ECLI:NL:TGZCTG:2014:70 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.166
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2014:70 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-03-2014 |
| Datum publicatie: | 04-03-2014 |
| Zaaknummer(s): | c2013.166 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts. Klager verwijt de arts dat zij hem in een onderhoud tijdens diens verblijf in de instelling waar de arts werkt, onheus heeft bejegend. Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Hoger beroep klager ongegrond. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2013.166 van:
A., verblijvend te Penitentiaire Inrichting B., appellant, klager in eerste aanleg, gemachtigde: C.,
tegen
D., arts, werkzaam te E., verweerster in beide instanties,
gemachtigde: mr. drs. P.A. de Zeeuw, verbonden aan
DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna: klager - heeft op 30 maart 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te
's-Gravenhage tegen D. - hierna: de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van
22 januari 2013, onder kenmerk 2011-056c heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 30 januari 2014, waar klager en de arts zijn verschenen, beiden bijgestaan door hun gemachtigde.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
2.1 Klager is vanaf juli 2009 voor ruim een jaar opgenomen in het F. Psychiatrisch Centrum te E., verder te noemen de instelling, in verband met multidrugsgebruik en een persoonlijkheidsstoornis. Na een kort verblijf op afdeling G. werd klager overgeplaatst naar afdeling H. van voornoemde instelling.
2.2 De arts is in voornoemde hoedanigheid werkzaam in de instelling. Op
11 augustus 2010 beoogde de arts samen met de teamleider van klager, met klager te spreken over een mogelijke intake bij het Centrum van Dienstverlening, verder CVD, met het oog op een plaatsing op een van de locaties aldaar. Langer verblijf van klager in de instelling was niet geïndiceerd noch wenselijk. Mocht klager niet naar het CVD willen, dan zou aan klager een urgentie voor een eigen huis worden aangeboden.
3. De klacht
Zakelijk weergegeven verwijt klager de arts dat zij hem op 11 augustus 2010 onheus heeft bejegend in een onderhoud tijdens diens verblijf op de afdeling H. van de instelling.
4. Het standpunt van de arts
De arts heeft haar contact met klager op 11 augustus 2010 toegelicht en betwist dat zij tijdens dit onderhoud tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5. De beoordeling
De arts heeft de stelling van klager gemotiveerd betwist. Nu klager, ondanks verzoeken daartoe van degene die door de voorzitter is aangewezen om het vooronderzoek te verrichten, voorts heeft nagelaten om zijn stelling bij repliek nader te onderbouwen of in te gaan op het verweer van de arts en evenmin de mogelijkheid heeft benut om in het vooronderzoek nader gehoord te worden, is het verwijt jegens de arts daarom niet komen vast te staan.
Het College heeft ook overigens geen aanwijzingen dat de arts bij de uitvoering van zijn taken tekort geschoten is in de zorg ten opzichte van klager. Het College zal de klacht als kennelijk ongegrond afwijzen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder “2. De feiten” van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1 Klager heeft in hoger beroep zijn klacht herhaald en nader toegelicht. Klager concludeert, naar het Centraal Tuchtcollege begrijpt, tot gegrondverklaring van zijn klacht.
4.2 De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.3 De behandeling in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. P.J. Wurzer en
mr. A. Smeeing-van Hees, leden-juristen en drs. A.C.L. Allertz en drs. M. Drost, leden- beroepsgenoten en mr. M.H. van Gool, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van
4 maart 2014. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.