ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2650 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2012.181
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2650 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-02-2013 |
| Datum publicatie: | 14-02-2013 |
| Zaaknummer(s): | c2012.181 |
| Onderwerp: | Niet of te laat verwijzen |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klager is patiënt in de praktijk waar verweerder, huisarts, als waarnemer werkzaam is geweest. Klager was al eerder bekend met nierstenen en heeft zich op enig moment tot verweerder gewend met klachten. Klager verwijt verweerder dat hij: 1. Tot twee keer toe een verwijzing naar de uroloog heeft geweigerd, zelfs nadat het hem duidelijk was dat klager onder behandeling was van een uroloog en terwijl er een medische noodzaak was voor het verwijzen naar de uroloog; 2. Klager geen nieuwe medicijnen heeft voorgeschreven; 3. Bij klager een buikholteonderzoek heeft uitgevoerd en van plan was een urine onderzoek te laten uitvoeren die beide niet nodig waren gezien de feiten en de omstandigheden; 4. Klager onjuist heeft geïnformeerd door te stellen dat uit het urineonderzoek zou blijken of sprake was van nierstenen. RTG Amsterdam: Klacht in al haar onderdelen als kennelijk ongegrond afgewezen. CTG: verwerpt het beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2012.181 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., huisarts, wonende te B., verweerder in beide instanties,
raadsman: mr. E.P. Haverkate.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 16 maart 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. - hierna de arts - een klacht ingediend. Bij beslissing van
13 december 2011, onder nummer 11/084 heeft dat College de klacht afgewezen.
Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 13 december 2012, waar is verschenen de arts, bijgestaan door mr. E.P. Haverkate. Klager is niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De feiten.
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
Verweerder is gedurende een periode in 2010/2011 werkzaam geweest als waarnemend huisarts in het gezondheidscentrum D. op E. te B.. Klager is patiënt in deze praktijk. Klager heeft vanaf 2006 enkele malen nierstenen gehad, waarvoor hij diverse behandelingen bij de uroloog in het ziekenhuis heeft ondergaan.
Klager heeft op 26 december 2010 wederom last gekregen van nierstenen. Hij heeft vervolgens gebeld met het F.-ziekenhuis, verder het ziekenhuis, waar hij onder behandeling was. Het ziekenhuis heeft hem meegedeeld dat hij eerst langs de huisarts moest voor een verwijsbrief.
Klager heeft op dezelfde dag het spreekuur van verweerder bezocht. Klager vertelde dat hij een niersteen had en direct naar een uroloog verwezen wilde worden voor een echo. De klachten bestonden sinds die ochtend uit continu pijn in de linkerflank. Klager herkende de pijn van eerdere nierstenen. Klager had pijnstillers gebruikt, waarvan de houdbaarheidsdatum was verstreken. Klager had geen koorts, geen mictieklachten en zijn defaecatie was normaal. Verweerder heeft klager lichamelijk onderzocht en wilde als aanvullend onderzoek de urine laten nakijken middels een dipstick.
Klager kon echter niet plassen waarop verweerder klager het advies heeft gegeven de urine later in te leveren. Klager heeft vervolgens niet ingestemd met het onderzoek en is weggelopen uit de praktijk.
Klager heeft vervolgens gebeld met het ziekenhuis en hij heeft een afspraak gemaakt voor een foto en een echo op 28 december 2010. In het consult heeft de uroloog aangegeven dat er een steen in de linker nier aanwezig was en dat de linker nier was vergroot.
Klager is op 4 januari 2011 op consult geweest bij de uroloog. Er was op de foto geen steen te zien. Er is vervolgens een afspraak gemaakt voor een CT scan op 14 januari 2011.
Klager heeft op 13 januari 2011 gebeld met verweerder voor een verwijzing. Verweerder heeft klager toen niet verwezen.
Op 14 januari 2011 heeft klager een CT-scan laten maken. Klager heeft op 16 januari 2011 een niersteen van 5 mm uitgeplast.
Op 18 januari 2011 heeft klager een consult gehad bij de uroloog. Op de CT-scan was de niersteen goed te zien. De linker nier was vergroot.
3. Het standpunt van klager en de klacht.
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
1. twee keer een verwijzing naar de uroloog heeft geweigerd, zelfs nadat het hem duidelijk was dat klager onder behandeling was van een uroloog en terwijl er een medische noodzaak was voor het verwijzen naar de uroloog;
2. klager geen nieuwe medicijnen heeft voorgeschreven;
3. bij klager een buikholteonderzoek heeft uitgevoerd en van plan was een urine onderzoek uit te laten voeren die beide niet nodig waren gezien de feiten en omstandigheden;
4. klager onjuist heeft geïnformeerd door te stellen dat uit het urineonderzoek zou blijken of sprake was van nierstenen.
