ECLI:NL:TGZCTG:2018:289 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2018.091
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:289 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-11-2018 |
| Datum publicatie: | 08-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | C2018.091 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een dermatoloog. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager deels niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager alsnog ontvankelijk in alle onderdelen van zijn klacht, verklaart één klachtonderdeel alsnog ongegrond en verwerpt het beroep voor het overige. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2018.091 van:
A., wonend te B., appellant, klager in eerste aanleg,
gemachtigde: voorheen mr. L.M. Lalji, werkzaam te Amsterdam,
tegen
H., dermatoloog, werkzaam te B., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. C. Velink, werkzaam te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna: klager - heeft op 23 mei 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen H. - hierna: de dermatoloog - een klacht ingediend. Laatstgenoemd College heeft de stukken op grond van artikel 3 lid 5 Tuchtrechtbesluit BIG met het oog op de wenselijkheid van een gezamenlijke behandeling met andere klachten doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag. Bij beslissing van 2 januari 2018 onder nummer 2017-132d heeft dat College klager deels niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht en de klacht voor het overige afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De dermatoloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
Klager heeft op 12 september 2018 nog twee e-mailberichten aan het Centraal Tuchtcollege gezonden waarin hij om aanhouding verzoekt, aankondigt een bandopname te willen laten horen ter terechtzitting en enkele getuigen te willen horen. De secretaris van het Centraal Tuchtcollege heeft hierop gereageerd bij brief van 14 september 2018.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met de zaken C2018.088, C2018.089, C2018.090 en C2018.092 ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 27 september 2018. Klager, de dermatoloog en de gemachtigde van de dermatoloog zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag
gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager, geboren op 1 oktober 1954, is in april 2007 naar zijn toenmalige huisarts gegaan wegens klachten aan de nagels. Volgens de huisarts had klager een schimmel aan de linker wijsvinger tussen de nagel. Hiervoor schreef de huisarts het medicijn, anti-schimmelmiddel, Trisporal voor.
2.2 Klager heeft ongeveer vijf à zes weken het medicijn ingenomen. De nagels van de handen en voeten werden donker van kleur. Op advies van de huisarts is klager doorverwezen naar het F..
2.3 Verweerder is sinds 2004 werkzaam als dermatoloog. Van 2004 tot en met 2010 is hij werkzaam geweest in het F.. In deze periode participeerde hij als supervisor voor twee dermatologen in opleiding.
2.4 Klager is op 23 mei 2007 bij de heer C. (verweerder in 2017-132a) op het inloopspreekuur geweest. C. stond onder supervisie van verweerder. Klager consulteerde C. omdat de klachten aan zijn nagels niet werden verholpen door de Trisporal. De nagels van klager begonnen los te laten, waren verdikt en zagen enigszins geel. C. heeft naar aanleiding van dit consult op 29 mei 2007 de (op 24 mei 2007 gegenereerde) brief naar de huisarts van klager toegezonden. Ook heeft C. telefonisch contact gehad met de huisarts. C. concludeerde dat de nagelafwijking goed zou kunnen passen bij een inflammatoire huid/nagel aandoening zoals psoriasis unguium of een lichen planus van de nagels. Teneinde een onychomycose uit te sluiten is voorgesteld om over drie maanden een nagelkweek te doen waarna eventueel therapie gestart kan worden. De brief is mede-ondertekend door verweerder.
2.5 Verweerder heeft klager niet gezien of gesproken.
3. De klacht
Klager verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat hij:
a) als supervisor van verweerder in 2017-132a medeverantwoordelijk is voor het stellen van de onjuiste diagnose op 23 mei 2007;
b) een onjuiste verklaring heeft afgegeven in de brief aan de huisarts van
24 mei 2007.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft zich primair beroepen op de niet-ontvankelijkheid van klager en subsidiair de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het College stelt ambtshalve voorop dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht a over onjuiste supervisering op 23 mei 2007, gelet op de verjaringstermijn in artikel 65 lid 5 Wet BIG. Er is immers meer dan 10 jaar verstreken tussen deze supervisering en de indiening van het klaagschrift op 23 mei 2017. Dit betekent dat klacht a niet besproken zal worden. Het College gaat voorts in op het niet-ontvankelijkheidsverweer, gestoeld op artikel 65 lid 2 van de Wet BIG jo. artikel 4 Tuchtrechtbesluit en inhoudende dat klager niet duidelijk heeft gemaakt welke verwijten hij verweerder maakt en op welke feiten en gronden de klachten berusten. Dit verweer wijst het College af. Hoewel klager zijn klacht niet heel duidelijk heeft geformuleerd, heeft het College én verweerder, gelet op de inhoud van het verweer, toch kunnen opmaken wat de inhoud van zijn klacht is.
5.2 Verweerder heeft in deze zaak zelf geen diagnose gesteld. Slechts de medeondertekening (als eindverantwoordelijke) van de brief van 24 mei 2007 is thans nog aan de orde.
