ECLI:NL:TGZCTG:2014:68 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.128

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2014:68
Datum uitspraak: 04-03-2014
Datum publicatie: 04-03-2014
Zaaknummer(s): c2013.128
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klaagster is met klachten aan haar rechterheup (ontstaan na een val van een trapje 2,5 jaar eerder) bij de aangeklaagde fysiotherapeut, onder behandeling gekomen. Na twee series van vier behandelingen heeft klaagster zich tot een orthopedisch chirurg gewend waarna drie maanden later een heupprothese bij klaagster is geplaatst. Klaagster verwijt de fysiotherapeut - zakelijk weergegeven - dat hij haar ten onrechte heeft voorgehouden dat zij na 4 à 5 behandelingen van haar klachten af zou zijn, onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld waardoor haar klachten zijn verergerd en geen uitleg heeft gegeven over de uitgevoerde behandelingen. Het RTG de klacht ongegrond verklaard en afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klaagster verworpen.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

vo or de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2013.128 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., fysiotherapeut, werkende  te B., verweerder  in beide instanties, gemachtigde: mr. M. Christe, advocaat te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klaagster - heeft op 5 maart 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen fysiotherapeut C. - hierna de fysiotherapeut - een klacht ingediend. Bij beslissing van 21 december 2012, onder nummer F2012/01 heeft dat College de klacht ongegrond verklaard en afgewezen.

Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De fysiotherapeut heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 9 januari 2014, waar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar echtgenoot alsmede de fysiotherapeut, bijgestaan door mr. M. Christe voornoemd.

De zaak is over en weer door partijen bepleit. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

2.1       De in eerste aanleg vastgestelde feiten.

            “2. Vaststaande feiten

            Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten,

            die tussen partijen als niet of onvoldoende betwist vaststaan.

            2.1

Klaagster is op 12 oktober 2008 van een trapje gevallen waarbij ze op haar rechterbeen en -bil terecht kwam, waarna zij rugklachten ontwikkelde en een verkrampte bilspier. Ze wendde zich vervolgens tot een fysiotherapeut respectievelijk een chiropractor zonder dat de behandelingen tot het gewenste resultaat hebben geleid.

2.2

Op 15 april 2011 wendde klaagster zich voor het eerst tot verweerder. Hij constateerde een zeer beperkte adductie (beweging van het gewricht) in de rechterheup en een verstoorde neurodynamica in de heupregio, mogelijk als gevolg van coxartrose (gewrichtsartrose in de heup).

2.3

Verweerder stelde een behandelplan op dat tot een volledige hervatting van de ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen) binnen twee maanden zou moeten leiden. De eerste vier behandelingen vonden plaats op 29 april, 6 mei, 13 mei en 10 juni 2011. Op deze laatste datum vond er een evaluatie plaats, tijdens welke werd vastgesteld dat het doel niet behaald was. De behandeling werd tijdelijk stopgezet en klaagster ging weer terug naar haar huisarts. Uiteindelijk vonden er daarna nog vier behandelingen plaats door verweerder, te weten op 20 en 28 juli en op 3 en 10 augustus 2011.

2.4 

Op 9 augustus 2011 werd klaagster onderzocht in het D.-Ziekenhuis door een orthopedisch chirurg. Geconstateerd werd een zeer forse coxartrose en een reeds beginnend botverlies van het acetabulum (de heupkom). De chirurg raadde een heupvervangende operatie aan. Op 25 november 2011 werd bij klaagster operatief een heupprothese geplaatst.”

2.2       De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden het volgende in.

“3. De klacht

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3.1 Klachtonderdeel A

Klaagster stelt dat verweerder haar ten onrechte heeft voorgehouden dat ze na een vier- à vijftal behandelingen van haar klachten af zou zijn. In plaats daarvan ging het alleen maar slechter en werd haar rechterbeen korter doordat de kop van de heup steeds verder naar binnen (in de kom) werd geduwd. Ook heeft verweerder geen rekening gehouden met het feit dat ze fijne spieren en botten heeft, zoals ze hem had verteld. De behandeling was volgens klaagster bovendien niet geschikt voor een patiënt van haar leeftijd (klaagster is geboren in het jaar 1944). Klaagster is van mening dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld jegens haar en dat ze ten gevolge daarvan een nieuwe heup nodig had.

