ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2643 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2011.264b
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2643 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-02-2013 |
| Datum publicatie: | 14-02-2013 |
| Zaaknummer(s): | c2011.264b |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het klaagschrift zoals ingekomen bij het Regionaal Tuchtcollege op 6 april 2011 voldoet aan de krachtens artikel 65 lid 2 van de Wet BIG gestelde eisen, nu klaagster de inhoud van haar klacht en de feiten/gronden waarop haar klacht berust voldoende duidelijk heeft weergegeven en de naam van degene over wie wordt geklaagd in het klaagschrift is vermeld. Het Centraal Tuchtcollege zal deze beslissing vernietigen en de zaak, met inachtneming van het bepaalde in artikel 73 lid 5 Wet BIG zelf afdoen, tenzij zwaarwegende belangen van één der partijen zich hiertegen zouden verzetten. Beide partijen hebben echter desgevraagd bij gelegenheid van de mondelinge behandeling ter terechtzitting in hoger beroep en na daartoe gegeven gelegenheid voor beraad, verklaard in te stemmen met deze wijze van afdoening. Nu niet valt in te zien dat de psychiater van zijn handelen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt of dat hij tekort is geschoten in zijn taken als werkbegeleider, dient de klacht als ongegrond te worden afgewezen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2011/264b van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen,
tegen
F., psychiater, destijds werkzaam bij de D. te B.,
verwee rder in hoger beroep, gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, verbonden aan de Stichting VvAA rechtsbijstand te Utrecht .
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klaagster - heeft bij brief van 5 april 2011, ingekomen op 6 april 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen de D. te B. een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 juni 2011, onder nummer 1162 heeft dat College klaagster op grond van artikel 66 lid 4 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, verder Wet BIG, niet-ontvankelijk verklaard omdat het klaagschrift niet aan de krachtens artikel 65 lid 2 Wet BIG gestelde eisen voldeed. Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. F. – hierna de psychiater – heeft in deze zaak een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep in raadkamer behandeld op 9 februari 2012. Op grond van deze raadkamerbehandeling heeft het Centraal Tuchtcollege besloten dat de schriftelijke fase van de behandeling van de zaak diende te worden voorgezet. Na voortzetting van de schriftelijke fase heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden (tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2011/264a) ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 4 december 2012, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door mr. Th. Boumans, en de psychiater bijgestaan door mr. A.W. Hielkema. Mrs. Boumans en Hielkema hebben de standpunten van klaagster respectievelijk de psychiater toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. De overwegingen
Nu het klaagschrift niet voldeed aan het bepaalde in artikel 4 van het Tuchtrechtbesluit BIG is aan klaagster, onder vermelding van hetgeen nadere aanvulling behoefde, schriftelijk gevraagd het verzuim te herstellen. Klaagster heeft evenwel van de haar geboden gelegenheid, ook nadat haar daarvoor nog een nadere termijn was gesteld, geen, althans op onvoldoende wijze, gebruik gemaakt.
Nu het klaagschrift niet aan de krachtens artikel 65 lid 2 van de Wet BIG gestelde eisen voldoet, zal het college op grond van artikel 66 lid 4 van de Wet BIG klaagster zonder nader onderzoek in de klacht niet-ontvankelijk verklaren.”
3. Ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht
Anders dan het Regionaal Tuchtcollege, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het klaagschrift zoals ingekomen bij het Regionaal Tuchtcollege op 6 april 2011 voldoet aan de krachtens artikel 65 lid 2 van de Wet BIG gestelde eisen, nu klaagster de inhoud van haar klacht en de feiten/gronden waarop haar klacht berust voldoende duidelijk heeft weergegeven en de naam van degene over wie wordt geklaagd in het klaagschrift is vermeld. Dat klaagster geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid om de gegevens aan te vullen met het woon/werkadres en de functie van de aangeklaagde persoon, is onvoldoende om klaagster niet ontvankelijk te verklaren nu deze gegevens op eenvoudige wijze te achterhalen waren.