5.3 In beginsel zijn het handelen en nalaten van zowel de supervisor als de arts-assistent, beiden ingeschreven in het BIG-register, vatbaar voor tuchtrechtelijke toetsing. Bij aanvang van de opleiding drukt een aanzienlijk deel van de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor het handelen van de arts-assistent in opleiding op de schouders van de supervisor, terwijl naarmate er meer aan de arts-assistent kan worden toevertrouwd gaandeweg de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid wordt gedeeld tussen supervisor en arts-assistent, terwijl aan het eind van de opleiding deze verantwoordelijkheid vrijwel geheel op de schouders van de assistent in opleiding zal komen te rusten.
5.4 In de beslissing van 2017-132b heeft het College geoordeeld dat geen sprake is van een onjuistheid in de verklaring. Dit houdt in dat ook aan de supervisor geen verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel b is ongegrond.
5.5 Om bovenstaande redenen zal de klachtonderdeel b zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen. Zoals hiervoor reeds overwogen is klager niet-ontvankelijk in zijn klachtonderdeel a.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klager beoogt met zijn beroep zijn klacht in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert tot gegrondverklaring van zijn beroep.
4.2 De dermatoloog heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege zal allereerst ingaan op de ontvankelijkheid van klager in de klachtonderdeel a. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht onder a) gelet op de verjaringstermijn van artikel 65 lid 5 Wet BIG omdat er meer dan 10 jaar is verstreken tussen het behandelcontact van
23 mei 2007 en het indienen van de klacht op 23 mei 2017. Artikel 65 lid 5 Wet BIG bepaalt dat de termijn van verjaring aanvangt op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. In dit geval vangt de verjaringstermijn aan op de dag na het behandelcontact, dit is 24 mei 2007. Dit betekent dat de op 23 mei 2017 ontvangen klacht een dag voor het verstrijken van de verjaringstermijn is ingediend. De termijn van 10 jaar kan klager niet worden tegengeworpen en klager is ontvankelijk in het klachtonderdeel. Het Centraal Tuchtcollege zal dit klachtonderdeel daarom alsnog beoordelen. De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege zal op dit punt worden vernietigd.
4.4 Met klachtonderdeel a) verwijt klager de dermatoloog dat hij als supervisor van de dermatoloog C. medeverantwoordelijk is voor het stellen van de onjuiste diagnose op 23 mei 2007. Uit de stukken, in het bijzonder de brief van C. aan de huisarts van 24 mei 2007, en de toelichting ter zitting in beroep, volgt dat op 23 mei 2007 is gedacht aan een inflammatoire huid/nagel aandoening zoals psoriasis unguium of een lichen planus van de nagels. Omdat klager sinds drie maanden het anti schimmelmiddel Trisporal gebruikte stelde de dermatoloog C. klager voor over drie maanden een nagelkweek te doen waarna eventueel therapie gestart zou kunnen worden, dit om een onychomycose uit te sluiten. De kweek kon niet op dat moment worden afgenomen omdat dit kans zou geven op een vals negatieve uitslag vanwege het gebruik van het medicijn. Klager is na dit consult niet meer teruggekomen in het F..
De dermatoloog heeft klager zelf niet gezien tijdens het consult. Het overleg tussen C. en de dermatoloog heeft tijdens het consult plaatsgevonden en C. was in een gevorderd stadium van de opleiding. C. en de dermatoloog hebben kennelijk geconcludeerd dat het niet nodig was dat de dermatoloog klager zelf zou zien.
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat op 23 mei 2007 geen diagnose is gesteld maar een voorlopige werkdiagnose (een inflammatoire huid/nagel aandoening) waarvoor aanvullend onderzoek noodzakelijk was. Deze werkdiagnose en het daarop ingezette beleid, aan de uitvoering waarvan klager zelf geen vervolg heeft gegeven, ontmoet bij het Centraal Tuchtcollege geen bedenkingen. Dat de dermatoloog klager zelf niet heeft gezien doet hier, gezien de kennis en ervaring van C., niet aan af. Het klachtonderdeel zal dan ook alsnog ongegrond worden verklaard.
4.5 Verder heeft het Centraal Tuchtcollege kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht (onderdelen c tot en met g) en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde schriftelijke en mondelinge debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 27 september 2018 is dat debat voortgezet.
Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.
4.6 Het Centraal Tuchtcollege ziet geen aanleiding de door klager voorgestelde getuigen te horen. Deze getuigen K., L. en M. kunnen uit eigen wetenschap niets over het consult in 2007 verklaren omdat zij daarbij niet aanwezig zijn geweest. Voor zover klager bedoelt deze getuigen als deskundigen te horen acht het Centraal Tuchtcollege dit voor de beoordeling van de zaak niet noodzakelijk omdat het zaaksdossier voldoende gedocumenteerd is en het Centraal Tuchtcollege zich voldoende voorgelicht acht.
4.7 Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beslissing gedeeltelijk
zal worden vernietigd. Het Centraal Tuchtcollege zal, opnieuw rechtdoende, het klachtonderdeel
a alsnog ongegrond verklaren. Voor het overige zal het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de bestreden beslissing ten aanzien van - de ontvankelijkheid van - klachtonderdeel a)
en alsnog beslissende op klachtonderdeel a): verklaart dit klachtonderdeel alsnog ongegrond;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter, L.F. Gerretsen-Visser en
A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en F.M.M. van Exter en R. Willemze, leden-beroepsgenoten en M.W. van Beek, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 8 november 2018.
Voorzitter w.g.
Secretaris w.g.