ECLI:NL:TGZCTG:2014:7 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2012.473
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2014:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-01-2014 |
| Datum publicatie: | 16-01-2014 |
| Zaaknummer(s): | c2012.473 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Verweerder, gz-psycholoog, is gedurende ca. 6 maanden (in 2006/2007) bij de behandeling van klager betrokken geweest. Het contact heeft voornamelijk bestaan uit telefoongesprekken. Klager verwijt verweerder dat hij: 1. Klager heeft uitgescholden; 2. Zonder klager toestemming contact over klager heeft opgenomen met de UWV-arts; 3. Onzorgvuldig heeft gehandeld rondom de doorverwijzing naar de afdeling autisme, door deze verwijzing te laat te doen en door klager te melden dat de afdeling autisme zou gaan sluiten. RTG Amsterdam: Klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het CTG verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2012.473 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., gezondheidszorgpsycholoog, destijds werkzaam te D.,
verweerder in beide instanties, gemachtigde mr. K.T.B. Salomons.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 21 december 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te
’s-Gravenhage tegen C. - hierna de psycholoog - een klacht ingediend. De klacht is doorverwezen naar het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam. Bij beslissing van
2 oktober 2012, onder nummer 12/050, heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen.
De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd, maar niet gevoegd, met de zaken C2013.095, C2013.093, C2012.470, C2013.096 en C2013.097 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 14 november 2013, waar zijn verschenen klager en de psycholoog, bijgestaan door mr. K.T.B. Salomons.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1 Klager is vanaf 14 februari 2006 onder behandeling geweest bij het Centrum voor Arbeidsgerelateerde problemen (CAP) dat later PsyQbusiness werd. Het CAP - en later PsyQbusiness- zijn onderdeel van de ParnassiaBavogroep. Verweerder is als GZ-psycholoog werkzaam bij voornoemd onderdeel.
2.2 Bij klager is op 20 maart 2006 de (voorlopige) conclusie gesteld: “Voorlopige conclusie: - patiënt is nauwelijks gepersonaliseerd; - veel gegevens over de voorgeschiedenis/levensloop ontbreken. – geen aanwijzing voor psychotische symptonen; waarschijnlijk is er sprake van een ontwikkelingsstoornis”
2.3 Verweerder is in de periode van 15 augustus 2006 tot en met 19 februari 2007 als gezondheidszorgpsycholoog bij de behandeling van klager betrokken geweest. Het contact tussen klager en verweerder bestond, op verzoek van klager, voornamelijk uit telefoongesprekken. De gesprekken waren gericht op praktische begeleiding bij het vinden van een geschikte dagbesteding door klager, zoals het starten van een opleiding of het verrichten van werkzaamheden. Deze dagbesteding was noodzakelijk om klager zoveel mogelijk sociaal te activeren. Daarnaast is er gesproken over de ingediende doorverwijzing naar de afdeling autisme. Klager stond op de wachtlijst voor een plaats op deze afdeling.
2.4 Op 19 februari 2007 is de behandelrelatie tussen klager en verweerder beëindigd in verband met het vertrek van verweerder. De behandeling wordt door een andere gezondheidszorgpsycholoog voortgezet.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk samengevat in dat door verweerder niet naar behoren is behandeld. Naar uit zijn stellingen valt af te leiden, verwijt klager verweerder dat (1) hij klager heeft uitgescholden, (2) hij zonder klagers toestemming contact over klager heeft opgenomen met de UWV-arts en (3) hij onzorgvuldig heeft gehandeld rondom de doorverwijzing naar de afdeling autisme, door deze doorverwijzing te laat te doen en door klager te melden dat de afdeling autisme zou gaan sluiten.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het klaagschrift en de daarin geformuleerde klachtonderdelen zijn nauwelijks feitelijk, concreet en inhoudelijk onderbouwd. Voor zover de klacht inhoudt dat verweerder klager heeft uitgescholden, overweegt het college het volgende. Noch uit het klaagschrift, noch uit de repliek blijkt wanneer en op welke wijze klager door verweerder zou zijn uitgescholden. Mede gelet op het feit dat verweerder zowel in zijn verweerschrift als in zijn dupliek betwist dat hij klager heeft uitgescholden, wordt geoordeeld dat de grondslag voor de klacht onvoldoende is komen vast te staan.
Dit eerste klachtonderdeel is daarom ongegrond.