3.2 Klachtonderdeel B

Klaagster verwijt verweerder achteraf wijzigingen in het patiëntendossier te hebben aangebracht.

In dit dossier staat namelijk op verschillende plaatsen ten onrechte dat zij zou hebben gezegd dat het goed dan wel redelijk met haar ging. In werkelijk, zo betoogt klaagster, ging het alleen maar slechter.

3.3 Klachtonderdeel C

Tijdens het mondeling vooronderzoek maakt klaagster het verwijt dat zij geen uitleg zou hebben gekregen over de door verweerder uitgevoerde behandelingen.

4. Het verweer

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

4.1 Ten aanzien van klachtonderdeel A

Nadat klaagster zich in 2011 tot verweerder had gewend, heeft verweerder verschillende tests afgenomen en op basis van de bevindingen een behandelplan opgesteld, bestaande uit onder meer een gap manipulatie met high velocity thrust (low amplitude) om het glijden van het zenuwweefsel rondom de rechterheup te bevorderen en de Dry needling-methode, waarbij met een naald in spierknopen wordt geprikt ter vermindering van de spierspanning, om haar bilspieren te behandelen. Klaagster ging hiermee akkoord. Op 10 juni 2011 bleek, aldus verweerder, voor het eerst dat zij veel pijn had in haar rechterheup en moeilijk kon lopen. Aangezien dit onveranderd bleef, heeft verweerder haar op 20 juli 2011 aangeraden naar haar huisarts te gaan. Klaagster wilde zelf dat de behandeling door verweerder werd voortgezet. Hierna leek het wat beter te gaan. Vervolgens is klaagster op een later moment wel naar haar huisarts gegaan. Zij werd toen doorverwezen naar een orthopedisch chirurg.

In november 2011, nadat de behandelingen bij verweerder al gestopt waren, zocht klaagster wederom contact met verweerder en vertelde dat ze een heupoperatie moest ondergaan. Ze verzocht verweerder om schadevergoeding, wat hem bevreemdde, omdat de behandelingen steeds in goede harmonie hadden plaatsgevonden.

Wat betreft het feit dat klaagster fijne botten en spieren heeft, merkt verweerder op dat dit geen contra-indicatie oplevert voor de behandeling die hij had ingezet. Hetzelfde geldt voor haar leeftijd. Naar de mening van verweerder is er ook overigens geen aanleiding om te veronderstellen dat hij in medisch-technisch opzicht onjuist beleid heeft gevoerd. De door hem uitgevoerde behandelingen hebben niet geleid tot coxartrose bij klaagster. Het feit dat bij klaagster uiteindelijk een heupvervangende operatie is uitgevoerd, valt hem dan ook niet te verwijten.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel B

Verweerder ontkent veranderingen in het patiëntendossier van klaagster te hebben aangebracht.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel C

Verweerder geeft altijd eerst uitleg over de behandelingen en wijst op het klaagschrift waarin klaagster aangeeft met de behandelingen te hebben ingestemd.”

2.3       Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“5. Beoordeling van de klacht

5.1

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2 Klachtonderdeel A

Aangaande dit klachtonderdeel overweegt het College als volgt. Het is niet aannemelijk dat de bij klaagster geconstateerde coxartrose het gevolg zou zijn van de behandeling zoals die door verweerder is uitgevoerd. De hiermee samenhangende pijnklachten kunnen weliswaar door de fysiotherapie (enigszins) verergerd zijn, waardoor het probleem zich heeft geopenbaard gedurende en/of vlak na de behandelingen door verweerder. Dit neemt echter niet weg dat niet goed valt in te zien hoe de verrichte fysiotherapie de coxartrose zou kunnen hebben veroorzaakt. De coxartrose was naar alle waarschijnlijkheid, wat verweerder ook al vermoedde blijkens zijn vastgelegde analyse op 15 april 2011, al aanwezig voordat klaagster zich tot verweerder wendde.

