ECLI:NL:TGZCTG:2021:187 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.051
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:187 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2021 |
| Datum publicatie: | 19-11-2021 |
| Zaaknummer(s): | C2021.051 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een arts. Klager is werkzaam geweest bij het Ministerie van Defensie. De klacht gaat over de manier waarop zijn medisch dossier is bijgehouden en hoe daarmee is omgegaan. De arts is als commandant van de Defensie Gezondheidszorg Organisatie (DGO) de hoogste medische autoriteit en verantwoordelijk voor de kwaliteit van de militaire gezondheidszorg en de dagelijkse leiding. De klacht houdt in dat de arts heeft nagelaten een volledig loggingsbestand over te dragen; hem te informeren over de ontbrekende loggings en over de onrechtmatige toegang tot zijn dossier en/of de uitkomst op de controle-onderzoek naar onrechtmatige toegang; te handelen naar aanleiding van de onrechtmatige toegang tot zijn medisch dossier; een ieder (alle medewerkers die dit aangaat) te informeren over het niet bijhouden van loggingsbestanden gedurende voornoemde periode in 2010, en dat onder de verantwoordelijkheid van de arts het medisch dossier van klager is vervalst. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klachtonderdelen kennelijk niet-ontvankelijk. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021.051 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., arts, verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. M.L. Batting, advocaat te ’s-Gravenhage.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 16 juni 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van
22 januari 2021, onder nummer 20/139, heeft dat college de klacht in alle onderdelen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 15 oktober 2021, waar zijn verschenen klager, en de arts, bijgestaan door mr. Batting. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Klager heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die hij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overhandigd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1. Klager is in 1997 in dienst getreden bij de D. en sinds juli 2006 werkzaam (geweest) bij het onderdeel luchttransport op vliegbasis E. Sinds 1 augustus 2017 is klager niet meer werkzaam bij Defensie.
2.2. Een militair is ingevolge artikel 12h van de Militaire Ambtenarenwet (Maw)
aangewezen op de geïntegreerde gezondheidszorg van Defensie. De Defensie Gezondheidszorg Organisatie (hierna: DGO) omvat alle ‘bedrijven’ die gezondheidszorg verlenen. De DGO beschikt daarnaast over een staf (hierna: staf DGO). Verweerder is als commandant van de DGO de Hoogste Medische Autoriteit (hierna: HMA) en verantwoordelijk voor de kwaliteit van de militaire gezondheidszorg en de dagelijkse leiding.
2.3. Voor de verlening van geïntegreerde (militaire) gezondheidszorg wordt gebruik gemaakt van een geïntegreerd militair geneeskundig dossier (vgl. artikel 1 lid 1 onder j Maw). Deze dossiers zijn opgenomen in het elektronisch Geneeskundig Informatiesysteem Defensie (hierna: GIDS). Artsen die werkzaam zijn op de gezondheidscentra en onderdeel zijn van een medisch zorgteam zijn geautoriseerd voor GIDS. Deze artsen hebben daarmee toegang tot het medisch dossier van iedere militair die zich tot hen wendt, dus op alle gezondheidscentra en ook in een operationele setting.
2.4. Op of omstreeks 16 november 2009 is door een arts van de DGO onder vermelding van ‘consult’ een aantekening opgenomen in het medisch dossier van klager. Klager heeft zich tegen deze aantekening verzet en onder meer een verzoek tot opschoning van zijn medisch dossier gedaan over de periode van 16 november 2009 en 5 januari 2010. Klager heeft in dit verband tegen diverse BIG-geregistreerde betrokkenen tuchtklachten ingediend.
2.5. Op 31 januari 2020 heeft klager per brief aan verweerder in zijn functie van HMA de loggingsbestanden van zijn medisch dossier opgevraagd. Verweerder heeft dit verzoek doorgezet naar de centrale IT-beheerder die verantwoordelijk is voor het beheer van GIDS, het zogeheten Joint IV Commando (JIVC).
2.6. Klager heeft op 30 april 2020 per e-mail het bericht ontvangen dat de door hem opgevraagde gegevens op een versleutelde USB-stick aan hem worden verzonden. Klager heeft dit op 2 mei 2020 ontvangen. De USB-stick bevatte een Excel-bestand met loggingsgegevens van zijn medisch dossier bij Defensie.
2.7. Per brief van 11 mei 2020 heeft klager vragen gesteld over handelingen in zijn medisch dossier in de periode van 10 augustus 2017 tot en met 10 februari 2020, meer in het bijzonder over een (volgens klager) onrechtmatige inzage op 12 maart 2015 en vier inzagen na zijn uitdiensttreding per 1 augustus 2017.
