ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2565 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2012.083
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2013:YG2565 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-01-2013 |
| Datum publicatie: | 16-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | c2012.083 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de huisarts dat hij naar aanleiding van de klachten van zijn vrouw ten onrechte heeft volstaan met onder meer het verwijzen naar twee specialisten; nader onderzoek, een MRI-scan of een verwijzing naar een andere specialist zou aangewezen zijn geweest. Ook zou ten onrechte een second opinion zijn geweigerd. Klachten ongegrond verklaard. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2012.083 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., huisarts, wonende te D., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. C.W.M. Verberne, advocaat te Eindhoven.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 2 mei 2011 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Gravenhage tegen huisarts C. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 8 november 2011, onder nummer 2011-082 heeft dat College de klacht afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.
De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 15 november 2012, waar zijn verschenen klager alsmede de arts, bijgestaan door mr. Van der Kolk-Heinsbroek, kantoorgenote en tijdens de mondelinge behandeling vervangster van mr. Verberne.
De zaak is over en weer bepleit. Mr. Van der Kolk heeft de standpunten van de arts toegelicht aan de hand van een pleitnota die aan het Centraal Tuchtcollege is overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld:
“ 2. De feiten
2.1 Klager en zijn op 5 maart 2010 overleden echtgenote, verder te noemen patiënte, zijn van mei 2005 tot februari 2009 patiënt geweest bij de arts die als huisarts werkzaam is in B..
2.2 Vanaf december 2007 tot en met februari 2009 bezoekt patiënte diverse malen het spreekuur van de arts in verband met onder meer eczeemklachten, vaginale klachten met pijn en roodheid, buikpijnklachten en klachten van rode huid in haar gelaat. De arts stelt naar aanleiding van de door patiënte gepresenteerde klachten in die periode zelf een diagnose of verwijst patiënte door naar respectievelijk de dermatoloog en de gynaecoloog. Patiënte is ook nog op eigen initiatief in maart 2009 door de chirurg gezien op de spoedeisende hulp in verband met roodheid, zwelling en een brandend gevoel van haar labia.
2.3 Omdat patiënte, die tevens bekend is met een gegeneraliseerde angststoornis die in het verleden psychiatrisch is behandeld, klachten blijft aangeven zonder dat de arts, de geraadpleegde specialisten en collega-huisartsen op de spoedeisende hulp een lichamelijke oorzaak voor de klachten kunnen vinden, stelt de arts patiënte voor nogmaals met een psycholoog of psychiater te gaan praten.
2.4 Op 11 februari 2009 nodigt de arts klager en patiënte uit voor een gesprek in verband met diverse door klager of patiënte aangevraagde spoedafspraken en/of visites voor dezelfde klachten. Na dit gesprek heeft de arts niets meer vernomen van klager en patiënte ”.
2.2. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in:
“ 3. De klacht
Zakelijk weergegeven verwijt klager de arts dat hij een verkeerde diagnose heeft gesteld, de diagnose in verband met pijn in de onderbuik heeft gemist, een second opinion heeft geweigerd en patiënte eenzijdig, nalatig en verkeerd heeft behandeld.
4. Het standpunt van de arts
De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig zal op de verweren van de arts hieronder worden ingegaan ”.
2.3. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
“ 5. De beoordeling
Uit de hierboven weergegeven feiten en de processtukken concludeert het College dat er in casu sprake is geweest van een patiënte die in de periode 2007-2009 met uiteenlopende klachten zeer frequent het spreekuur van de arts heeft bezocht.
