ECLI:NL:TGZCTG:2021:191 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1004

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:191
Datum uitspraak: 19-11-2021
Datum publicatie: 19-11-2021
Zaaknummer(s): C2021/1004
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen internist. Klaagster verwijt verweerster – kort gezegd – dat zij het, na triage, niet nodig vond om klaagster zelf te zien en dat met haar adviezen niets is gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1004 van:

A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

G., internist, werkzaam in D., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. K.J. de Wolf, verbonden aan het E. in D.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 10 juni 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle tegen G. – hierna de internist – een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 februari 2021, onder nummer 088/2020, heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Klaagster heeft op tijd beroep tegen die beslissing ingesteld. De internist heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken A./C. (C2021/1002) en A./F. (C2021/1003) behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 26 oktober 2021, waar klaagster en de internist beiden zijn verschenen, laatstgenoemde bijgestaan door mr. De Wolf voornoemd.

Partijen hebben hun standpunten bij de mondelinge behandeling over en weer verder toegelicht. Zij hebben daarbij gebruik gemaakt van aantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. Hierbij is de internist aangeduid als beklaagde.

“2.      DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Beklaagde is werkzaam als internist, gespecialiseerd in de endocrinologie, in het E. te D..

Klaagster is in 2000 geopereerd waarbij beide ovaria zijn verwijderd wegens buikklachten en cystes in de ovaria. De operatie was sterk gecompliceerd verlopen en kende een lange hersteltijd. Klaagster heeft sindsdien voortduren buikklachten gehouden samen met andere lichamelijke klachten en symptomen (eczeem, vermoeidheid, een lage bloeddruk, gezwollen lymfeklieren en een lage lichaamstemperatuur) waarvoor ze sinds 2007 de afdeling Interne Geneeskunde (C.) van het E. bezocht en ook elders was geanalyseerd. Steeds werd de diagnose prikkelbare darmsyndroom gesteld.

In 2015 is bij klaagster de diagnose dubbelzijdige ACNES gesteld.

In januari 2016 bezocht klaagster C. opnieuw. C. heeft toen met klaagster besproken nog een keer de internist-allergoloog F. in het E. te consulteren waar zij al eerder was geweest.

Op 2 februari 2016 heeft klaagster F. bezocht op de polikliniek dermatologie. Klaagster had beklaagde voorafgaande aan het consult een brief gestuurd over haar medische situatie. Van dit consult heeft beklaagde dezelfde dag verslag gedaan in een brief aan de huisarts met een kopie naar C..

Als beleid noteerde F.:

“Op allergie gebied alles stabiel en rustig.

Gezien lab waardes, klachtenpatroon en eerder subjectief gunstige effect Armou (T3 en T4), valt een proeftijd behandeling met levothyroxine of Armour te overwegen. Hiervoor verder overleg met dr C., huisarts of endocrinoloog.

Alhier exit

(…)”

Op 23 februari 2016 stuurde de huisarts van klaagster een verwijzing naar de afdeling Endocriene ziekten van het E. met het verzoek tot medebeoordeling van de behandelindicatie voor schildklierhormoon, in het bijzonder Armour Thyroïd en eventueel behandeling met die medicatie. Beklaagde concludeerde op basis van de beschikbare laboratoriumuitslagen dat er sprake was van bij herhaling een normale schildklierfunctie (euthyreoïdie) en dat er daarom geen indicatie was voor behandeling met schildklierhormoon.

Beklaagde heeft op of omstreeks 24 februari 2016 telefonisch overleg gehad met de internist-allergoloog F.. In het overleg werden de laatst beschikbare bloeduitslagen op het gebied van schildklierparameters van december 2015 besproken. Deze uitslagen lieten, zoals hiervoor vermeld, euthyreoïdie zien en geen hypothyreoïdie. Besproken werd dat er geen indicatie was voor behandeling met schildklierhormonen. Beklaagde adviseerde wel herhaling van de controle van de schildklierfunctie.

Klaagster heeft F. op 8 maart 2016 weer poliklinisch bezocht.

