ECLI:NL:TGZCTG:2014:67 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2013.112

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2014:67
Datum uitspraak: 04-03-2014
Datum publicatie: 04-03-2014
Zaaknummer(s): c2013.112
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Klager is de vader van een minderjarige zoon. Op verzoek van de moeder, die het gezag over de minderjarige uitoefent en op advies van de school is het kind onderzocht met de vraag of sprake kon zijn van een Autisme Spectrum Stoornis (ASS). Klager verwijt de aangeklaagde gz-psycholoog : 1. Dat de gz-psycholoog naar een diagnose heeft toegeschreven door het stelselmatig toevoegen van belastende informatie en het achterhouden van informatie; 2. De gz-psycholoog heeft onvoldoende informatie verstrekt over de behandeling en heeft gelogen, onder meer tegen de klachtencommissie. RTG Eindhoven: wijst de klacht als kennelijk ongegrond af. Het hoger beroep van klager richt zich tegen de ongegrondverklaring door het Regionaal Tuchtcollege van het eerste klachtonderdeel. Het CTG verwerpt het beroep.

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2013.112 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., gz-psycholoog, werkzaam te D., verweerster in beide instanties, gemachtigde mr. A.B. Noordhof.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 4 juni 2012 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen C. - hierna de psycholoog - een klacht ingediend. Bij beslissing van 30 januari 2013, onder nummer 1285, heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De psycholoog heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 16 januari 2014, waar is verschenen de psycholoog, bijgestaan door mr. A.B. Noordhof. Klager heef voorafgaand aan de zitting laten weten niet op de zitting te zullen verschijnen. Mr. A.B. Noordhof heeft de standpunten van de psycholoog toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Klager is de vader van de minderjarige E., hierna te noemen: de minderjarige. Op verzoek van de moeder, die het gezag over de minderjarige uitoefent, en op advies van de school heeft verweerster de minderjarige op 16 mei 2011 onderzocht met de vraag of sprake kon zijn van een Autisme Spectrum Stoornis (ASS). In 2009 had verweerster hem al onderzocht vanwege gedragsproblemen. Uit dat onderzoek waren informatie-verwerkingsproblemen naar voren gekomen en er was sprake van loyaliteits-problemen van de minderjarige ten opzichte van zijn vader en zijn moeder. In het onderzoek van mei 2011 heeft verweerster vastgesteld dat de voornoemde problemen nog steeds bestonden. Op grond van deze voortdurende loyaliteitsproblemen en de niet eenduidig te interpreteren onderzoeksresultaten van de door haar gebruikte onderzoeksinstrumenten stelt verweerster in de conclusie van het rapport onder andere:

“Het blijft moeilijk om de diagnose ASS te stellen aangezien hij nu, evenals bij het vorige onderzoek, klem zit in zijn loyaliteit naar zijn ouders. Gezien de forse informatieverwerkingsproblemen is het goed hem te begeleiden thuis en op school als een kind met ASS. Hij is gebaat bij een zelfde duidelijke structuur en op hem afgestemde informatie.”

Verweerster heeft ten behoeve van het onderzoek informatie gevraagd en verkregen van de moeder, zij heeft informatie gevraagd aan de vader en zij heeft informatie verkregen van de school.

3. Het standpunt van klager en de klacht

De klacht kent twee onderdelen.

1.               Verweerster heeft naar een diagnose toegeschreven door het stelselmatig toevoegen van belastende informatie en het achterhouden van informatie.

2.               Verweerster heeft onvoldoende informatie verstrekt over de behandeling en heeft gelogen, onder meer tegen de klachtencommissie. Zo heeft zij een termijn genoemd van twee weken, die achteraf niet juist was.

4. Het standpunt van verweerster

Op het verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. De overwegingen van het college

Ad 1.

Verweerster heeft, zoals uit bovengenoemd citaat uit het rapport blijkt, in haar rapport geen diagnose gesteld. Alleen al op deze grond moet dit onderdeel van de klacht worden afgewezen. Overigens overweegt het college dat niet is gebleken dat verweerster stelselmatig belastende informatie heeft toegevoegd dan wel informatie heeft achtergehouden.

Ad 2

Dat verweerster jegens klager in haar informatieverplichtingen is tekortgeschoten, is voor het college niet komen vast te staan. Evenmin is komen vast te staan dat zij heeft gelogen.

Als verweerster heeft gezegd dat zij de door klager genoemde testen zou afnemen, is dit correct. Het enkele feit dat een door haar genoemde termijn van twee weken voor het uitbrengen van het rapport niet werd gehaald, maakt deze mededeling nog niet tot een leugen.

De klacht is kennelijk ongegrond.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het hoger beroep

Procedure

4.1       Het hoger beroep van klager richt zich tegen de ongegrondverklaring door het Regionaal Tuchtcollege van het eerste klachtonderdeel. Hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd komt in de kern neer op een herhaling van de stellingen die hij reeds in eerste aanleg heeft geuit.

4.2       De psycholoog heeft in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Beoordeling

4.3       De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

5.         Beslissing

            Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en drs. R.M.H. Schmitz en

dr. G.M. van der Aalsvoort, leden-beroepsgenoten en mr. J. van den Hoven, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 maart 2014.

                        Voorzitter   w.g.                                Secretaris w.g.