ECLI:NL:TGZCTG:2021:17 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.240

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:17
Datum uitspraak: 22-01-2021
Datum publicatie: 22-01-2021
Zaaknummer(s): c2019.240
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen tandarts. Verweerder heeft een wortelkanaalbehandeling bij klager verricht. Klager verwijt verweerder dat hij deze behandeling onjuist heeft uitgevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.240 van:

A., wonende in B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

E., tandarts, destijds werkzaam in B., verweerder in beide instanties.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft een klacht ingediend die op 17 december 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag is ingekomen en die door het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam is ontvangen op 13 maart 2019 tegen E. – hierna de tandarts. Bij beslissing van 10 juli 2019, onder nummer 19/116, heeft dat laatste College de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft op tijd beroep tegen die beslissing ingesteld. De tandarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak A./C. (C2019.239) behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van

4 december 2020, alwaar klager is verschenen. De tandarts is met bericht van verhindering niet op de terechtzitting verschenen.

Klager heeft voor zijn standpunten verwezen naar hetgeen hij in zijn beroepschrift en in de aanvulling daarop heeft gesteld.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

2.1.      Verweerder, destijds werkzaam als tandarts bij G. in B., zag klager (geboren op 9 november 1960) op 7 juli 2009 voor een reguliere controle. Op klagers verzoek heeft verweerder bij die gelegenheid een begroting gemaakt voor behandeling van een abces bij element 46. Deze wortelkanaalbehandeling heeft op 4 augustus 2009 plaatsgevonden.

2.2.      Vervolgens bezocht klager op 30 november 2009 een collega van verweerder. Klager gaf aan dat het abces weer terug was gekomen en door verweerders collega werd besloten tot een verwijzing naar een kaakchirurg voor een apexresectie van element 46.

3.         De klacht en het standpunt van klager

3.1.      De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder de behandeling op

31 augustus 2009 (het college begrijpt uit de stukken: 4 augustus 2009) onjuist heeft uitgevoerd. Bovendien heeft verweerder de kosten van de controle van 30 november [het CTG leest:] 2009 in rekening gebracht en heeft klager extra kosten moeten maken bij de kaakchirurg. Omdat de behandeling door verweerder niet goed was uitgevoerd, vindt klager die extra kosten niet terecht. Tenslotte wijst klager erop dat hij in 2015 op dezelfde plek weer hetzelfde abces kreeg. De naar aanleiding daarvan uitgevoerde operatie is niet goed verlopen hetgeen uiteindelijk tot extractie van element 46 heeft geleid. Klager is van mening dat dit alles verweerder te verwijten is omdat hij de ingreep op 4 augustus 2009 onjuist heeft uitgevoerd.

4.         Het standpunt van verweerder

4.1.      Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van dat beroepsmatig handelen gaat het derhalve niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen die grenzen is gebleven. In het licht van dat toetsingskader zal het college de klacht beoordelen.

5.2.      Verweerder stelt dat verweerder de behandeling op 4 augustus 2009 onjuist heeft uitgevoerd. Het college vindt voor deze stelling evenwel geen onderbouwing in het dossier. Weliswaar blijkt uit de stukken dat het door verweerder op 4 augustus 2009 bij klager behandelde abces na de wortelkanaalbehandeling is teruggekomen, maar die enkele omstandigheid betekent niet zonder meer dat verweerders behandeling onjuist is geweest. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond dient te worden verklaard.

5.3.      Het gevolg daarvan is dat ook de klachtonderdelen die volgens klager een gevolg zijn van dit vermeende onjuiste handelen, ongegrond dienen te worden verklaard.

5.4.      Voor wat betreft het klachtonderdeel dat ziet op de in rekening gebrachte kosten voor de behandeling op 30 november 2009 stelt het college vast dat deze behandeling en het in rekening brengen daarvan, niet door verweerder heeft plaatsgevonden. Reeds om die reden kan dit klachtonderdeel niet slagen.

5.5.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

5.6.      Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

3.1       Met zijn beroep maakt klager bezwaar tegen een deel van de feiten zoals die door het Regionaal Tuchtcollege zijn vastgesteld. Verder beoogt klager met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege zijn klacht en daarmee dit beroep gegrond te verklaren.

3.2  De tandarts voert hiertegen verweer en vraagt het Centraal Tuchtcollege –

impliciet – het beroep te verwerpen.

3.3       Voor wat betreft het bezwaar dat klager maakt tegen de weergave door het Regionaal Tuchtcollege van de feiten oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat overweging 2. “De feiten” van de beslissing in eerste aanleg een correcte weergave geeft van de feiten die relevant zijn voor de beoordeling van het voorliggende geschil. Het Centraal Tuchtcollege zal voor de beoordeling van het beroep van die feiten uitgaan.

3.4       In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de tandarts nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat.

3.5       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 december 2020 heeft klager verwezen naar dat wat hij in de door hem overlegde stukken heeft aangevoerd. De tandarts is niet ter terechtzitting verschenen.

3.6       De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter; A. Smeeïng-van Hees en M.W. Zandbergen, leden-juristen en J. de Lange en A. Vissink, leden-beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris

       Uitgesproken ter openbare zitting van 22 januari 2021.

Voorzitter   w.g.                                                        Secretaris  w.g.