F. schreef in de brief aan de huisarts, in kopie aan C.:

“Onlangs berichte ik u over patiënte; zie mijn brief van 02-02-16.

Daarin heb ik gesuggereerd om patiënte op proef te behandelen met lage dosis schildklierhormonen vanwege bekende struma met eertijds meetbaar licht ontregelde schildklierparameters. De metingen in december 2015 zijn echter niet afwijkend. Ik trek mijn suggestie daarom in. Het valt te overwegen om de schildklierfunctie bij patiënte af en toe te controleren. (…)”

Op 3 juli 2017 is bij klaagster elders een pathologische supraclaviculaire klier gezien en de diagnose schildkliercarcinoom gesteld.

Klaagster heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de gemiste diagnose. De aansprakelijkheid is door het ziekenhuis afgewezen.

3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat zij na triage, het niet nodig vond om klaagster zelf te zien en dat met haar adviezen niets is gedaan.

4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat de tegen haar ingediende klacht als ongegrond dient te worden afgewezen. Voor zover nodig wordt hierna meer specifiek op het verweer ingegaan.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Daarbij wijst het college erop dat het college bij de beoordeling uitgaat van de feiten die op het moment van het te beoordelen handelen aan beklaagde bekend waren of die beklaagde bekend hadden kunnen zijn.

5.2

Zoals blijkt uit de hierboven beschreven feiten heeft de huisarts klaagster, naar aanleiding van de suggestie van F., verwezen naar de afdeling Endocriene ziekten van het E.. Beklaagde heeft naar aanleiding van die verwijzing de medische gegevens bestudeerd en geconcludeerd dat er geen indicatie was voor een behandeling met schildklierhormoon, omdat er sprake was van een normale schildklierfunctie. Wel heeft beklaagde nog telefonisch overleg gehad met F. om navraag te doen naar zijn mogelijke aanvullende overwegingen. In dit telefoongesprek is besproken dat er geen indicatie was voor een behandeling met schildklierhormoon. Wel adviseerde beklaagde om de schildklierfunctie te controleren.  Dit advies is via F. bij de huisarts van klaagster terechtgekomen. Het college acht de wijze van handelen zorgvuldig en de beslissing om geen behandeling in te zetten op basis van de laboratoriumuitslagen die een euthyreoïdie lieten zien en dus klaagster niet uit te nodigen op de poli endocriene ziekten, op dat moment terecht. Het advies van beklaagde om de schildklierfunctie te controleren is op een juiste wijze aan de huisarts doorgegeven. Zij heeft bovendien correct overleg gevoerd met zowel allergoloog F. als internist C..

5.3

Gelet op het voorgaande dient daarom als volgt te worden beslist.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart dat de klacht kennelijk ongegrond is.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klaagster wil met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voorleggen. Verder heeft klaagster in haar beroepschrift en de aanvulling daarop bezwaar gemaakt tegen (onderdelen van) de behandeling van de zaak in eerste aanleg. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege haar beroep gegrond te verklaren.

            4.2       De internist heeft in beroep verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klaagster te verwerpen.

4.3       Klaagster maakt in beroep bezwaar tegen het feit dat de zaak in eerste aanleg in raadkamer is afgedaan en stelt dat zij tijdens het mondeling vooronderzoek onvoldoende tijd heeft gekregen om al haar punten aan de orde te stellen. Ook maakt klaagster bezwaar tegen de samenstelling van het college in eerste aanleg.

Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover dat, zo er op deze punten sprake zou zijn geweest van een tekortkoming in de behandeling van de zaak in eerste aanleg, dit is hersteld door de behandeling van de zaak in beroep waar partijen in de gelegenheid zijn gesteld ter terechtzitting, ten overstaan van een ter zake deskundig college, hun standpunten naar voren te brengen. 

4.4       In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de internist nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat.

4.5       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 oktober 2021 is dat debat voortgezet.

4.6       De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; R.H. Zuijderhoudt en

B.J.M. Frederiks, leden-juristen en R. Heijligenberg en H.E. Sluiter, leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2021.

                        Voorzitter   w.g.                                             Secretaris  w.g.