Alles in samenhang bezien heeft verweerder als ‘redelijk handelend beroepsbeoefenaar’ op basis van het door hem verrichte onderzoek, zijn deskundigheid en de door hem gedocumenteerde bevindingen tot de onderhavige werkdiagnose en het behandelplan mogen komen. Het bovengaande leidt tot de conclusie dat de heupvervangende operatie die klaagster heeft ondergaan niet het gevolg is van de behandeling die door verweerder is verricht. Dit klachtonderdeel is zal ongegrond worden verklaard.    

5.3 Klachtonderdeel B

Aangaande de gestelde wijzigingen die verweerder volgens klaagster heeft aangebracht in haar elektronisch patiëntendossier, geldt het volgende. Ter zitting heeft klaagster aangegeven dat zij deze stelling enkel baseert op het feit dat de verslaglegging door verweerder niet overal overeenstemt met haar beleving van wat er is gezegd. Klaagster stelt niet daadwerkelijk te hebben geconstateerd dat er passages in het patiëntendossier staan die niet overeenstemmen met wat daar op een eerder moment werd vermeld, aangezien klaagster de betreffende verslaglegging niet eerder heeft gelezen. Dit klachtonderdeel heeft klaagster ter zitting ingetrokken. Nu het College ook geen aanleiding ziet de behandeling van dit klachtonderdeel ambtshalve voort te zetten, zal hieraan verder voorbij worden gegaan.

5.4 Klachtonderdeel C

Dat verweerder geen uitleg heeft gegeven voorafgaande aan zijn behandelingen acht het College niet aannemelijk. Het dossier vermeldt immers het verslag van de intake (anamnese en onderzoek) waarbij ook de verwachtingen van klaagster ten aanzien van de behandelingen, uitleg daarover en verkregen toestemming dienaangaande zijn vermeld. Klaagster vermeldt bovendien in het klaagschrift dat zij instemde met de behandeling onder het motto: ‘Baat het niet, dan schaadt het niet’. Dit klachtonderdeel faalt derhalve.

6. Slotsom

Gezien het voorgaande dient de klacht, voor zover deze niet is ingetrokken, ongegrond te worden verklaard.“

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het hoger beroep

Procedure.

4.1 In hoger beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht. Zij concludeert tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot het opleggen van een passende maatregel.

4.2 De  fysiotherapeut heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Hij verzoekt het beroep te verwerpen en de beslissing waarvan beroep, zo nodig met aanvulling en verbetering van de gronden, te bevestigen.

Beoordeling van het hoger beroep.

4.3 Wat betreft klachtonderdeel A overweegt het Centraal Tuchtcollege het navolgende. Evenals het Regionaal Tuchtcollege wijst het Centraal Tuchtcollege er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

4.4  In hoger beroep stelt klaagster - zakelijk weergegeven - dat haar fysieke problemen met haar heup veroorzaakt dan wel verergerd zijn door de behandeling door de fysiotherapeut. In het verlengde hiervan stelt klaagster dat de fysiotherapeut haar had moeten weigeren te behandelen toen hij uit onderzoek een minimale coxartrose aan haar rechter been had vastgesteld. Anders dan de fysiotherapeut stelt, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat dit geen uitbreiding of aanvulling betreft van haar oorspronkelijke klacht maar dat dit verwijt reeds besloten lag in haar oorspronkelijke klacht. Dit aspect kan derhalve in de beoordeling in hoger beroep worden betrokken.