2.8. Tevens heeft hij per e-mail van 13 mei 2020 bericht dat het door hem ontvangen loggingsbestand zijns inziens niet compleet is en dat er logs ontbreken over 2010. Klager heeft verweerder verzocht alsnog een compleet loggingsbestand toe te sturen.
2.9. Bij brief van 12 juni 2020 is namens verweerder aan klager bericht dat de loggingsgegevens van het jaar 2010 (deels) ontbreken omdat in een periode van 2010 voor de hele zorgpopulatie geen loggegevens zijn bijgehouden wegens (waarschijnlijk) een fout bij een systeemmigratie. Op dat moment werd nog een laatste zoekslag verricht naar de logs.
2.10. Bij brieven van 15 juli 2020 en 24 augustus 2020 heeft verweerder klager bericht dat de ontbrekende logbestanden over 2010 betrekking hebben op de periode van 16 april 2010 tot en met 26 november 2010. Verder is klager geïnformeerd over de vier inzagen in zijn dossier waar hij specifiek navraag naar heeft gedaan. Omdat klager geen toestemming heeft gegeven voor inzage in zijn medisch dossier, kon het onderzoek niet worden verricht met raadpleging van zijn medisch dossier.
3. De klacht
3.1. De klacht jegens verweerder houdt - zakelijk weergegeven – in dat verweerder heeft nagelaten:
a) een volledig loggingsbestand over te dragen. Niet alleen ontbreekt de periode van 16 april 2010 tot 26 november 2010 geheel, ook andere data waarop volgens klager moet zijn gelogd, ontbreken, zoals (volgens de aanvulling van de klacht) een consult van 26 maart 2010 en 2 consulten op 20 december 2010;
b) hem (uit eigen beweging) te informeren over de ontbrekende loggings;
c) hem (uit eigen beweging) te informeren over de onrechtmatige toegang tot zijn dossier en/of de uitkomst op het controle-onderzoek naar onrechtmatige toegang;
d) te handelen naar aanleiding van de onrechtmatige toegang tot zijn medisch dossier;
e) een ieder (alle Defensiemedewerkers die dit aangaat) te informeren over het niet bijhouden van loggingsbestanden gedurende voornoemde periode in 2010.
alsmede (na aanvulling)
f) het onder verantwoordelijkheid van verweerder manipuleren van de gegevens in het loggingsbestand en daarmee het vervalsen van het medisch dossier van klager.
3.2. Klager heeft verder – kort gezegd - het college verzocht ter plaatste te gaan bij het Ministerie van Defensie op een locatie waar toegang is tot GIDS en de loggingsbestanden van GIDS en hiernaar diverse onderzoeken uit te voeren en het volledige actuele loggingsbestand van zijn medisch dossier in GIDS op te slaan of vast te leggen en deze stukken toe te voegen aan de stukken van het (voor)onderzoek.
3.3. Volgens klager is het loggingsbestand niet compleet. Dat heeft hij zelf moeten constateren. Verweerder heeft hem daar niet over geïnformeerd, zoals volgens klager op grond van de Richtlijn Militaire Gezondheidszorg (bijlage 1) zou hebben gemoeten. Hierin staat dat de arts de patiënt die inzage wenst in het medisch dossier zo goed mogelijk dient te begeleiden.
Verder blijkt volgens klager uit het loggingsbestand dat door de DGO een controle is uitgevoerd op onrechtmatige inzagen van zijn medisch dossier, maar is hij niet over de uitkomst daarvan geïnformeerd. Doordat de loggingsgegevens over 2010 niet compleet zijn, wordt het klager onmogelijk gemaakt om enkele beweringen die gedaan zijn in andere tuchtprocedures te controleren en eventuele nieuwe tuchtklachten te initiëren. Bovendien kan klager er niet vanuit gaan dat er niet nog meer gegevens ontbreken. Klager heeft evenwel niet de mogelijkheid om dat zelf te controleren. Doordat er geen loggegevens over een deel van 2010 bijgehouden zijn ook vele andere mensen benadeeld. Door het ontbreken van deze gegevens kan niet worden achterhaald welke handelingen in zijn medisch dossier zijn verricht.
3.4. Volgens klager is Defensie wettelijk verplicht om medische informatie, en daarmee ook loggingsbestanden, te beheren volgens de NEN-normen (NEN 7513), die – afgezien van enkele updates – ook al in 2009 gold. Systeemmigratie is geen excuus om geen loggingsgegevens bij te houden en ontslaat de zorgaanbieder niet van de verantwoordelijkheid hiervoor. De brief van verweerder van 12 juni 2020 maakt duidelijk dat Defensie hier niet aan heeft voldaan, evenals aan de verplichtingen die voortvloeien uit de privacywetgeving. Verweerder heeft hierin in zijn rol van HMA een grote verantwoordelijkheid, aldus klager.
