ECLI:NL:TGZCTG:2018:290 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2018.092
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:290 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-11-2018 |
| Datum publicatie: | 08-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | C2018.092 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een dermatoloog. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager deels niet-ontvankelijk in zijn beroep vanwege voor het eerst in beroep geformuleerde klachten en verwerpt het beroep voor het overige. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.092 van:
A. wonend te B., appellant, klager in eerste aanleg, gemachtigde: voorheen mr. L.M. Lalji, werkzaam te Amsterdam
tegen
P., dermatoloog, werkzaam te B., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven, werkzaam te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna: klager - heeft op 23 mei 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen P. - hierna: de dermatoloog - een klacht ingediend. Laatstgenoemd College heeft de stukken op grond van artikel 3 lid 5 Tuchtrechtbesluit BIG met het oog op de wenselijkheid van een gezamenlijke behandeling met andere klachten doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag.
Bij beslissing van 2 januari 2018 onder nummer 2017-132e heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De dermatoloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
Klager heeft op 12 september 2018 nog twee e-mailberichten aan het Centraal Tuchtcollege gezonden waarin hij om aanhouding verzoekt, aankondigt een bandopname te willen laten horen ter terechtzitting en enkele getuigen te willen horen. De secretaris van het Centraal Tuchtcollege heeft hierop gereageerd bij brief van 14 september 2018.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met de zaken C2018.088, C2018.089, C2018.090 en C2018.091 ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 27 september 2018. Klager, de dermatoloog en de gemachtigde van de dermatoloog zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag
gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager, geboren op 1 oktober 1954, is in april 2007 naar zijn toenmalige huisarts gegaan wegens klachten aan de nagels. Volgens de huisarts had klager een schimmel aan
de linker wijsvinger tussen de nagel. Hiervoor schreef de huisarts het medicijn,
anti-schimmelmiddel Trisporal voor.
2.2 Klager heeft ongeveer vijf à zes weken het medicijn ingenomen. De nagels van de handen en voeten werden donker van kleur. Op advies van de huisarts is klager door-verwezen naar het F. en behandeld door de heer C. (verweerder in 2017-132a).
2.3 Verweerder is sinds 1996 werkzaam op de afdeling dermatologie in het I. en is sinds 2006 werkzaam als dermatoloog. In de periode 2007-2009 heeft verweerder ook als supervisor van arts-assistenten in het I. gewerkt. Hij is thans chef de policlinique bij zowel het I. als het G..
2.4 Klager is op 15 juni 2007 bij mevrouw N. (verweerster in 2017-132b) op consult geweest in verband met het loslaten van de nagels aan de vingers en de tenen. Verweerder was op dat moment haar supervisor. Klager slikte toen de door de huisarts voorgeschreven Trisporal al een aantal weken een maal per dag 100mg. Tijdens dit consult heeft N. de anamnese afgenomen. Uit het medisch dossier blijkt dat het beleid bestond uit het aanvullend onderzoek door middel van een nagelkweek via het verrichtingenspreekuur en een banale kweek van de nagelriem. Dit beleid heeft N., zoals blijkt uit het dossier, van tevoren besproken met verweerder. Als medicatie bleef Trisporal voorgeschreven, nu 200 mg per dag.
2.5 Op 20 juni 2007 is op het verrichtingenspreekuur van de polikliniek dermatologie van het I. een nagel van de linkerhand van klager (grotendeels) verwijderd ten behoeve van aanvullend onderzoek. In de bacteriële kweek is vervolgens de Pseudomonas bacterie aangetoond.
2.6 Op 11 juli 2007 werd de uitslag van het aanvullend onderzoek ontvangen. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft N. in overleg met dermatoloog M., haar supervisor op dat moment, de Trisporal verdubbeld voor de duur van drie maanden en azijnzuuroplossing voorgeschreven. De uitslagen en het behandelplan zijn telefonisch aan klager doorgegeven.