4.5 Bij de beoordeling van het handelen van de fysiotherapeut betrekt het Centraal Tuchtcollege de KNFG- richtlijn “Artrose heup-knie “. Uit deze richtlijn blijkt (onder meer) dat coxartrose op zichzelf geen contra-indicatie is voor (manueel) fysiotherapeutische behandelingen. Wat betreft de behandeling van klaagster door de fysiotherapeut is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de fysiotherapeut bij zijn lichamelijk onderzoek van klaagster terecht fysiotherapeutisch behandelbare lichamelijke klachten heeft gevonden.  Blijkens het patiëntdossier (zie onder kopje: Aanmelding zonder verwijzing) waren er geen rode vlaggen (d.w.z. patronen van symptomen of waarschuwingssignalen die kunnen wijzen op min of meer ernstige pathologie, die aanvullende medische diagnostiek vereisen) aanwezig (zie genoemde Richtlijn onder B.2) en behoefde de huisarts derhalve bij aanvang van de behandeling niet geïnformeerd te worden. Voorts constateerde de fysiotherapeut in zijn diagnose (zie onder kopje analyse) dat er sprake was van een verstoorde neurodynamica bij fors beperkte heup mogelijk als gevolg van coxartrose (zie ook zijn verslag aan de huisarts van klaagster van 10 augustus 2011). Dit impliceert dat de fysiotherapeut deze mogelijke oorzaak van de lichamelijke klachten heeft onderkend en daar ook rekening mee heeft gehouden. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt dan ook de stelling van klaagster dat de fysiotherapeut de behandeling had moeten weigeren toen hij (minimale) coxartrose aan het rechterbeen had vastgesteld.

Voorts is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de fysiotherapeut bij de fysiotherapeutische behandeling van klaagster geheel is gebleven binnen de bandbreedte van genoemde Richtlijn. Het Centraal Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen dat de geconstateerde coxartrose is ontstaan door de behandeling door de fysiotherapeut of hierdoor in ernstige mate is verergerd. Het Centraal Tuchtcollege acht veeleer aannemelijk dat de beginnende coxartrose zoals geconstateerd door revalidatiearts Vos in maart 2009 zich in de daaropvolgende twee jaren in negatieve zin heeft ontwikkeld.

De stelling van klaagster dat de behandeling van de fysiotherapeut ertoe heeft geleid dat haar rechterbeen vijf centimeter korter is geworden doordat het been  door de fysiotherapeut in de kom is geduwd,  heeft klaagster onvoldoende onderbouwd. Noch uit de door klaagster overgelegde röntgenfoto’s, noch uit het bericht van revalidatiearts E. aan de huisarts van 4 maart 2009 kan deze conclusie worden getrokken. Dat de behandelingen van de fysiotherapeut kunnen hebben geleid tot de uiteindelijk bij klaagster uitgevoerde heupvervangende operatie acht het Centraal Tuchtcollege evenmin aannemelijk. Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege dan ook van oordeel dat de fysiotherapeut op basis van het door hem verrichte onderzoek en de door hem gedocumenteerde bevindingen tot de onderhavige werkdiagnose en behandelplan had mogen komen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de fysiotherapeut in medisch technisch opzicht niet een juist beleid heeft gevoerd. Ook de leeftijd van klaagster alsmede haar fijne botten- en spierenstelsel leverden, wat hier verder ook van zij, in ieder geval ook geen contra-indicatie op voor de door de fysiotherapeut gegeven behandeling.  Deze grieven van klaagster dienen derhalve te worden verworpen.

4.6 Tegen de verwerping van klachtonderdeel B is in het beroepschrift geen grief gericht en wat klachtonderdeel C betreft heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg.

4.7 Gelet op het bovenstaande dient het beroep te worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter,

mr. G.P.M. van den Dungen en mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en

F.P.A.J. Klomp en drs. J. Slooten, leden-beroepsgenoten en mr. H.J. Lutgert, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 maart 2014.

                        Voorzitter   w.g.                                 Secretaris w.g.