ECLI:NL:TGZCTG:2021:16 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.239

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2021:16
Datum uitspraak: 22-01-2021
Datum publicatie: 22-01-2021
Zaaknummer(s): c2019.239
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht tegen kaakchirurg. Klager is door zijn toenmalige tandarts naar verweerder verwezen voor een apexresectie. Na onderzoek heeft verweerder klager geadviseerd om in plaats van een apexresectie een wortelkanaalbehandeling uit te laten voeren door een endodontoloog. Drie weken later heeft klager zijn verzoek om een apexresectie herhaald waarna de behandeling alsnog heeft plaatsgevonden. Klager verwijt verweerder – kort gezegd – dat hij de chirurgische behandeling onjuist heeft uitgevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.239 van:

A., wonende in B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., kaakchirurg, werkzaam in D., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. M.J. de Groot, verbonden aan de stichting VvAA Rechtsbijstand in Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft een klacht ingediend die op 20 december 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag is ingekomen en die door het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam is ontvangen op 12 maart 2019 tegen C. – hierna de kaakchirurg. Bij beslissing van 10 juli 2019, onder nummer 19/115, heeft dat laatste College de klacht kennelijk ongegrond verklaard. In deze beslissing staat het BIG-inschrijfnummer genoteerd waarmee de kaakchirurg als arts in het BIG-register staat opgenomen, terwijl de klacht betrekking heeft op de inschrijving van de kaakchirurg als tandarts. Het Centraal Tuchtcollege neemt daarom in zijn beslissing het BIG-inschrijfnummer van de kaakchirurg als tandarts op.

Klager heeft op tijd beroep tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege ingesteld. De kaakchirurg heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak A./E. (C2019.240) behandeld op de openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van

4 december 2020, waar zijn verschenen klager, en de kaakchirurg, bijgestaan door

mr. De Groot voornoemd.

Partijen hebben hun standpunten bij de mondelinge behandeling over en weer verder toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2..     De feiten

2.1.      Verweerder is werkzaam als kaakchirurg (Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie) in het F.-ziekenhuis, locatie D. (hierna: het ziekenhuis)

2.2.      Klager, geboren op 9 november 1960, werd door verweerder gezien op

9 februari 2016. Klager was door zijn toenmalige tandarts verwezen voor een apexresectie van element 46. Na onderzoek door verweerder is besloten deze apexresectie niet te verrichten. Verweerder heeft klager geadviseerd een nieuwe wortelkanaalbehandeling uit te laten voeren gevolgd door het plaatsen van een nieuwe kroon (coronaire afsluiting) en klager geadviseerd zich voor deze endodontische behandeling tot een endodontoloog te wenden.

2.3.      Op 1 maart 2016 zag verweerder klager opnieuw en op herhaald verzoek van klager heeft de apexresectie alsnog plaatsgevonden.

2.4.      Omdat klager niet tevreden was over de behandeling op 1 maart 2016 door verweerder en een plek op zijn wang bleek te hebben die hij niet vertrouwde, heeft klager op 12 mei 2016 contact opgenomen met het ziekenhuis waarna er een controle afspraak bij een collega van verweerder werd gepland.

2.5.      Met de brief van 27 augustus 2016 heeft klager een klacht over de behandeling op 1 maart 2016 ingediend bij de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis. Op

7 november 2016 stuurde klager een brief met het verzoek de door hem aan een endodontoloog betaalde € 655,29 te vergoeden in verband met een op 22 april 2016 bij klager uitgevoerde endodontische behandeling van element 46.

2.6.      Op 8 februari 2017 heeft extractie van element 46 plaatsgevonden.

3.         De klacht en het standpunt van klager

3.1.      De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder de chirurgische behandeling op 1 maart 2016 onjuist heeft uitgevoerd. Hierdoor is het abces niet verdwenen en heeft klager twee weken hevige pijn gehad. Bovendien is hierdoor element 46 onherstelbaar beschadigd waardoor het element later getrokken moest worden en klager veel tijd en geld aan extra behandelingen heeft moeten besteden.

4.         Het standpunt van verweerder

4.1.      Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard. Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van dat beroepsmatig handelen gaat het derhalve niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen die grenzen is gebleven. In het licht van dat toetsingskader zal het college de klacht beoordelen.

5.2.      De essentie van de klacht is dat verweerder de ingreep op 1 maart 2016 onjuist heeft uitgevoerd. Naar het oordeel van het college kan op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd en op basis van de overige stukken in het dossier evenwel niet worden gesteld dat verweerder bij het uitvoeren van deze ingreep onjuist of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De door klager genoemde pijnklachten zijn niet uitzonderlijk bij een ingreep als deze en het enkele ontstaan daarvan betekent dan ook niet zonder meer dat de ingreep, zoals klager stelt, onjuist is uitgevoerd. Klagers opmerking dat door verweerders ingreep het abces niet verdween kan evenmin tot die conclusie leiden. Ook die enkele omstandigheid is onvoldoende om tot tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder te concluderen.

5.3.      Naar het oordeel van het college kan ook de omstandigheid dat element 46 later onherstelbaar beschadigd bleek en extractie is uitgevoerd niet tot de conclusie leiden dat verweerder bij het uitvoeren van de ingreep op 1 maart 2016 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Gezien de voorgeschiedenis van het element en gezien de ingrepen die later dan de behandeling van 1 maart 2016 zijn uitgevoerd, kan niet worden vastgesteld dat de beschadiging een gevolg is van de door verweerder uitgevoerde behandeling. Reeds om die reden zal ook dat klachtonderdeel ongegrond worden verklaard.

5.4.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

5.5.      Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. Hij vraagt het Centraal Tuchtcollege zijn klacht en daarmee dit beroep gegrond te verklaren.

4.2  De kaakchirurg voert hiertegen verweer en verzoekt het Centraal Tuchtcollege

het beroep van klager te verwerpen.

4.3       In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de kaakchirurg nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat.

4.4       In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 december 2020 is dat debat voortgezet.

4.5       De behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter; A. Smeeïng-van Hees en

M.W. Zandbergen, leden-juristen en A. Vissink en J. de Lange, leden-beroepsgenoten en

M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.

       Uitgesproken ter openbare zitting van 22 januari 2021.

            Voorzitter   w.g.                                                        Secretaris  w.g.