ECLI:NL:TGZCTG:2021:189 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1002
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:189 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2021 |
| Datum publicatie: | 19-11-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2021/1002 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen internist. Klaagster verwijt verweerder dat hij twee diagnoses, eerst ACNES en, jaren later, schildklierkanker, heeft gemist. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1002 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., internist, werkzaam in D., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. K.J. de Wolf, verbonden aan het E. in D.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 10 juni 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle tegen C. – hierna de internist – een klacht ingediend. Bij beslissing van 12 februari 2021, onder nummer 086/2020, heeft dat College de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster heeft op tijd beroep tegen die beslissing ingesteld. De internist heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Het Centraal Tuchtcollege heeft van klaagster nog nadere correspondentie ontvangen.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken A./F. (C2021/1003) en A./G. (C2021/1004) behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 26 oktober 2021, waar klaagster en de internist beiden zijn verschenen, laatstgenoemde bijgestaan door mr. De Wolf voornoemd.
Partijen hebben hun standpunten bij de mondelinge behandeling over en weer verder toegelicht. Zij hebben daarbij gebruik gemaakt van aantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. Hierbij is de internist aangeduid als beklaagde.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is in 2000 geopereerd waarbij beide ovaria zijn verwijderd wegens buikklachten en cystes in de ovaria. De operatie was sterk gecompliceerd verlopen en kende een lange hersteltijd. Klaagster heeft sindsdien voortdurend buikklachten gehouden samen met andere lichamelijke klachten en symptomen (eczeem, vermoeidheid, een lage bloeddruk, gezwollen lymfeklieren en een lage lichaamstemperatuur) waarvoor ze sinds 2007 de afdeling Interne Geneeskunde van het E. bezocht en ook elders was geanalyseerd. Steeds werd de diagnose prikkelbare darmsyndroom gesteld.
Klaagster kwam voor het eerst op het spreekuur van beklaagde op 23 april 2007. Klaagster was verwezen door de huisarts in verband met familiair sterk verhoogde ACE in combinatie met klachten van moeheid, klierzwellingen en buikpijn. Klaagster vertelde dat de klachten waren veranderd en dat er nu twee pijnlijke plekken in de onderbuik links en rechts waren, met name bij stoten en manipuleren van de buik. Voeding had ook invloed op de pijn. Klaagster gaf aan baat te hebben bij hoge darmspoelingen. Verweerder heeft de anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek gedaan, laboratoriumonderzoek uitgevoerd, een echo gemaakt van de klieren, een punctie genomen van de klieren en een röntgenfoto van de darmen gemaakt. Er werd geen duidelijke diagnose voor de klachten gevonden. Klaagster is door beklaagde met grote tussenpozen tot 5 december 2012 op de polikliniek teruggezien om het beloop te observeren. In de jaren erna werden er wegens de aanhoudende buikklachten aangevuld met pijn en krachtsverlies in een been, echo’s uitgevoerd van de klieren en van het abdomen. Er werden klieren aangetroffen zonder aanwijzingen voor maligniteit en zonder behandelingsgevolgen. In 2009 is er als toevalsbevinding een laesie gezien in de linker nier. Ook is er in die jaren laboratoriumonderzoek gedaan waarbij geen afwijkende waarden werden gezien, afgezien van een sterk verhoogde ACE-waarde die geen klinische consequentie had.
Op 23 december 2015 heeft beklaagde klaagster weer op het spreekuur gezien. Klaagster vertelde beklaagde dat elders de diagnose dubbelzijdige ACNES was gesteld, dat zij inmiddels was geopereerd en dat daarna de buikpijn en de darmfunctie was verbeterd. Sindsdien had klaagster wel meer hinder van de vermoeidheid die ze al sinds 2000 had. Klaagster dacht aan schildklierproblemen. Klaagster vertelde dat zij in 2005 behandeld was door een orthomoleculaire arts met amourthyroïd waarvan zij veel baat had gehad.
Beklaagde heeft de anamnese afgenomen, laboratoriumonderzoek gedaan en de elders gemaakt echo is herbeoordeeld. De conclusie was: “euthyroïd (?) struma, bekend met chronische klieren en moeheid bij bekend verhoogde ACE”. Bij laboratoriumonderzoek bleek klaagster inderdaad euthyreoot (TSH 2,65 mE/l T3 2,1 nmol/l, T4 18 pmol/l). Er waren geen verklaringen voor de vermoeidheid. Er vond geen verdere diagnostiek of behandeling plaats.
In januari 2016 bezocht klaagster beklaagde opnieuw. Beklaagde heeft toen met klaagster besproken nog een keer de allergoloog te consulteren waar zij al eerder was geweest. Hierna heeft beklaagde klaagster niet meer gezien als behandelend arts. Op 3 juli 2017 is bij klaagster elders een pathologische supraclaviculaire klier gezien en de diagnose schildkliercarcinoom gesteld.