5.2 Uit de verslaglegging van het telefonisch consult op 3 oktober 2006 blijkt dat tussen verweerder en klager is gesproken over het traject bij het UWV. Aannemelijk is dat klager na dit contact met verweerder, op de hoogte was van het feit dat verweerder over klager contact op zou nemen met de arts van het UWV. Dit oordeel wordt onderschreven door de verslaglegging van het telefonisch consult van
20 november 2006, waaruit blijkt dat klager geïrriteerd reageerde op het feit dat nog geen contact tot stand was gekomen tussen verweerder en de betreffende arts van het UWV. Dit maakt evenzeer aannemelijk dat klager eerder heeft ingestemd met dit contact. Het college verklaart het tweede klachtonderdeel derhalve ongegrond.
5.3 Niet is gebleken dat verweerder een verwijt gemaakt kan worden met betrekking tot deze doorverwijzing of het moment waarop de doorverwijzing is ingediend. Het feit dat er onzekerheid was over het voortbestaan van de afdeling, alsmede de lange wachtlijsten voor deze afdeling, kan niet aan verweerder worden tegengeworpen. Verweerder heeft niet onjuist gehandeld door klager te informeren over deze onzekerheid en de wachttijd. Het college verklaart het derde klachtonderdeel daarom ongegrond.
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is en zonder verder onderzoek in raadkamer zal worden afgewezen.
Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten:
Klager is sinds zijn jeugd bekend bij de GGZ en werd in februari 2006 door zijn huisarts verwezen naar Parnassia vanwege slaapproblemen en moeite om zijn leven op orde te krijgen.
Via de Centrale Aanmelding van Parnassia is klager doorverwezen naar het Centrum voor Arbeid en Psyche (CAP), later genaamd PsyQbusiness. Op 22 februari 2006 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden door mevrouw E., gezondheidszorgpsycholoog in opleiding, en op 20 maart 2006 een psychiatrisch consult bij de heer F., psychiater. Naar aanleiding van het psychiatrisch consult heeft de heer F. medicatie voorgeschreven en is hij tot de volgende voorlopige conclusie gekomen:
“-pat is nauwelijks gepersonaliseerd
-veel gegevens over de voorgeschiedenis/levensloop ontbreken
-geen aanwijzingen voor psychotische symptomen
-waarschijnlijk is er sprake van een ontwikkelingsstoornis
Ook gezien het sociale isolement zou een vorm van dagbehandeling gewenst zijn.”
Klager is vervolgens ingeschreven bij de dagbehandeling van het Centrum Persoonlijkheidsproblematiek (CPP). Hij heeft daar ingeschreven gestaan vanaf 3 juli 2006 tot 18 september 2006. Klager is niet in behandeling gekomen bij het CPP en terugverwezen naar het CAP. In de periode van 20 maart 2006 tot en met15 januari 2007 heeft klager meerdere telefonische en persoonlijke consulten gehad bij de psychiater F.. Op 28 april 2006 is geconstateerd dat klager is gestopt met de voorgeschreven medicatie. Vanaf half augustus 2006 tot 19 februari 2007 is klager begeleid door de psycholoog, werkzaam bij de afdeling CAP. De psycholoog heeft in deze periode contact gehad met de UWV-arts. Ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep heeft klager erkend hiervoor mondeling toestemming te hebben gegeven.
In of omstreeks mei 2007 is klager verwezen naar de afdeling Autisme Spectrum Stoornissen. Op 16 mei 2007 heeft klager aan mevrouw G, verpleegkundige op de afdeling Autisme Spectrum Stoornissen, meegedeeld af te zien van behandeling op die afdeling. Naar aanleiding van een telefoongesprek op 11 oktober 2007 heeft mevrouw G. de situatie van klager op 16 oktober 2007 besproken in de patiëntenvergadering op haar afdeling, waarna is besloten dat klager voor verder persoonlijkheidsonderzoek zou worden aangemeld bij de afdeling PsyQ Onderzoek en Advies. Klager heeft hiermee ingestemd.
Op 24 oktober 2007 heeft mevrouw H., gezondheidszorgpsycholoog, een persoonlijkheidsonderzoek verricht bij klager, waarna op 27 december 2007 een adviesgesprek heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van de uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek is klager door mevrouw G. op 21 december 2007 verwezen naar de afdeling Leggelostraat. Tot een intake op deze afdeling is het niet gekomen.