2.7 Klager heeft op 22 augustus 2007 contact opgenomen met N. omdat hij nog steeds veel last had van de nagels.
2.8 Op 10 september 2007 zond N. een brief aan de huisarts van klager. Deze brief is mede-ondertekend door verweerder.
2.9 Op 25 september 2007 heeft klager de polikliniek weer bezocht en werd hij geholpen door N.. Tijdens dit consult heeft klager doorgegeven dat hij is gestopt met de Trisporal in verband met duizelingsklachten en steken in het hoofd. N. heeft in verband hiermee Lamisil voorgeschreven. Na vier weken zou de situatie herbeoordeeld worden om te bepalen of de behandeling zou worden gecontinueerd of zou worden gestopt.
2.10 Verweerder heeft klager niet gezien of gesproken.
3. De klacht
Klager verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat hij:
a) als supervisor van verweerster in 2017-132b medeverantwoordelijk is voor het stellen van de onjuiste diagnose op 15 juni 2007 en het inzetten van de verkeerde behandeling naar aanleiding van dit consult;
b) een onjuiste verklaring heeft afgegeven in de brief aan de huisarts van klager van
10 september 2009;
c) zijn beroepsgeheim heeft geschonden door zonder toestemming van klager informatie te delen met de huisarts van klager, terwijl klager op dat moment een andere huisarts had.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 De klachtonderdelen a en b zullen gezamenlijk worden behandeld.
5.2 Verweerder heeft in deze zaak zelf geen diagnose gesteld. De taak van verweerder, als supervisor, was om de beoordeling van de primaire arts (AIOS) te toetsen op aannemelijkheid. Verweerder diende te controleren of het onderzoek naar behoren was uitgevoerd en of de AIOS op basis van de hiermee verkregen informatie in redelijkheid tot zijn diagnose en oordeel heeft kunnen komen.
5.3 In beginsel zijn het handelen en nalaten van zowel de supervisor als de arts-assistent, beiden ingeschreven in het BIG-register, vatbaar voor tuchtrechtelijke toetsing. Bij aanvang van de opleiding drukt een aanzienlijk deel van de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor het handelen van de arts-assistent in opleiding op de schouders van de supervisor, terwijl naarmate er meer aan de arts-assistent kan worden toevertrouwd gaandeweg de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid wordt gedeeld tussen supervisor en arts-assistent, terwijl aan het eind van de opleiding deze verantwoordelijkheid vrijwel geheel op de schouders van de assistent in opleiding zal komen te rusten.
5.4 In de beslissing van 2017-132b heeft het College geoordeeld dat geen sprake is van een onjuiste diagnose of behandeling of een onjuistheid in de verklaring. Dit houdt in dat ook aan de supervisor geen verwijt kan worden gemaakt. De klachtonderdelen a en b zijn ongegrond.
5.5 Klachtonderdeel c is evenmin gegrond. Op grond van de KNMG-Richtlijn Omgaan met medische gegevens mocht verweerder uitgaan van veronderstelde toestemming van klager om de huisarts te informeren. Als een patiënt instemt met een verwijzing naar een specialist, wordt verondersteld dat hij ook toestemming geeft aan die medisch specialist voor het verstrekken van informatie aan de huisarts. Klachtonderdeel f is daarmee ongegrond.
Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep zijn klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van zijn beroep.
4.2 De dermatoloog heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 In beroep kan het Centraal Tuchtcollege slechts oordelen over die klachten die in het oorspronkelijk klaagschrift aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn voorgelegd. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Het Centraal Tuchtcollege zal klager in zoverre in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde schriftelijke en mondelinge debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 september 2018 is dat debat voortgezet.
Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding de door klager voorgestelde getuigen te horen. Deze getuigen K., L. en M. kunnen uit eigen wetenschap niets over de consulten in 2007 verklaren omdat zij daarbij niet aanwezig zijn geweest. Voor zover klager bedoelt deze getuigen als deskundigen te horen acht het Centraal Tuchtcollege dit voor de beoordeling van de zaak niet noodzakelijk omdat het zaaksdossier voldoende gedocumenteerd is en het Centraal Tuchtcollege zich voldoende voorgelicht acht.
4.6 Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat klager deels niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn beroep en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover hij nieuwe klachten heeft geformuleerd;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter, L.F. Gerretsen-Visser en
A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en F.M.M. van Exter en R. Willemze, leden-beroepsgenoten en M.W. van Beek, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 8 november 2018.
Voorzitter w.g.
Secretaris w.g.