4. Het verweer
Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de klacht in al haar onderdelen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verweerder is als commandant en niet als BIG-geregistreerd arts betrokken bij het verzoek van klager. Er is geen sprake van individuele zorgverlening onder de eerste tuchtnorm. Daarnaast heeft het handelen onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg om onder de tweede tuchtnorm te vallen. Bij onderdelen van de klacht die zien op de belangen van derden, heeft klager geen rechtstreeks belang. Ten slotte stelt verweerder dat hij – voor zover het in zijn macht lag – zorgvuldig heeft gehandeld.
5. De beoordeling
ontvankelijkheid
5.1. Vooropgesteld wordt dat een hulpverlener op grond van artikel 7:454 BW verplicht is een medisch dossier bij te houden en hierin inzage dienen te geven indien een patiënt hierom verzoekt. Op grond van artikel 15 lid 1 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) omvat het inzagerecht ook de loggegevens. Deze verplichting tot het bijhouden van loggegevens van medische dossiers is van belang voor de transparantie en het vertrouwen in de gezondheidszorg. Wanneer individuele BIG-geregistreerde zorgverleners hun logsysteem niet op orde hebben, weigeren mee te werken aan verzoeken om loggegevens, of hiermee hebben gefraudeerd, kan onder omstandigheden sprake zijn van tuchtrechtelijke verwijtbaar handelen op basis van de eerste of tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1 wet BIG (zie ook hierna). Uitgangspunt voor aansprakelijkheid onder het tuchtrecht is wel dat sprake dient te zijn van persoonlijke verwijtbaarheid van de BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar. Zo zal een arts in een grote organisatie niet altijd weten wanneer er bijvoorbeeld een storing is in het bijhouden van de loggegevens en dan niet zelf persoonlijk tuchtrechtelijk kunnen worden aangesproken.
5.2. Niet in geschil is dat deze verplichtingen ook bestonden voor (medewerkers van) de DGO (volgens artikel 5 lid 1 j. lid 2 van de Regeling AVG Defensie. Ook is niet betwist dat binnen de DGO reeds in 2010 - dus al voor de inwerkingtreding van de AVG) is besloten dat loggegevens dienden te worden bijgehouden. Voor de uitvoering daarvan gelden nadere zorgvuldigheidsnormen. Het bijhouden van de loggegevens werd binnen de DGO uitbesteed aan JIVC. Verweerder heeft tijdens het mondelinge vooronderzoek verklaard dat hij hiervoor binnen de DGO eindverantwoordelijk is.
5.3. Tussen partijen is in geschil of de aan verweerder verweten handelingen gezien zijn functie als commandant vallen onder een van de tuchtnormen. Indien dit niet het geval is, is klager niet-ontvankelijk in zijn klachten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Eerste tuchtnorm
5.4. Wat betreft de verwijten onder a t/m d en f geldt het volgende:
Onder de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 onder a wet BIG) is verweerder als BIG-geregistreerd arts onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als beroepsbeoefenaar hoort te betrachten ten opzichte van – kort gezegd – degene met wie hij een behandelrelatie heeft of een naaste betrekking daarvan. Vast staat dat verweerder niet zelf een arts-patiënt relatie met klager heeft gehad, in die zin dat hij klager niet als patiënt heeft behandeld. Klager heeft aangevoerd dat de afhandeling door verweerder van zijn verzoeken met betrekking tot de loggegevens maakt dat hun verhouding toch door de eerste tuchtnorm wordt bestreken omdat de loggegevens vallen onder zijn medisch dossier. Klager heeft hiertoe verwezen naar de uitspraak in een andere zaak van hem, die bij dit college bekend is onder nummer 19/382, waarin onder meer is overwogen dat de verweerster in die zaak tuchtrechtelijk aansprakelijk was voor de wijzigingen die zij heeft aangebracht in het medisch dossier van klager.
5.5. Het college volgt klager hierin niet. Anders dan in de zaak waarin klager verwijst, heeft verweerder geen inzage gehad in de in het medisch dossier opgenomen medische gegevens en heeft hij hierin ook niet zelf aantekeningen geplaatst. De betrokkenheid van verweerder bij de verzoeken van klager als eindverantwoordelijke binnen de DGO is in die zin enkel administratief geweest: hij heeft er na het verzoek voor gezorgd dat de betreffende gegevens werden opgevraagd bij de JIVC en dat deze aan klager zijn doorgestuurd. Het college schaart deze handelingen daarom anders dan in de door klager genoemde zaak, niet onder handelingen die vallen binnen de eerste tuchtnorm.
