ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2567 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2012.136

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2567
Datum uitspraak: 10-01-2013
Datum publicatie: 16-01-2013
Zaaknummer(s): c2012.136
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de huisarts dat hij gedreigd heeft de politie in te schakelen/de politie heeft ingeschakeld toen de moeder van klager uit het ziekenhuis teruggebracht werd naar huis. De feiten die aan die klachten ten grondslag liggen zijn niet komen vast te staan. Klachten verworpen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2012.136 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mw mr. A.W. Hielkema, jurist verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1.         Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 11 januari 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen huisarts C. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 23 februari 2012, onder nummer 006/2011 heeft dat College de klacht afgewezen.

Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 15 november 2012, waar uitsluitend is verschenen mr. Hielkema, gemachtigde van de arts. Zij heeft het verweer van de arts kort toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

2.1.      In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld:

2.       DE FEITEN

Op grond van de stukken waaronder het medisch dossier dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

De klacht heeft betrekking op de moeder van klager, D., verder patiënte te noemen, geboren op 29 januari 1932 en overleden op 18 december 2010. Verweerder was werkzaam in één praktijk met de eigen huisarts van patiënte, die in eerste instantie eveneens is aangeklaagd. Klager was (over)belast inzake de zorg voor zijn moeder. Op 9 september 2010 heeft verweerder een visite afgelegd bij patiënte nadat zij ontslagen was uit het ziekenhuis. Daarbij heeft hij onder meer lidocaïnezalf voorgeschreven voor een aambei. Op 13 september 2010 werd patiënte vervolgens gezien door haar eigen huisarts, die haar verwees naar de polikliniek chirurgie. Op die afdeling werd een rectumprolaps geconstateerd. Klager had begrepen dat er die dag een opname zou volgen en voelde zich overvallen door het bericht dat zijn moeder na bezoek aan de polikliniek weer naar huis zou komen. Bij het overbrengen van patiënte naar huis is toen politie ingeschakeld ”.

2.2.      De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in:

3.       HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Na het mondeling vooronderzoek heeft klager schriftelijk laten weten de klacht tegen de eigen huisarts van patiënte in te trekken en ten aanzien van verweerder uitsluitend de klacht te handhaven dat hij de politie heeft ingeschakeld.

             4.         HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij niet degene is die gaat over het beleid van de polikliniek heelkunde, dat hij niet heeft gezorgd voor de politie-inzet en ook niet tegen klager heeft gezegd dat hij dat zou gaan doen ”.

2.3.      Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

            “5.       DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het college ziet zich geconfronteerd met tegenovergestelde meningen over de vraag wie de politie heeft ingeschakeld. Het standpunt van verweerder vindt hierbij steun in de aantekeningen in het overgelegde huisartsenjournaal bij 19 september 2010 en in de aantekeningen van het bezoek aan de SEH op die datum. De aantekeningen in het journaal dat door het ziekenhuis is doorgegeven “Daarom is de politie gebeld” en die van de SEH “Alhier taxi geregeld. Politie geïnformeerd om deur te openen” duiden er immers op dat niet verweerder maar het ziekenhuis de politie heeft ingeschakeld. Voor het standpunt van klager is in elk geval geen steun te vinden in de stukken. Bij deze stand van zaken kan er niet van worden uitgegaan dat verweerder de politie heeft ingeschakeld, zodat het college niet toekomt aan de vraag of zulks verwijtbaar is of niet.

5.3

Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient deze te worden afgewezen ”.

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

            3.1.      Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor zijn weergegeven onder 2.1..

4.         Beoordeling van het hoger beroep

Procedure

            4.1.      In hoger beroep heeft klager zijn klacht nader toegelicht. Hij benadrukt dat hij de uitingen  van de arts tijdens het telefonische onderhoud, voorafgaand aan de terugkeer van zijn moeder na haar poliklinische behandeling, als bedreigend en intimiderend heeft ervaren. Hij erkent dat wellicht niet meer te achterhalen is of de arts daadwerkelijk de politie heeft ingeschakeld  maar vindt dat ook minder van belang.

            4.2.      De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het beroep.

Beoordeling

4.3.      Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de klacht van klager in twee delen viel te splitsen. Enerzijds verweet hij de arts dat die de politie gebeld zou hebben teneinde de terugkeer van klagers moeder naar huis te begeleiden. Te dien aanzien heeft klager inmiddels zelf erkend dat een en ander niet meer valt te achterhalen. Daarmee resteert zijn klacht dat de arts met het inschakelen van de politie gedreigd zou hebben. Nu de arts dat ten stelligste ontkent en ter zake verder geen bewijs voorligt, is ook dat feit niet komen vast te staan. Het beroep dient dan ook te worden verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr. H.C. Cusell en

mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en drs. H.J. Blok en drs. B.P.M. Schweitzer, leden-beroepsgenoten en mr. B.J. Broekema-Engelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 januari 2013.  Voorzitter   w.g.                        Secretaris   w.g.