij dat bij die andere merken de werkzame stoffen steeds overeenkomen.
- Door Paroxetine 10g van het merk Teva te verstrekken heeft de apotheker ook gehandeld conform het voorschrift van de huisarts. Er was voor de apotheker geen aanleiding om de totaal aan klaagster voorgeschreven Paroxetine medicatie - 20mg en 10mg - samen te nemen en aan klaagster in een tablet 30mg Paroxetine van het merk Aurobindo te verstrekken. Het recept gaf dit niet aan en dit kon bovendien een doorkruising betekenen van het door de huisarts beoogde medisch beleid, zoals de verdeling van medicatie-inname over de dag. De suggestie van klaagster om in dat geval toch een tablet Paroxetine van 30mg van het merk Aurobindo te leveren en dan te laten breken voor gebruik, zou niet conform de professionele standaard zijn.
- Verder heeft de apotheker bij de afgifte van de medicatie op 10 september 2020 voldoende informatie verstrekt. De verpakking van de medicatie was voorzien van een etiket waarop het merk Teva (‘PAROXETINE TEV’) stond. Ook de strippen in het doosje waren voorzien van het merk Teva. Verder blijkt uit de aantekening ‘10mg bestaat niet van Aurob’ en de krul op het recept van 10 september 2020 dat de apotheker bij afgifte van deze medicatie een mondelinge toelichting heeft gegeven aan degene die de medicatie heeft afgehaald.
- Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege - net als het Regionaal Tuchtcollege - van oordeel is dat de apotheker geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
- Het Centraal Tuchtcollege is verder niet bevoegd enig bedrag aan schadevergoeding aan klaagster toe te kennen.
6. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. Daalder, voorzitter; J. Legemaate en L.F. Gerretsen-Visser, leden-juristen en P.W. Lebbink en H.J.R. Derksema, leden-beroepsgenoten en D. Brommer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.