Tweede tuchtnorm
5.6. De vraag is vervolgens of de verweten gedragingen onder a t/m d en f wel onder de tweede tuchtnorm vallen. Onder de tweede tuchtnorm dient een beroepsbeoefenaar -zich – ook buiten een directe patiëntrelatie - te gedragen zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Voor ontvankelijkheid van de klacht onder de tweede tuchtnorm, en daarmee beoordeling of niet in strijd is gehandeld met die betamelijkheidsnorm, is noodzakelijk dat het verweten handelen of nalaten voldoende weerslag heeft (of kan hebben) op de individuele gezondheidszorg van klager. Anders dan klager heeft aangevoerd tijdens het mondelinge vooronderzoek is dit criterium volgens de jurisprudentie niet komen te vervallen met de wijziging van de wet BIG van 1 april 2019.
5.7. Het college stelt voorop dat bij toepassing van het tuchtrecht terughoudendheid moet worden betracht als er sprake is van handelen in functies zoals die van verweerder, dat wil zeggen als het handelen van de arts niet de zorg aan een individuele patiënt betreft, waar onder begrepen de registratie hiervan, maar veeleer betrekking heeft op de organisatie van de zorg en de randvoorwaarden waaronder die wordt verleend. In dit geval heeft verweerder een verzoek van klager over de wijze van registratie afgehandeld door het te laten uitzoeken door een hiervoor toegeruste afdeling en de uitkomsten aan klager terug te rapporteren. Verweerder heeft behoudens zijn verantwoordelijkheid als leidinggevende voor het zorgvuldig en integer functioneren van het log-systeem als geheel geen individuele betrokkenheid bij de loggingsgegevens van klager. Deze verantwoordelijkheid, die overigens ook geen verband houdt met verweerders medische expertise maar veeleer ligt op het gebied van de automatisering, staat in een te ver verwijderd verband tot de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg om binnen de reikwijdte van de tweede tuchtnorm te vallen. Kort gezegd: voor dit soort problemen is het medische tuchtrecht niet bedoeld. Het college komt hiermee niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klachten van klager.
5.8. Het voorgaande brengt met zich dat klachtonderdelen a t/m d en f kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
5.9. Wat betreft klachtonderdeel e geldt dat klager niet bevoegd is om namens andere belanghebbenden zonder daartoe strekkende machtiging hierover een tuchtklacht in te dienen. Klager heeft ter gelegenheid van het mondelinge vooronderzoek aangegeven dit te begrijpen, maar dit onderdeel te hebben toegevoegd ter illustratie van hoe Defensie met deze gegevens omgaat. In de later toegezonden aanvulling van de klacht heeft klager hieraan toegevoegd dat hij dit klachtonderdeel niet namens andere defensiemedewerkers heeft ingediend, maar enkel namens zichzelf. Daarmee heeft dit klachtonderdeel dezelfde inhoud als het klachtonderdeel onder b. en is dit eveneens kennelijk niet-ontvankelijk.
Overige verzoeken
5.10. Nu alle klachtonderdelen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, wordt de klachtonderdelen niet verder inhoudelijk beoordeeld en komt het college niet toe aan beoordeling van de verzoeken van klager zoals genoemd onder 3.2. Deze worden voor zover nodig afgewezen. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
Omvang van de zaak in beroep
4.1 Klager wil met zijn beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege zijn klacht op alle onderdelen ontvankelijk verklaart, (impliciet) zijn klacht in volle omvang beoordeelt en alsnog gegrond verklaart.
4.2 De arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klager te verwerpen.
Beoordeling
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
4.4 In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 oktober 2021 is dat debat voortgezet.
4.5 In beroep ligt opnieuw allereerst de vraag voor of de verweten gedragingen kunnen worden getoetst aan de eerste tuchtnorm ofwel de tweede tuchtnorm.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van het schriftelijk en mondeling debat ter terechtzitting in beroep tot dezelfde constateringen als het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege neemt datgene wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De beoordeling’ heeft overwogen hierover want het is het daar mee eens.
Daarmee sluit het Centraal Tuchtcollege zich aan bij het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de verweten gedragingen niet vallen binnen de eerste tuchtnorm, en het oordeel dat de verantwoordelijkheid van de arts in een te ver verwijderd verband staat tot de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg om binnen de reikwijdte van de tweede tuchtnorm te vallen. Dit betekent dat het beroep van klager zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter,
A.S. Gratama en H.M. Wattendorff, leden-juristen, J.H.M. de Brouwer en W.A. Faas, leden-beroepsgenoten, en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.