In januari 2008 is klager door de afdeling Leggelostraat aangemeld bij het Centrum Eerste Psychose (ACEP) voor diagnostiek. Mevrouw I., coördinerend sociaal psychiatrisch verpleegkundige en verantwoordelijk voor nieuwe aanmeldingen binnen ACEP, heeft met klager contact gehad over een intakegesprek. Het intakegesprek vond op 25 januari 2008 plaats met de heer J., psychiater en afdelingshoofd ACEP, en de heer K., verpleegkundige bij ACEP. Nadat klager op 29 januari 2008 had ingestemd met behandeling bij ACEP, is mevrouw L. als behandeld psychiater van klager aangewezen en de heer K. als coördinerend behandelaar. In februari 2008 heeft de heer K. vier telefonische en twee persoonlijke gesprekken met klager gevoerd. De rol van de heer K. als coördinerend behandelaar is op 20 februari 2008 geëindigd, nadat een gesprek tussen de heer K. en klager was geëscaleerd. Mevrouw L. heeft in de periode van 6 februari 2008 tot en met 16 april 2008 meerdere telefonische en persoonlijke contacten gehad met klager.
De heer J. heeft op 25 en 26 februari 2008, als waarnemer van mevrouw L., telefonisch contact gehad met klager.
Op 15 april 2008 werd klager gedwongen opgenomen op grond van de BOPZ.
4. Beoordeling van het hoger beroep
Procedure
4.1 Klager beoogt met zijn beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd komt in de kern neer op een herhaling van de stellingen die hij reeds in eerste aanleg heeft geuit.
4.2 De psycholoog heeft ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
4.3 Op basis van het onderhavige dossier en hetgeen het Centraal Tuchtcollege bekend is geworden uit andere door klager aanhangig gemaakte tuchtzaken die gelijktijdig met onderhavige zaak ter zitting zijn behandeld, komt het Centraal Tuchtcollege tot de algemene conclusie dat, vanaf het moment dat de indruk bestond dat er sprake was van complexe problematiek bij klager, het rondom de contacten tussen klager en Parnassia heeft ontbroken aan centrale coördinatie/case management vanuit de organisatie van Parnassia. Vervolgens moet worden bezien of de psycholoog daarvan persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat voorbijgegaan wordt aan de grieven van klager omtrent de behandeling van zijn klacht in eerste aanleg, nu de zaak in hoger beroep volledig opnieuw is behandeld.
4.5 Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, als gevolg waarvan het niet mogelijk is in hoger beroep nieuwe klachten op te werpen die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest. Het Centraal Tuchtcollege beperkt zich derhalve tot de in eerste aanleg aan de orde gestelde klachten en verwijst hiervoor naar de door het Regionaal Tuchtcollege in de beslissing waarvan beroep onder 3. geformuleerde klachten. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het hoger beroep en zullen derhalve buiten beschouwing worden gelaten.
4.6 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel van klager, inhoudende dat de psycholoog hem zou hebben uitgescholden, heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft en neemt over hetgeen het Regionaal Tuchtcollege hieromtrent in de beslissing waarvan beroep heeft overwogen onder overweging 5.1. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
4.7 Het tweede klachtonderdeel heeft betrekking op het door de psycholoog opgenomen contact met de UWV-arts. Het Centraal Tuchtcollege is met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat uit de verslaglegging van de telefonische consulten van 3 oktober 2006 en 20 november 2006 is af te leiden dat klager van het contact tussen de psycholoog en de UWV- arts op de hoogte was. Het Centraal Tuchtcollege neemt over hetgeen het Regionaal Tuchtcollege hieromtrent heeft overwogen onder overweging 5.2. en voegt hieraan toe dat klager, zoals hiervoor reeds onder de feiten is weergegeven, ter gelegenheid van de zitting in hoger beroep heeft erkend mondeling toestemming te hebben gegeven voor dit contact. Dit klachtonderdeel is derhalve eveneens ongegrond.
4.8. Het derde klachtonderdeel betreft de handelwijze van de psycholoog rondom de doorverwijzing van klager naar de afdeling Autisme Spectrum Stoornissen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft en neemt over hetgeen het Regionaal Tuchtcollege hieromtrent in de beslissing waarvan beroep heeft overwogen onder overweging 5.3. Ter zitting in hoger beroep is het Centraal Tuchtcollege bovendien gebleken dat de psycholoog klager op de hoogte heeft gesteld van zijn vertrek bij de afdeling CAP. Als gevolg van het vertrek van de psycholoog is de behandelrelatie met klager op 19 februari 2007 geëindigd en is het faciliteren van de verwijzing overgedragen aan een collega van de psycholoog. Ook het derde klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
4.9 Gelet op het vorenoverwogene wordt het beroep verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. P.J. Wurzer, leden juristen en drs. R.M.H. Schmitz en Prof.dr. M.J.M. van Son, leden beroepsgenoten en mr. J. van den Hoven, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van
16 januari 2014. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
.