4. Artikel 73 lid 5 Wet BIG
Nu het Centraal Tuchtcollege van oordeel is dat klaagster kan worden ontvangen in haar klacht, kan de in eerste aanleg gegeven beslissing niet worden gehandhaafd. Het Centraal Tuchtcollege zal deze beslissing vernietigen en de zaak, met inachtneming van het bepaalde in artikel 73 lid 5 Wet BIG zelf afdoen, tenzij zwaarwegende belangen van één der partijen zich hiertegen zouden verzetten. Beide partijen hebben echter desgevraagd bij gelegenheid van de mondelinge behandeling ter terechtzitting in hoger beroep en na daartoe gegeven gelegenheid voor beraad, verklaard in te stemmen met deze wijze van afdoening.
5. De feiten
5.1. De dochter van klaagster, E., geboren te B. op 29 juni 1958 (hierna: patiënte) is overleden op 3 november 2010. Patiënte had last van psychische aandoeningen en uiteindelijk heeft dat geresulteerd in suïcide.
5.2. Patiënte is in april 2007 op advies van de huisarts naar de D. gegaan voor bijstand. Psychiater C. was van 1 april 2007 tot 1 april 2008 als psychiater in opleiding werkzaam bij de D. op de divisie kortdurende zorg. De psychiater was de werkbegeleider van C.. Het eerste contact tussen patiënte en C. was op 24 april 2007. Patiënte is later aangemeld bij de divisie sociale psychiatrie/FACT. Ter overbrugging van de wachtlijstperiode werd patiënte ambulant door C. begeleid. Op 11 oktober 2007 was er plek bij de divisie sociale psychiatrie/FACT en is de behandelrelatie geëindigd.
5.3. Mede op verzoek van patiënte is ervoor gekozen om op 13 juli 2007 te starten met medicatie. C. heeft, in overleg met de psychiater, het middel Orap voorgeschreven,
1 mg 2dd. Op 30 juli 2007 heeft patiënte C. laten weten dat zij diarree en buikkramp had en tevens een raar gevoel in de onderarm bij wrijven. Patiënte dacht dat deze klachten werden veroorzaakt door het gebruik van Orap en wenste het gebruik te stoppen. C. heeft de klachten van patiënte op 3 augustus 2007 besproken met de apotheker, die de klachten niet kon relateren aan het gebruik van Orap. Op 9 augustus 2007 heeft C. overleg gepleegd met de psychiater die adviseerde om patiënte te motiveren tot voortzetting van het gebruik van Orap. Patiënte is vervolgens op eigen initiatief met het gebruik van Orap gestopt.
6. De klacht
Klaagster verwijt de psychiater dat hij haar dochter niet adequaat heeft behandeld en aldus in de zorg jegens patiënte tekort is geschoten. Zo is de psychiater te laat gestart met het doen voorschrijven van Orap en heeft hij deze medicatie doen voortzetten ondanks de door patiënte gepresenteerde klachten. Nadat patiënte op eigen initiatief was gestopt met het gebruik van Orap, heeft de psychiater geweigerd een ander middel voor te schrijven.
7. Beoordeling van de klacht
7.1 In hoger beroep heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht.
7.2. De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd en het College verzocht de
klacht als ongegrond af te wijzen.
7.3. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting er geen redenen zijn om aan te nemen dat de handelwijze van de psychiater in deze op enigerlei wijze onzorgvuldig is geweest. Het voorschrijven van Orap aan patiënte was gelet op de gestelde diagnose een aanvaardbare keuze. Niet aannemelijk is dat de lichamelijke klachten van patiënte waren toe te schrijven aan het gebruik van Orap omdat deze klachten niet bekend stonden als (mogelijk) gerelateerd aan het gebruik van Orap. C. heeft daarover contact opgenomen met de apotheker die dit aan haar heeft bevestigd. In het zicht van de overdracht van patiënte aan de divisie sociale psychiatrie/FAC acht het Centraal Tuchtcollege het begrijpelijk dat de psychiater er (in overleg met C.) voor heeft gekozen het medicatiebeleid verder over te laten aan de nieuwe behandelaren. Dit te meer gezien de gecompliceerde somatische situatie van patiënte. Nu niet valt in te zien dat de psychiater van zijn handelen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt of dat hij tekort is geschoten in zijn taken als werkbegeleider van C., dient de klacht als ongegrond te worden afgewezen.
8. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;
opnieuw rechtdoende:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. L.F. Gerretsen-Visser, leden-juristen en drs. M. Drost en drs. A.C.L. Allertz, leden- beroepsgenoten en mr. R. Blokker, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van
14 februari 2013. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.