4. Het standpunt van verweerder.
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college.
Het college overweegt met betrekking tot alle klachtonderdelen het volgende.
Uit de feiten en omstandigheden is niet gebleken dat verweerder niet zomaar geweigerd heeft een verwijzing naar de uroloog af te geven. Verweerder wenste eerst zelf nader onderzoek te doen, alvorens hij klager zou (kunnen) doorverwijzen. Doordat klager hieraan niet mee heeft willen werken, maar uit de praktijk is gelopen, kan verweerder niet verweten worden dat hij niet direct een verwijzing heeft gegeven. Daarvoor wilde hij nu juist eerst nader (urine)onderzoek doen. Er is geen (tuchtrechtelijke) regel die de huisarts gebiedt om op eerste verzoek van een patiënt een verwijzing uit te schrijven, ook al heeft de patiënt inmiddels eigen ervaring met de klachten. Verweerder heeft onbestreden aangegeven dat hij, als er aanwijzingen waren voor nierstenen en niet bijvoorbeeld voor een urineweginfectie, in overleg met klager zou zijn getreden over doorverwijzing. Verweerder heeft conform de NHG standaard voor Urinesteenlijden (2007) gehandeld. Dat verweerder geen nieuwe medicatie heeft voorgeschreven, hangt samen met het feit dat klager uit de praktijk is weggelopen. Dit verwijt treft dus ook geen doel.
Lichamelijk onderzoek en een urine onderzoek is een standaardonderzoek om in een situatie als hier aan de orde tot een werkdiagnose te komen. Dat klager de pijn herkende en het feit dat inderdaad sprake was van nierstenen, doet niet af aan de door verweerder gekozen standaardonderzoeken.
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) kennelijk ongegrond is en zonder verder onderzoek in raadkamer zal worden afgewezen.
Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het hoger beroep
Procedure
4.1 Met zijn beroep beoogt klager de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd komt in de kern neer op een herhaling van de stellingen die hij reeds in eerste aanleg heeft geuit.
4.2 De arts heeft in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
4.3 Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het hoger beroep uit van alle door partijen overgelegde stukken, waaronder het verweerschrift in hoger beroep. Het verweer van klager dat het verweerschrift van de arts te laat is ingediend, zal het Centraal Tuchtcollege passeren, nu niet gebleken is dat klager hierdoor in zijn procesbelang is geschaad. Klager heeft voldoende gelegenheid gehad van het stuk kennis te nemen en had hier ter zitting op kunnen reageren. Klager heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege is met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat niet gebleken is dat de arts zonder meer heeft geweigerd een verwijzing naar de uroloog af te geven. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de arts zorgvuldig en adequaat gehandeld door patiënt op 27 december 2010 lichamelijk te onderzoeken en eerst aanvullend een urineonderzoek te willen laten verrichten, alvorens tot een werkdiagnose te komen. Door klager is niet weersproken dat hij het urineonderzoek heeft geweigerd, als gevolg waarvan de arts niet de mogelijkheid heeft gehad vast te stellen of een verwijzing naar een uroloog geïndiceerd was. De arts treft in dit opzicht dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt.
Dat de arts klager op 13 januari 2011 naar aanleiding van een telefonisch verzoek niet heeft verwezen naar een uroloog, is onvoldoende feitelijk onderbouwd. De arts heeft , in hoger beroep onbestreden, aangevoerd dat klager geweigerd heeft zich bij hem te vervoegen voor het bespreken van een eventuele verwijzing.
4.5 Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft en neemt over hetgeen het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen omtrent het verwijt van klager dat de arts tijdens het consult van 27 december 2010 geen nieuwe medicatie heeft voorgeschreven. Ter gelegenheid van de terechtzitting in hoger beroep heeft de arts uitdrukkelijk betwist dat hij tijdens het consult heeft geweigerd medicatie voor te schrijven en heeft hij (nogmaals) aangegeven dat hij ervan uitging dat hij nieuwe pijnmedicatie later die middag, na het voorgenomen urineonderzoek, aan klager kon voorschrijven. Nu vaststaat dat klager die middag niet is teruggekeerd naar de praktijk van de arts, kan de arts er geen verwijt van worden gemaakt dat hij geen nieuwe medicatie heeft voorgeschreven.
4.6 Uit de in het geding gebrachte stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het Centraal Tuchtcollege onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van klager dat de arts hem onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd over (het doel van) het urineonderzoek.
4.7 Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep van klager te worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter,
mr. G.P.M. van den Dungen en mr. P.J. Wurzer, leden-juristen en drs. H.J. Blok en
drs. M.A.P.E. Bulder-van Beers, leden-beroepsgenoten en mr. J. van den Hoven, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2013.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.