Het College heeft geen aanwijzingen gevonden voor de aanname dat de arts de klachten van patiënte niet serieus heeft genomen, niet goed heeft ingeschat of patiënte eenzijdig of nalatig heeft behandeld. Het is daarentegen wel aannemelijk geworden dat de klachten van patiënte door de arts ten alle tijden serieus zijn genomen en voldoende zijn onderzocht. De arts heeft, zo blijkt ook uit het medisch dossier, na ieder persoonlijk of telefonisch contact met patiënte en/of klager actie ondernomen, lichamelijk onderzoek verricht, waar mogelijk medicatie voorgeschreven, bloedonderzoek verricht en/of patiënte op geleide van haar klachten doorverwezen naar de dermatoloog of de gynaecoloog. Ook is patiënte in een latere fase nog gezien door een chirurg op de spoedeisende hulp. Hier komt nog bij dat de arts, de door de arts geraadpleegde specialisten, de chirurg op de spoedeisende hulp en de collega-huisartsen op de huisartsenpost, geen afwijkingen konden vaststellen bij patiënte.
Ten aanzien van de verkeerde diagnosestelling en in het bijzonder de gemiste diagnose in verband met buikpijnklachten die klager relateert aan de twee jaar later bij patiënte opgetreden nierproblemen oordeelt het College als volgt. De arts heeft met betrekking tot de huidafwijkingen patiënte doorverwezen naar de dermatoloog die een diagnose heeft gesteld. Voor de klachten aan de genitalia heeft de arts patiënte doorverwezen naar de gynaecoloog die evenals de chirurg en de collega-huisartsen geen diagnose kon stellen. Het kan de arts derhalve niet verweten worden dat hij een diagnose heeft gemist.
Eenmalig heeft patiënte op 20 oktober 2008 buikklachten ter sprake gebracht bij de arts. De door de arts afgenomen anamnese en het aanvullend onderzoek van de buik leverde geen afwijkingen op. Aanvullend heeft de arts nog een buikoverzicht foto laten maken en laboratoriumonderzoek verricht, die beide geen afwijkingen aan het licht brachten. Het College kan zich volledig met het door de arts gevoerde beleid verenigen.
Het College kan klager evenmin volgen in zijn verwijt dat de arts patiënte een second
opinion heeft geweigerd. Uit het medisch dossier blijkt dat de arts juist aan patiënte heeft geadviseerd om een second opinion in E. aan te vragen omdat geen enkele behandelaar tot dat moment iets had kunnen betekenen voor patiënte. De arts treft hierin dan ook geen enkel verwijt.
Het voorgaande leidt ertoe dat de klacht in alle onderdelen ongegrond is en zal worden afgewezen ”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
3.1. Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor zijn weergegeven onder 2.1..
4. Beoordeling van het hoger beroep
Procedure
4.1. In hoger beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht.
4.2. De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
4.3. Het Centraal Tuchtcollege is, met het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat de arts – alle omstandigheden in aanmerking genomen – ter zake van de klachten van de echtgenote van klager adequaat is opgetreden. Wel merkt het College op dat de arts er beter aan zou hebben gedaan indien hij op 20 oktober 2008 – toen de echtgenote van klager (ook) buikklachten meldde – ook de urine alsmede de creatinine in het bloed van mevrouw had laten controleren. Het Centraal Tuchtcollege acht dit echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, te meer nu de buikklachten tijdens de latere, zeer frequente bezoeken van de echtgenote aan de arts niet meer aan de orde zijn geweest. Het Centraal Tuchtcollege merkt overigens nog op dat niet is komen vast te staan dat de (overige) huid- en buikklachten van mevrouw verband hielden met het in mei/juni 2009 bij klaagster geconstateerde nierfalen.
4.4. Wat betreft de specifieke klacht dat de arts niet zou zijn ingegaan op het verzoek van klager en zijn echtgenote op 11 februari 2009 om een ‘second opinion’, is komen vast te staan dat klager kort na de aanvang van dat consult de gespreksruimte heeft verlaten. Het is dan ook niet onaannemelijk dat er wel een aanbod is gedaan om een tweede specialist te raadplegen (‘bellen naar E.), zoals in het patiëntendossier staat vermeld.
4.5. Het beroep dient dan ook te falen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr. H.C. Cusell en
mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, leden-juristen en drs. H.J. Blok en drs. B.P.M. Schweitzer, leden-beroepsgenoten en mr. B.J. Broekema-Engelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 januari 2013. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.