Klaagster heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de gemiste diagnose. De aansprakelijkheid is door het ziekenhuis afgewezen.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat hij
- de diagnose ACNES heeft gemist. Klaagster is hierdoor pas in 2015 in plaats van in 2007 geopereerd nadat klaagster zelf informatie in de Volkskrant had gelezen;
- ondanks jarenlange zeer ernstige klachten over de schildklierfunctie die regelmatig door klaagster schriftelijk werden uitgesproken heeft beklaagde in 2015 niet meer gedaan dan bloedonderzoek waardoor de diagnose schildklierkanker is gemist. In 2017 werd elders na onderzoek schildklierkanker met metastasen ontdekt.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat de tegen hem ingediende klacht als ongegrond dient te worden afgewezen. Voor zover nodig wordt hierna meer specifiek op het verweer ingegaan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Daarbij wijst het college erop dat het college bij de beoordeling uitgaat van de feiten die op het moment van het te beoordelen handelen aan beklaagde bekend waren of die beklaagde bekend hadden kunnen zijn. Verder merkt het college op dat de klacht is ingediend op 10 juni 2020. Dat betekent dat klaagster over handelen kan klagen dat vanaf 11 juni 2010 heeft plaatsgevonden.
5.2
Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel overweegt het college het volgende:
ACNES wordt ook wel het buikwandpijnsyndroom genoemd. De pijn ontstaat door een beknelde zenuw in de buikwand. Meestal betreft het eenzijdige klachten. Omdat het een beknelde zenuw in de buikwand betreft is het niet te verwachten dat darmspoelingen en/of voeding effect hebben op de klachten. Dat beklaagde tot december 2012 de diagnose ACNES niet heeft overwogen en gesteld kan hem daarom niet worden verweten. Beklaagde heeft in de stukken uitgebreid en goed gemotiveerd uiteengezet waarom hij van oordeel was dat er gelet op de sterk gecompliceerd verlopen operatie die klaagster had ondergaan een grote waarschijnlijkheid was dat de klachten waren gerelateerd aan verklevingen van de darmen. Beklaagde heeft dit ter gelegenheid van het mondeling vooronderzoek nogmaals uiteengezet. Het college volgt beklaagde daarin.
5.3
Beklaagde heeft klaagster op 23 december 2015 weer op het spreekuur gezien. Beklaagde heeft de anamnese afgenomen zoals hierboven beschreven. De klachten van klaagster pasten niet bij een schildkliercarcinoom maar mogelijk wel bij een hypothyreoïdie. Bij lichamelijk onderzoek vond beklaagde geen aanwijzingen voor een schildkliercarcinoom en ook niet op de echo die op 25 november 2015 van de hals was gemaakt. Klaagster gaf zelf aan dat ze dacht aan schildklierproblematiek, en dat ze van behandeling met amourthyroïd in 2005 geweldig was opgeknapt en dat ze met die behandeling was gestopt. Beklaagde heeft schildklierwaarden laten bepalen (T4 en TSH) en oriënterend laboratoriumonderzoek laten doen naar moeheid. Uit deze onderzoeken kwamen geen aanwijzingen voor een hypothyreoïdie of een andere verklaring voor de moeheid. De waarden waren normaal.
Helaas is ongeveer anderhalf jaar later bij klaagster wel een schilkliercarcinoom gediagnosticeerd. Nog afgezien van het feit dat niet zeker is of het schildkliercarcinoom ten tijde van het consult bij beklaagde al aanwezig was, is het college van oordeel dat beklaagde niet onzorgvuldig heeft gehandeld, dat hem daarom niet kan worden verweten dat hij de diagnose schildkliercarcinoom heeft gemist en dat hij naar aanleiding van de klachten van klaagster zorgvuldig heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college verklaart dat de klacht kennelijk ongegrond is.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster wil met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voorleggen. Verder heeft klaagster in haar beroepschrift en de aanvulling daarop bezwaar gemaakt tegen (onderdelen van) de behandeling van de zaak in eerste aanleg. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege haar beroep gegrond te verklaren.
4.2 De internist heeft in beroep verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klaagster te verwerpen.
4.3 Klaagster maakt in beroep bezwaar tegen het feit dat de zaak in eerste aanleg in raadkamer is afgedaan en stelt dat zij tijdens het mondeling vooronderzoek onvoldoende tijd heeft gekregen om al haar punten aan de orde te stellen. Ook maakt klaagster bezwaar tegen de samenstelling van het college in eerste aanleg.
Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover dat, zo er op deze punten sprake zou zijn geweest van een tekortkoming in de behandeling van de zaak in eerste aanleg, dit is hersteld door de behandeling van de zaak in beroep waar partijen in de gelegenheid zijn gesteld ter terechtzitting, ten overstaan van een ter zake deskundig college, hun standpunten naar voren te brengen.
4.4 In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de internist nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat.
4.5 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 oktober 2021 is dat debat voortgezet.
4.6 De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; R.H. Zuijderhoudt en
B.J.M. Frederiks, leden-juristen en R. Heijligenberg en H.E. Sluiter, leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 19 november 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.