ECLI:NL:TGZCTG:2014:69 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.165

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2014:69
Datum uitspraak: 04-03-2014
Datum publicatie: 04-03-2014
Zaaknummer(s): c2013.165
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen psychiater. Klager verwijt de psychiater dathij slechte zorg heeft verleend, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld inzake klagers verblijf in de instelling waar de psychiater werkt en het plegen van valsheid in geschrifte inzake de CIZ indicatie. Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Hoger beroep klager ongegrond.

 

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2013.165 van:

A., verblijvend te Penitentiaire Inrichting B.,

appellant, klager in eerste aanleg, gemachtigde: C.,

tegen

D., psychiater, werkzaam te E., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. drs. P.A. de Zeeuw, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna: klager - heeft op 30 maart 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te 's-Gravenhage tegen D. - hierna: de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 22 januari 2013, onder kenmerk 2011-056a heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De psychiater heeft een verweer­schrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tucht­college van 30 januari 2014, waar klager en de psychiater zijn verschenen, beiden bijgestaan door hun gemachtigden.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

2. De feiten

2.1       Klager is vanaf juli 2009 voor ruim een jaar opgenomen in het F.- Psychiatrisch Centrum te E., verder te noemen de instelling, in verband met multidrugsgebruik en een persoonlijkheidsstoornis. Na een kort verblijf op afdeling G. werd klager overgeplaatst naar afdeling H. van voornoemde instelling.

2.2       De arts, die als psychiater verbonden is aan de instelling, heeft als hoofdbehandelaar vijf keer met klager gesproken. Daarnaast heeft de arts voornamelijk in een superviserende rol ten behoeve van het afdelingsteam gehandeld.

3. De klacht

Zakelijk weergegeven verwijt klager de arts slechte zorg verleend te hebben, tuchtrechtelijk verwijtbaar te hebben gehandeld inzake klagers verblijf op afdeling H. en het plegen van valsheid in geschrifte inzake de CIZ indicatie.


4. Het standpunt van de arts

De arts die zijn betrokkenheid bij de behandeling van klager, zijn taken en de doelen daarvan uitgebreid heeft toegelicht, stelt zich primair op het standpunt dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht en betwist subsidiair alle voornoemde klachtonderdelen.

5. De beoordeling

Met betrekking tot het beroep op de niet-ontvankelijkheid van klager is het College van oordeel dat klager onder de gegeven omstandigheden op afdoende wijze de feiten en gronden in zijn klaagschrift heeft toegelicht en derhalve kan worden ontvangen in zijn klacht.

Vervolgens is het College van oordeel dat de arts de stellingen van klager gemotiveerd heeft betwist. Nu klager, ondanks verzoeken daartoe van degene die door de voorzitter is aangewezen om het vooronderzoek te verrichten, voorts heeft nagelaten zijn stellingen bij repliek nader te onderbouwen of in te gaan op het verweer van de arts en evenmin de mogelijkheid heeft benut om in het vooronderzoek nader gehoord te worden, is het verwijt jegens de arts niet vast komen te staan. Het College heeft ook overigens geen aanwijzingen dat de arts bij de uitvoering van zijn taken tekort geschoten is in de zorg ten opzichte van klager.

Het College zal de klacht als kennelijk ongegrond afwijzen.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder “2. De feiten” van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet is bestreden.

4.         Beoordeling van het hoger beroep

4.1 Klager heeft in hoger beroep zijn klacht herhaald en nader toegelicht. Klager concludeert, naar het Centraal Tuchtcollege begrijpt, tot gegrondverklaring van zijn klacht.

4.2 De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3 Klager heeft ook in hoger beroep klachten geuit met betrekking tot zijn verblijf in de instelling. Het verwijt dat hij de psychiater maakt heeft hij niet gesubstantieerd. Evenals het Regionaal Tuchtcollege is ook het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de psychiater tekort is geschoten in de zorg ten opzichte van klager. Gelet hierop heeft de behandeling in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. P.J. Wurzer en

mr. A. Smeeing-van Hees, leden-juristen en drs. A.C.L. Allertz en drs. M. Drost, leden- beroepsgenoten en mr. M.H. van Gool, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van

4 maart 2014.             Voorzitter   w.g.                     Secretaris w.g.